De meerjarenbegroting van de Europese Unie zou, volgens het voorstel van de Commissie, stijgen tot 1135 miljard euro of 1,11 procent van het gezamenlijke bruto binnenlands product (bbp). Dat is een toename van 0,11 procent. Het totaal aan vastleggingskredieten voor de periode 2014-2020 staat op 959 miljard euro. Op de aankomende top van de Europese Raad in december - onder Fins voorzitterschap - zal weer naar een akkoord moeten worden gezocht. De vraag is: wie zal meer geld op tafel willen leggen voor de Europese begroting?

Brexit

Naast meer uitgaven in het kader van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de periode 2021-2027 is er ook de brexit en de vraag wat zal gebeuren met het verlies van de Britse bijdragen? Het Verenigd Koninkrijk betaalt in 2019 zowat 22,4 miljard euro aan de Europese Unie. Overeenkomstig met de 'rebate' krijgen de Britten 5 miljard euro terug en betalen ze nog 17,4 miljard voor 2019. Van dat verschil betaalt de Belgische belastingbetaler 243 miljoen euro. Daarmee blijft het Verenigd Koninkrijk de derde betaler aan de Europese begroting na de Duitsers (30,4 miljard ) en de Fransen (22,5 miljard). Zelfs met de rebate blijft het Verenigd Koninkrijk een nettobetaler aan de Unie. Een analyse van de uitgaven leert ons dat de Britten zowat 8,3 miljard euro krijgen uit onder meer de regionale, de sociale en de landbouwfondsen van de Europese begroting. Zodoende moeten de overige 27 leden nog 9,3 miljard bijpassen als men niets wil besparen. Het enige wat kan compenseren zijn de meeropbrengsten van de douanerechten door de invoering van tarieven, maar dat is ook niet zeker door een neergang van het handelsvolume. De vraag is hoeveel de Britten willen betalen voor een relatieve vrije toegang tot de interne markt. Dat bedrag zal nooit 8 of 9 miljard euro per jaar bedragen. In het beste geval betaalt het Verenigd Koninkrijk grants zoals de landen van de Europese vrijhandelsassociatie EFTA (Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland) in het kader van de Europese Economische Ruimte. Dat laatste komt op ongeveer 2,5 miljard euro per jaar.

België kent een handelsvolume van ongeveer 30 miljard euro per jaar met het Verenigd Koninkrijk. Tegenover die export staat amper de helft aan invoer. Wij hebben met andere woorden een zeer positieve handelsbalans met het Verenigd Koninkrijk. Bij een iet of wat harde brexit scheurt Vlaanderen er vooral zijn economische en financiële broek aan. De export van dit federale land komt trouwens voor 83 procent uit Vlaanderen.

Eigen middelen

Men onderhandelt ook over een nieuw eigenmiddelenbesluit. In het lopende stelsel uit 2014 dragen de lidstaten 80 procent van hun douanerechten af aan de Europese Unie (21,5 miljard euro). De overige 20 procent mogen de leden houden als inningskosten. Het hoge percentage van 80 procent is vooral een financieel probleem voor de lage landen. België (2,2 miljard euro) en Nederland (2,6 miljard euro) zijn de belangrijkste afdragers aan de Europese schatkist, samen met Duitsland (4,3 miljard euro) en het Verenigd Koninkrijk (3,1 miljard euro). De optelsom van de af te dragen douanerechten van de lage landen bedraagt meer dan die van de Bondsrepubliek. Dat bewijst nog eens het belang van de Nederlandse- en de Vlaamse zee- en luchthavens. De btw wordt maar voor 0,30 procent afgedragen aan de Europese Unie. Drie landen krijgen een lager tarief: Duitsland, Nederland en Zweden (0,15%). Ongeveer 17 miljard euro komt uit die btw-afdracht. Dat is voor België ongeveer 600 miljoen euro in 2019. De belangrijkste bijdrage aan de Europese begroting zijn de heffingen op het bbp van de lidstaten. Die bedragen zowat 107 miljard euro. Daarvan komt ongeveer 3,3 miljard euro uit ons federale koninkrijk.

Wie wil meer geld op tafel leggen voor de Europese begroting?

Het eigenmiddelenbesluit kent nog meerdere uitzonderingen, zoals het feit dat drie landen (Denemarken, Nederland en Zweden) samen een vermindering van 1 miljard op hun bbp-heffing krijgen. De andere lidstaten dienen dat verschil bij te passen. Bovendien zijn er vier leden (Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden) die maar 25 procent moeten bijdragen ten voordele van het Verenigd Koninkrijk. De overige 23 lidstaten passen dat bij. Het eigenmiddelenbesluit is dus een kluwen van uitzonderingen.

In de goedgekeurde begroting 2019 van de Europese Unie wordt de Belgische bijdrage begroot op zowat 6,2 miljard euro. Het idee van de Europese Commissie om het aankomende MFK te verhogen met bijna 175 miljard euro, in combinatie met de brexit, zal de Belgische schatkist meer geld kosten. Grote besparingen op de uitgaven zijn moeilijk omdat de oostelijke en de zuidelijke leden dat niet zien zitten. De nieuwe plannen voor het MFK komen neer op een jaarlijkse verhoging van de begroting van ongeveer 25 miljard euro. Het Belgische aandeel in die bijdrage loopt door de brexit op van 4,2 naar 4,7 procent. De stijging van het MFK zal 1,1 miljard euro extra kosten en dan zijn er nog 300 miljoen extra kosten als gevolg van de brexit.

Conclusie

De kandidaat-leden van de aankomende federale regering hebben al vele ideeën opgelaten om meer geld uit te geven. Maar ook de Europese begroting zal, zonder besparingen, aardig wat meer eisen van de belastingbetaler. De structurele problemen zitten bij de dertien nieuwe leden van deze eeuw. De zes oorspronkelijke leden van de jaren vijftig betalen nog altijd zowat 58 procent van de begroting. De vijftien leden van in 1995 betalen liefst 90 procent. De uitbreiding van de Europese Unie in deze eeuw is geen budgettair geschenk geweest voor de belastingbetalers van Noord- en West-Europa. De (in)formateurs van de federale regering mogen zich verwachten aan een serieus toenemende Europese factuur.