Het Europees Parlement stemde eerder deze week in met een nieuw actieplan voor de circulaire economie. Men wil men tegen 2050 een volledig circulaire Europese economie. Om daarin te slagen, roepen de parlementsleden op snel tot bindende doelstellingen te komen, onder meer op het gebied van materiaalgebruik. Dat is geen seconde te vroeg, als we bijvoorbeeld kijken naar het Circularity Gap Report van 2021 dat eind vorige maand is verschenen . Naar jaarlijkse gewoonte wordt in dat rapport de wereldeconomie tegen het licht gehouden door een panel van experts. De centrale vraag: is de wereldeconomie het voorbije jaar meer circulair geworden? Het antwoord is neen. Waar in 2018 nog 9,1 procent van de economie werd beschouwd als circulair, is dat vandaag gezakt tot 8,6 procent. Onze mondiale economie zit vast in versnelling 'achteruit'. Dat is best straf, als je weet dat in diezelfde periode er zich een ware wedloop heeft afgetekend tussen politici, maar evengoed bedrijven, met ronkende verklaringen en claims op het gebied van circulaire economie.

Alle eieren in dezelfde mand

Veel tijd om te treuzelen hebben we echter niet. Vriend en vijand zijn het dan ook eens over de noodzaak snel werk te maken van de transitie richting een circulaire economie. Maar waar knelt dan precies het schoentje? Een belangrijk stuk van het antwoord ligt - ook in Vlaanderen - in het feit dat al te vaak alle eieren in hetzelfde mandje worden gelegd: dat van de technologische vooruitgang. Maar die strategie gaat voorbij aan een aantal basiswetmatigheden van een circulaire economie. Ze dreigt een volwaardige transitie zelfs te hypothekeren.

Om dat te begrijpen dienen we de motor van de circulaire economie van dichtbij te bekijken. Kijken we onder de motorkap, dan zien we niet één, maar twee motoren. De eerste motor heeft de grootste ecologische impact en is erop gericht producten zo lang mogelijk hun waarde te laten behouden, door die bijvoorbeeld slim te ontwerpen, te herstellen waar nodig, en maximaal te hergebruiken. De tweede motor komt pas later op het toneel. Producten worden ooit afval, en dan is het zaak hun grondstoffen maximaal te recupereren, bijvoorbeeld via recyclage.

Eén transitie, twee motoren

Beide motoren verschillen fundamenteel van elkaar. De eerste motor draait op arbeid. Voor het inzamelen, herstellen en hergebruiken van goederen zijn veel handen nodig. Conservatieve studies gaan uit van een bijkomend potentieel van 30.000 tot 100.000 jobs in Vlaanderen. Wellicht ligt het potentieel nog hoger. Zo kwam de Nederlandse denktank Ex'taks begin februari tot de vaststelling dat de transitie richting een circulaire economie 233.000 bijkomende banen kan opleveren, hoofdzakelijk in die eerste motor. Die is dus arbeidsintensief, maar ook oerdegelijke en zuinig. Grootse innovaties zijn dan ook niet meer nodig. Activiteiten gericht op het delen, hergebruiken en herstellen van goederen hebben eeuwenlang hun deugd bewezen. De voorbije decennia zijn we echter vergeten voldoende bij te tanken. Tekenend daarbij is het uitsterven van bepaalde ambachten, zoals het beroep van kleermaker.

Tewerkstelling is de grootste hefboom voor de circulaire economie.

De tweede motor daarentegen is nog in volle ontwikkeling. Voor heel wat afvalstoffen staan recyclagetechnieken nog niet op punt en is er dus nog veel ruimte om te innoveren. Het ontwikkelen van technologieën met artificiële intelligentie of chemische processen om bepaalde stoffen uit een afvalstroom te capteren zijn bekende voorbeelden. Bijgevolg is de brandstof volledig anders, zijnde technologie en kapitaal.

Beide motoren kunnen niet zonder elkaar. Ze dienen tegelijk op kruissnelheid te komen om tot een volwaardige transitie te komen. En net daar wringt het schoentje. Beleidsmakers in Vlaanderen, maar ook elders, zetten bijna exclusief in op de ontwikkeling van de tweede motor. Zo schuift de Vlaamse regering vooral de uitbouw van Vlaanderen als 'recyclagehub van Europa' naar voren om de eigen circulaire ambities kracht bij te zetten. Er worden ambitieuze doelstellingen vooropgesteld en grote budgetten vrijgemaakt voor innovatieve en technologische ontwikkelingen. Ergens hoeft dat ook niet te verbazen, het is een beproefd recept om economische verandering te realiseren. Maar voor veel afvalstromen dient nog een lange weg afgelegd te worden en is de uitkomst allesbehalve zeker circulair.

