De werkgelegenheidsgraad zet de totale werkgelegenheid (van loontrekkenden en zelfstandigen) in een land of regio af ten opzichte van de totale bevolking van 15 tot 64 jaar in dat land of die regio. De Vlaamse werkgelegenheidsgraad scoort laag in vergelijking met andere EU-landen, blijkt uit de jongste cijfers.

In 2019 lag de werkgelegenheidsgraad op een iets hoger peil. De impact van de covid-19 crisis is waarneembaar, maar zal zich naar alle waarschijnlijkheid volgend jaar sterker laten voelen. Arbeidsmarktvariabelen reageren immers met enige vertraging op ontwikkelingen in de economie, stelt Statistiek Vlaanderen.

Gewesten

De pendel tussen de verschillende gewesten heeft een invloed op de werkgelegenheidsgraad. De werkgelegenheidsgraad is binnen België het hoogst in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest door het grote aanbod aan jobs. Er zijn immers vele overheidsinstellingen en administratieve zetels van bedrijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Wanneer de activiteit van de Vlaamse pendelaars die in een ander gewest werken bij het Vlaamse Gewest wordt geteld, neemt de Vlaamse werkgelegenheidsgraad toe van 68,4 procent naar 72,0 procent. Ook de Waalse werkgelegenheidsgraad stijgt in dat geval, terwijl de Brusselse opmerkelijk krimpt (tot 53,3 procent).

EU

De gemiddelde werkgelegenheidsgraad in de Europese Unie (EU27) is met 70,8 procent in 2020 hoger dan in het Vlaamse Gewest. De meeste EU-lidstaten hebben een hogere werkgelegenheidsgraad, ook wanneer de arbeid van pendelaars verrekend wordt in de Vlaamse werkgelegenheidsgraad. Dat komt omdat Vlaamse bedrijven kapitaalintensief produceren om de relatief hoge loonkost binnen de perken te houden.

Luxemburg heeft een fors hoge werkgelegenheidsgraad. Er zijn immers veel jobs in de financiële sector en ook is een deel van de Europese instellingen daar gevestigd. Ook in Nederland en Duitsland is de werkgelegenheidsgraad hoog, maar het gaat soms ook om deeltijdse en/of minder betaalde of meer flexibele jobs. De werkgelegenheidsgraad is het laagst in een aantal Zuid- en Oost-Europese landen.

De werkgelegenheidsgraad zet de totale werkgelegenheid (van loontrekkenden en zelfstandigen) in een land of regio af ten opzichte van de totale bevolking van 15 tot 64 jaar in dat land of die regio. De Vlaamse werkgelegenheidsgraad scoort laag in vergelijking met andere EU-landen, blijkt uit de jongste cijfers.In 2019 lag de werkgelegenheidsgraad op een iets hoger peil. De impact van de covid-19 crisis is waarneembaar, maar zal zich naar alle waarschijnlijkheid volgend jaar sterker laten voelen. Arbeidsmarktvariabelen reageren immers met enige vertraging op ontwikkelingen in de economie, stelt Statistiek Vlaanderen. De pendel tussen de verschillende gewesten heeft een invloed op de werkgelegenheidsgraad. De werkgelegenheidsgraad is binnen België het hoogst in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest door het grote aanbod aan jobs. Er zijn immers vele overheidsinstellingen en administratieve zetels van bedrijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Wanneer de activiteit van de Vlaamse pendelaars die in een ander gewest werken bij het Vlaamse Gewest wordt geteld, neemt de Vlaamse werkgelegenheidsgraad toe van 68,4 procent naar 72,0 procent. Ook de Waalse werkgelegenheidsgraad stijgt in dat geval, terwijl de Brusselse opmerkelijk krimpt (tot 53,3 procent).De gemiddelde werkgelegenheidsgraad in de Europese Unie (EU27) is met 70,8 procent in 2020 hoger dan in het Vlaamse Gewest. De meeste EU-lidstaten hebben een hogere werkgelegenheidsgraad, ook wanneer de arbeid van pendelaars verrekend wordt in de Vlaamse werkgelegenheidsgraad. Dat komt omdat Vlaamse bedrijven kapitaalintensief produceren om de relatief hoge loonkost binnen de perken te houden. Luxemburg heeft een fors hoge werkgelegenheidsgraad. Er zijn immers veel jobs in de financiële sector en ook is een deel van de Europese instellingen daar gevestigd. Ook in Nederland en Duitsland is de werkgelegenheidsgraad hoog, maar het gaat soms ook om deeltijdse en/of minder betaalde of meer flexibele jobs. De werkgelegenheidsgraad is het laagst in een aantal Zuid- en Oost-Europese landen.