Wat hebben België, Malta, Cyprus en Luxemburg gemeen dat in geen enkel ander Europees land voorkomt? De automatische loonindexering. Die indexering laat de lonen voor alle werknemers stijgen, ongeacht de productiviteit van het bedrijf, de sector of de werknemer. Door haar automatisme is er echter geen kat die nog enige waarde hecht aan die loonsopslag. En we lijken bovendien ook allemaal te vergeten dat die loonsverhoging wel eerst verdiend moet worden door meer productie en meer verkopen.

Op 14 januari stelde de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) dat de lonen in 2021-2022 maximaal met 0,4% mogen stijgen bovenop de index als we onze loonkostenontwikkeling in de pas willen houden met Frankrijk, Duitsland en Nederland. Dat laatste is uitzonderlijk belangrijk, want Belgische bedrijven opereren in een kleine open economie en dus zijn hun belangrijkste concurrenten de bedrijven uit die naaste buurlanden. De CRB kwam uit op die 0,4% omdat de loonstijgingen in onze buurlanden erg beperkt zullen blijven omwille van de coronacrisis én ... omdat er in ons land in 2021-2022 al een loonsverhoging, via de automatische loonindexering, van 2,8% zit aan te komen.

Waarom de loonnormwet uw job beschermt.

De geschiedenis leert ons dat in tijden van crisis de buurlanden op de rem gaan staan inzake loonstijgingen maar onze bedrijven daarentegen fors aan concurrentievermogen inboeten omdat in België de automatische loonindexeringen steeds blijven doorlopen. Daardoor schieten bij ons de lonen sneller de hoogte in. Dat was bijvoorbeeld het geval na de oliecrisissen in de jaren 70 en 80 en de Golfoorlog begin jaren 90. Telkens opnieuw resulteerden die episodes in volgend scenario: een sterk verlies aan concurrentievermogen gevolgd door herstructureringen en delokalisaties. Met als eindresultaat zware jobverliezen. Zo gingen in de privésector tussen 1975 en 1984 maar liefst 300.000 jobs verloren (-14%), tussen 1991 en 1994 nog eens 80.000 jobs (-3,5%). Dat jobverlies is nu net de reden waarom er in 1996 een wet is gekomen die de loonkostenstijgingen bovenop de index vastlegt op basis van de loonkostenontwikkelingen in de buurlanden.

Al snel werd echter vastgesteld dat die wet er toch niet in slaagde om de loonkosten onder controle te houden. Door een relatief hoge inflatie en onderschatte loonstijgingen in de buurlanden liep onze loonkostenhandicap in de periode 2007 - 2013 op tot 5 à 6%, bovenop de historische reeds bestaande handicap van 10%. De regering-Michel besliste dan ook terecht om de wet verder te verfijnen, o.a. door een ruimer staal aan economische prognoses in beschouwing te nemen, een sluitend correctiemechanisme uit te werken en - ingegeven door het voorzichtigheidsprincipe - een veiligheidsmarge voor voorspellingsfouten van 0,5% te voorzien (restitueerbaar indien niet nodig). Op basis van die vernieuwde wet werden twee sociale akkoorden gesloten met telkens een reële loonsverhoging van 1,1% bovenop de index.

Nu we in de diepste economische recessie sinds de Tweede Wereldoorlog zijn beland - dus opnieuw een gevaarlijk moment voor onze concurrentiepositie - zetten de vakbonden de frontale aanval in op die belangrijke wet. Gesteund door enkele academici, zijn ze van oordeel dat die wet te weinig flexibiliteit biedt om de loonstijgingen te aligneren op de productiviteitsverschillen in de bedrijven. Sommigen pleiten er zelfs voor om nú al hogere loonstijgingen toe te laten om zo incentives te creëren voor sterkere productiviteitswinsten.

Dat is natuurlijk de wereld op z'n kop. De volgorde moet immers anders zijn: eerst maatregelen nemen die entrepreneurship, innovatie en groei aanmoedigen zoals lagere lasten op arbeid en ondernemerschap, meer arbeidsflexibiliteit (denk maar aan de rigide regels rond avondwerk) om e-commerce te faciliteren, minder restrictieve economische reglementeringen (denk maar aan de archaïsche regeling rond de openingstijden in de handel), minder administratieve lasten, meer investeringen in infrastructuur, beter op de arbeidsmarkt aansluitende opleidingstrajecten, slimme oplossingen voor de fileproblematiek ... Wanneer al die maatregelen hun vruchten afwerpen en leiden tot een sterkere economische groei, dan pas kunnen de vruchten verdeeld worden, onder meer via hogere loonstijgingen.

Kortom, de loonnormwet is niet meer of minder dan een tegengewicht tegen de automatische loonindexering. Als we dat starre element in de loonvorming schrappen, dan zou de loonnormwet als tegengewicht niet meer nodig zijn. Dan zouden werkgevers en werknemers vrij kunnen onderhandelen over de loonstijgingen. Buitenlandse voorbeelden tonen trouwens overduidelijk aan dat ook voor ons land vrije loononderhandelingen de 'first-best'-oplossing zou zijn.