De eerste motor vergt een compleet andere onderhoudsbeurt, een veel minder gangbare manier van werken voor overheden. Er dient te worden bijgetankt met arbeid, iets wat niet vanzelfsprekend is in een welvaartstaat met hoge loonkosten. Maar het is niet onmogelijk. Het vraagt een slimme en gerichte verschuiving van de lasten op arbeid voor circulaire activiteiten én een actief optreden van de overheid via gesubsidieerde tewerkstelling (bijvoorbeeld door middel van bijkomende sociale tewerkstelling) voor die activiteiten die een grote maatschappelijke meerwaarde kennen, maar in een enge economische zin niet volledig rendabel zijn.

Groot onderhoud dringt zich op

Een groot onderhoud van de eerste motor blijft echter uit. Beleidsmakers onderschrijven dan wel steeds meer het belang van hergebruik, delen of herstel, maar gaan er tegelijk al te gemakkelijk van uit dat businessmodellen in deze eerste motor vanzelf zullen groeien en jobs zullen genereren. Niets is minder waar, het vraagt grote inspanningen van de overheid. Zeker zolang de spelregels van onze mondiale economie niet wijzigen en circulaire ondernemers dienen te concurreren met importproducten uit lagelonenlanden met een hoog sociaal én ecologisch prijskaartje.

Maar het is niet onmogelijk. Zo hebben we in Vlaanderen heel wat tools in handen om snel en gericht de eerste motor weer aan de praat te krijgen. Het activeren van mensen door middel van sociale tewerkstelling is de grootste hefboom. Studies tonen telkens opnieuw aan dat heel wat mensen op vandaag buiten onze arbeidsmarkt vallen. Maar we weten ook - zo becijferde HERW!N - dat er in de sociale circulaire economie ruimte is voor die belangrijke groep mensen, 100.000 jobs om precies te zijn. Dat vloeit voort uit het feit dat de eerste motor van een circulaire economie heel wat kansen biedt voor laaggeschoolde arbeid. Denk daarbij aan activiteiten zoals het selectief slopen van gebouwen, het herstellen en delen van fietsen, het ophalen en wassen van herbruikbare bekers, het ophalen en sorteren en opnieuw verkopen van kleding, huisraad en andere spullen. Dat zijn stuk voor stuk activiteiten waarvoor specifieke handarbeid nodig is.

Al te vaak worden alle eieren in hetzelfde mandje gelegd: dat van de technologische vooruitgang.

De politieke hefbomen zijn dus voorhanden om de eerst motor weer op toerental te krijgen. En dat is dringend nodig. Het uitblijven van een ambitieus beleid voor de eerste motor van de circulaire economie staat een volwaardige transitie in de weg. Die kan er alleen maar komen als voor beide motoren het gaspedaal wordt ingedrukt. Want wanneer men exclusief de kaart blijft trekken van de tweede motor, dan verroest de eerste. Wanneer bijvoorbeeld een imposante recyclagecapaciteit wordt uitgebouwd voor een bepaalde productstroom, dan kan je er donder op zeggen dat producten sneller dan nodig en vanuit milieustandpunt wenselijk worden gedegradeerd tot grondstoffen omdat het nu eenmaal in economische zin de goedkoopste 'groene' oplossing wordt. We moeten dus bijzonder omzichtig zijn met - terecht - ambitieuze doelstellingen, zoals Vlaanderen ombouwen tot de recyclagehub van Europa. Wanneer die niet geflankeerd worden met minstens even ambitieuze doelstellingen voor de eerste motor van de circulaire economie, dreigt de transitie een muis te baren.

Vlaanderen ambieert een koploperpositie in Europa in de circulaire economie. Laat ons daarom, naast het verder versterken van de tweede motor, eindelijk ook werk maken van een strategisch plan om ook de eerste motor van onze circulaire economie op vol toerental te krijgen. Eentje die bouwt op ambitieuze doelstellingen en bovenal op jobs, jobs, jobs.

HERW!N is het collectief van sociaal circulaire ondernemers in Vlaanderen. Het vertegenwoordigt een brede waaier aan bedrijven die inzetten op de sociale circulaire tewerkstelling van kansengroepen. (www.herwin.be)

Het Europees Parlement stemde eerder deze week in met een nieuw actieplan voor de circulaire economie. Men wil men tegen 2050 een volledig circulaire Europese economie. Om daarin te slagen, roepen de parlementsleden op snel tot bindende doelstellingen te komen, onder meer op het gebied van materiaalgebruik. Dat is geen seconde te vroeg, als we bijvoorbeeld kijken naar het Circularity Gap Report van 2021 dat eind vorige maand is verschenen . Naar jaarlijkse gewoonte wordt in dat rapport de wereldeconomie tegen het licht gehouden door een panel van experts. De centrale vraag: is de wereldeconomie het voorbije jaar meer circulair geworden? Het antwoord is neen. Waar in 2018 nog 9,1 procent van de economie werd beschouwd als circulair, is dat vandaag gezakt tot 8,6 procent. Onze mondiale economie zit vast in versnelling 'achteruit'. Dat is best straf, als je weet dat in diezelfde periode er zich een ware wedloop heeft afgetekend tussen politici, maar evengoed bedrijven, met ronkende verklaringen en claims op het gebied van circulaire economie. Veel tijd om te treuzelen hebben we echter niet. Vriend en vijand zijn het dan ook eens over de noodzaak snel werk te maken van de transitie richting een circulaire economie. Maar waar knelt dan precies het schoentje? Een belangrijk stuk van het antwoord ligt - ook in Vlaanderen - in het feit dat al te vaak alle eieren in hetzelfde mandje worden gelegd: dat van de technologische vooruitgang. Maar die strategie gaat voorbij aan een aantal basiswetmatigheden van een circulaire economie. Ze dreigt een volwaardige transitie zelfs te hypothekeren. Om dat te begrijpen dienen we de motor van de circulaire economie van dichtbij te bekijken. Kijken we onder de motorkap, dan zien we niet één, maar twee motoren. De eerste motor heeft de grootste ecologische impact en is erop gericht producten zo lang mogelijk hun waarde te laten behouden, door die bijvoorbeeld slim te ontwerpen, te herstellen waar nodig, en maximaal te hergebruiken. De tweede motor komt pas later op het toneel. Producten worden ooit afval, en dan is het zaak hun grondstoffen maximaal te recupereren, bijvoorbeeld via recyclage. Beide motoren verschillen fundamenteel van elkaar. De eerste motor draait op arbeid. Voor het inzamelen, herstellen en hergebruiken van goederen zijn veel handen nodig. Conservatieve studies gaan uit van een bijkomend potentieel van 30.000 tot 100.000 jobs in Vlaanderen. Wellicht ligt het potentieel nog hoger. Zo kwam de Nederlandse denktank Ex'taks begin februari tot de vaststelling dat de transitie richting een circulaire economie 233.000 bijkomende banen kan opleveren, hoofdzakelijk in die eerste motor. Die is dus arbeidsintensief, maar ook oerdegelijke en zuinig. Grootse innovaties zijn dan ook niet meer nodig. Activiteiten gericht op het delen, hergebruiken en herstellen van goederen hebben eeuwenlang hun deugd bewezen. De voorbije decennia zijn we echter vergeten voldoende bij te tanken. Tekenend daarbij is het uitsterven van bepaalde ambachten, zoals het beroep van kleermaker.De tweede motor daarentegen is nog in volle ontwikkeling. Voor heel wat afvalstoffen staan recyclagetechnieken nog niet op punt en is er dus nog veel ruimte om te innoveren. Het ontwikkelen van technologieën met artificiële intelligentie of chemische processen om bepaalde stoffen uit een afvalstroom te capteren zijn bekende voorbeelden. Bijgevolg is de brandstof volledig anders, zijnde technologie en kapitaal. Beide motoren kunnen niet zonder elkaar. Ze dienen tegelijk op kruissnelheid te komen om tot een volwaardige transitie te komen. En net daar wringt het schoentje. Beleidsmakers in Vlaanderen, maar ook elders, zetten bijna exclusief in op de ontwikkeling van de tweede motor. Zo schuift de Vlaamse regering vooral de uitbouw van