Edward Roosens is Chief Economist bij het VBO.

Wat hebben België, Malta, Cyprus en Luxemburg gemeen dat in geen enkel ander Europees land voorkomt? De automatische loonindexering. Die indexering laat de lonen voor alle werknemers stijgen, ongeacht de productiviteit van het bedrijf, de sector of de werknemer. Door haar automatisme is er echter geen kat die nog enige waarde hecht aan die loonsopslag. En we lijken bovendien ook allemaal te vergeten dat die loonsverhoging wel eerst verdiend moet worden door meer productie en meer verkopen.Op 14 januari stelde de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) dat de lonen in 2021-2022 maximaal met 0,4% mogen stijgen bovenop de index als we onze loonkostenontwikkeling in de pas willen houden met Frankrijk, Duitsland en Nederland. Dat laatste is uitzonderlijk belangrijk, want Belgische bedrijven opereren in een kleine open economie en dus zijn hun belangrijkste concurrenten de bedrijven uit die naaste buurlanden. De CRB kwam uit op die 0,4% omdat de loonstijgingen in onze buurlanden erg beperkt zullen blijven omwille van de coronacrisis én ... omdat er in ons land in 2021-2022 al een loonsverhoging, via de automatische loonindexering, van 2,8% zit aan te komen.De geschiedenis leert ons dat in tijden van crisis de buurlanden op de rem gaan staan inzake loonstijgingen maar onze bedrijven daarentegen fors aan concurrentievermogen inboeten omdat in België de automatische loonindexeringen steeds blijven doorlopen. Daardoor schieten bij ons de lonen sneller de hoogte in. Dat was bijvoorbeeld het geval na de oliecrisissen in de jaren 70 en 80 en de Golfoorlog begin jaren 90. Telkens opnieuw resulteerden die episodes in volgend scenario: een sterk verlies aan concurrentievermogen gevolgd door herstructureringen en delokalisaties. Met als eindresultaat zware jobverliezen. Zo gingen in de privésector tussen 1975 en 1984 maar liefst 300.000 jobs verloren (-14%), tussen 1991 en 1994 nog eens 80.000 jobs (-3,5%). Dat jobverlies is nu net de reden waarom er in 1996 een wet is gekomen die de loonkostenstijgingen bovenop de index vastlegt op basis van de loonkostenontwikkelingen in de buurlanden. Al snel werd echter vastgesteld dat die wet er toch niet in slaagde om de loonkosten onder controle te houden. Door een relatief hoge inflatie en onderschatte loonstijgingen in de buurlanden liep onze loonkostenhandicap in de periode 2007 - 2013 op tot 5 à 6%, bovenop de historische reeds bestaande handicap van 10%. De regering-Michel besliste dan ook terecht om de wet verder te verfijnen, o.a. door een ruimer staal aan economische prognoses in beschouwing te nemen, een sluitend correctiemechanisme uit te werken en - ingegeven door het voorzichtigheidsprincipe - een veiligheidsmarge voor voorspellingsfouten van 0,5% te voorzien (restitueerbaar indien niet nodig). Op basis van die vernieuwde wet werden twee sociale akkoorden gesloten met telkens een reële loonsverhoging van 1,1% bovenop de index.Nu we in de diepste economische recessie sinds de Tweede Wereldoorlog zijn beland - dus opnieuw een gevaarlijk moment voor onze concurrentiepositie - zetten de vakbonden de frontale aanval in op die belangrijke wet. Gesteund door enkele academici, zijn ze van oordeel dat die wet te weinig flexibiliteit biedt om de loonstijgingen te aligneren op de productiviteitsverschillen in de bedrijven. Sommigen pleiten er zelfs voor om nú al hogere loonstijgingen toe te laten om zo incentives te creëren voor sterkere productiviteitswinsten. Dat is natuurlijk de wereld op z'n kop. De volgorde moet immers anders zijn: eerst maatregelen nemen die entrepreneurship, innovatie en groei aanmoedigen zoals lagere lasten op arbeid en ondernemerschap, meer arbeidsflexibiliteit (denk maar aan de rigide regels rond avondwerk) om e-commerce te faciliteren, minder restrictieve economische reglementeringen (denk maar aan de archaïsche regeling rond de openingstijden in de handel), minder administratieve lasten, meer investeringen in infrastructuur, beter op de arbeidsmarkt aansluitende opleidingstrajecten, slimme oplossingen voor de fileproblematiek ... Wanneer al die maatregelen hun vruchten afwerpen en leiden tot een sterkere economische groei, dan pas kunnen de vruchten verdeeld worden, onder meer via hogere loonstijgingen.Kortom, de loonnormwet is niet meer of minder dan een tegengewicht tegen de automatische loonindexering. Als we dat starre element in de loonvorming schrappen, dan zou de loonnormwet als tegengewicht niet meer nodig zijn. Dan zouden werkgevers en werknemers vrij kunnen onderhandelen over de loonstijgingen. Buitenlandse voorbeelden tonen trouwens overduidelijk aan dat ook voor ons land vrije loononderhandelingen de 'first-best'-oplossing zou zijn. Edward Roosens is Chief Economist bij het VBO.