Vlaanderen als 'recyclagehub van Europa' naar voren om de eigen circulaire ambities kracht bij te zetten. Er worden ambitieuze doelstellingen vooropgesteld en grote budgetten vrijgemaakt voor innovatieve en technologische ontwikkelingen. Ergens hoeft dat ook niet te verbazen, het is een beproefd recept om economische verandering te realiseren. Maar voor veel afvalstromen dient nog een lange weg afgelegd te worden en is de uitkomst allesbehalve zeker circulair. De eerste motor vergt een compleet andere onderhoudsbeurt, een veel minder gangbare manier van werken voor overheden. Er dient te worden bijgetankt met arbeid, iets wat niet vanzelfsprekend is in een welvaartstaat met hoge loonkosten. Maar het is niet onmogelijk. Het vraagt een slimme en gerichte verschuiving van de lasten op arbeid voor circulaire activiteiten én een actief optreden van de overheid via gesubsidieerde tewerkstelling (bijvoorbeeld door middel van bijkomende sociale tewerkstelling) voor die activiteiten die een grote maatschappelijke meerwaarde kennen, maar in een enge economische zin niet volledig rendabel zijn. Een groot onderhoud van de eerste motor blijft echter uit. Beleidsmakers onderschrijven dan wel steeds meer het belang van hergebruik, delen of herstel, maar gaan er tegelijk al te gemakkelijk van uit dat businessmodellen in deze eerste motor vanzelf zullen groeien en jobs zullen genereren. Niets is minder waar, het vraagt grote inspanningen van de overheid. Zeker zolang de spelregels van onze mondiale economie niet wijzigen en circulaire ondernemers dienen te concurreren met importproducten uit lagelonenlanden met een hoog sociaal én ecologisch prijskaartje. Maar het is niet onmogelijk. Zo hebben we in Vlaanderen heel wat tools in handen om snel en gericht de eerste motor weer aan de praat te krijgen. Het activeren van mensen door middel van sociale tewerkstelling is de grootste hefboom. Studies tonen telkens opnieuw aan dat heel wat mensen op vandaag buiten onze arbeidsmarkt vallen. Maar we weten ook - zo becijferde HERW!N - dat er in de sociale circulaire economie ruimte is voor die belangrijke groep mensen, 100.000 jobs om precies te zijn. Dat vloeit voort uit het feit dat de eerste motor van een circulaire economie heel wat kansen biedt voor laaggeschoolde arbeid. Denk daarbij aan activiteiten zoals het selectief slopen van gebouwen, het herstellen en delen van fietsen, het ophalen en wassen van herbruikbare bekers, het ophalen en sorteren en opnieuw verkopen van kleding, huisraad en andere spullen. Dat zijn stuk voor stuk activiteiten waarvoor specifieke handarbeid nodig is.De politieke hefbomen zijn dus voorhanden om de eerst motor weer op toerental te krijgen. En dat is dringend nodig. Het uitblijven van een ambitieus beleid voor de eerste motor van de circulaire economie staat een volwaardige transitie in de weg. Die kan er alleen maar komen als voor beide motoren het gaspedaal wordt ingedrukt. Want wanneer men exclusief de kaart blijft trekken van de tweede motor, dan verroest de eerste. Wanneer bijvoorbeeld een imposante recyclagecapaciteit wordt uitgebouwd voor een bepaalde productstroom, dan kan je er donder op zeggen dat producten sneller dan nodig en vanuit milieustandpunt wenselijk worden gedegradeerd tot grondstoffen omdat het nu eenmaal in economische zin de goedkoopste 'groene' oplossing wordt. We moeten dus bijzonder omzichtig zijn met - terecht - ambitieuze doelstellingen, zoals Vlaanderen ombouwen tot de recyclagehub van Europa. Wanneer die niet geflankeerd worden met minstens even ambitieuze doelstellingen voor de eerste motor van de circulaire economie, dreigt de transitie een muis te baren. Vlaanderen ambieert een koploperpositie in Europa in de circulaire economie. Laat ons daarom, naast het verder versterken van de tweede motor, eindelijk ook werk maken van een strategisch plan om ook de eerste motor van onze circulaire economie op vol toerental te krijgen. Eentje die bouwt op ambitieuze doelstellingen en bovenal op jobs, jobs, jobs.