Uit de OESO-statistieken blijkt dat België een lager percentage van zijn bruto binnenlands product (bbp) investeert in kinderopvang dan andere landen. Maar kinderopvang is een Vlaamse bevoegdheid, en dus is vergelijken op basis van het bbp lastig. Bovendien zitten kinderen in sommige landen vooral deeltijds in de opvang, wat ook moeilijk te vergelijken is. Daarom berekende Wim Van Lancker, hoogleraar sociaal beleid aan de KU Leuven, hoeveel we per uur en per kind investeren in kinderopvang. In Vlaanderen is dat 2,2 euro per kind. Daarmee doen we het niet zo goed. Onze noorderburen bijvoorbeeld spenderen 6,2 euro per kind. In Zweden loopt dat bedrag zelfs op tot 8,8 euro.
...

Uit de OESO-statistieken blijkt dat België een lager percentage van zijn bruto binnenlands product (bbp) investeert in kinderopvang dan andere landen. Maar kinderopvang is een Vlaamse bevoegdheid, en dus is vergelijken op basis van het bbp lastig. Bovendien zitten kinderen in sommige landen vooral deeltijds in de opvang, wat ook moeilijk te vergelijken is. Daarom berekende Wim Van Lancker, hoogleraar sociaal beleid aan de KU Leuven, hoeveel we per uur en per kind investeren in kinderopvang. In Vlaanderen is dat 2,2 euro per kind. Daarmee doen we het niet zo goed. Onze noorderburen bijvoorbeeld spenderen 6,2 euro per kind. In Zweden loopt dat bedrag zelfs op tot 8,8 euro. Het doet Michel Vandenbroeck, hoogleraar gezinspedagogiek aan de UGent, besluiten dat er wel degelijk een onderfinanciering is. Die heeft volgens hem historische wortels. "Kinderopvang is lang gezien als een noodzakelijk kwaad", zegt hij. "De redenering was eerst dat vrouwen thuis behoorden te blijven. De feministische beweging heeft dat in de jaren zeventig bijgesteld. Alleen was er toen door de naweeën van de oliecrisis weinig ruimte om te investeren in kinderopvang. Daardoor kwamen er van 1979 tot 1989 geen gesubsidieerde plaatsen in de kinderopvang meer bij. Tegen 1989 waren de wachtlijsten overal zo lang dat het beleid wijzigde. Er kwamen nu wel opvangplaatsen bij, maar voor hetzelfde budget. De aandacht ging vooral naar de uitbreiding van de capaciteit en minder naar de kwaliteit. Daar betalen we vandaag nog altijd een prijs voor." Er zijn studies die beweren dat een investering van 1 dollar in kinderopvang uiteindelijk een economische return van 17 dollar zou opleveren. Maar de modellen die bij zulke onderzoeken worden gehanteerd, zijn niet altijd even wetenschappelijk, zegt Vandenbroeck. "Voor de toename van de werkgelegenheid van vrouwen door investeringen in kinderopvang is echter wel wetenschappelijk bewijs. Zo is voor bepaalde regio's in Duitsland en Noorwegen berekend dat van substantieel hogere investeringen ongeveer een derde rechtstreeks terugvloeit naar de staatskas via belastingen." Voor Voka is het ook duidelijk: meer investeringen in kinderopvang leiden tot een hogere activiteitsgraad. "Wij zien kinderopvang als olie in het raderwerk van gezin, maatschappij en werk", zegt Daan Aeyels, senior adviseur welzijns- en gezondheidsbeleid bij de werkgeversorganisatie. "Er zijn diverse argumenten om meer in te zetten op kinderopvang. Ze kan bijvoorbeeld de afstand tussen deeltijds en voltijds werk verkleinen, of ervoor zorgen dat mensen die nu wegblijven van de arbeidsmarkt er toch voor kiezen om te werken." Ook de econoom Stijn Baert (UGent) gelooft in meer middelen voor de kinderopvang. Uit de jaarlijkse Enquête naar ArbeidsKracht (EAK) blijkt dat vier op de tien vrouwen gebrekkige kinderopvang als reden aanhalen om deeltijds te werken. "De Vlaamse regering zou dringend haar beloftes over kinderopvang in het regeerakkoord moeten waarmaken", zegt Baert. "De rode draad daarvan was de werkenden meer te soigneren, maar daar valt nog niet veel van te merken. De bijkomende middelen in de Septemberverklaring gaan bijvoorbeeld niet naar een flexibelere kinderopvang. Dat zou nochtans voor mensen in een ploegensysteem een enorm verschil maken." Bij de begrotingscontrole in september besliste de Vlaamse regering 115 miljoen euro extra uit te trekken voor de kinderopvang. Dat is veel, maar voor de sector volstaat dat bedrag niet. Ook Vlaams Parlementslid Celia Groothedde (Groen) vindt dat niet genoeg. "Met dat geld worden onder meer subsidies in de sector gelijkgetrokken, wat een logische aanpassing is, maar het stelpt het tekort aan kindbegeleiders onvoldoende", zegt ze. "Bovendien is er een groeiend kwaliteitsprobleem, omdat de overbezetting in de crèches tijdens deze legislatuur onwerkbaar hoog is. Dat leidt tot een negatieve spiraal, met nog meer uitval in een sector waar al een acuut personeelstekort is." Michel Vandenbroeck publiceert dezer dagen een nieuw boek met als titel Negen is te veel. Het cijfer in de titel verwijst naar het aantal kinderen per begeleider. Daarmee zitten we in de staart van het Europese peloton. In Denemarken bijvoorbeeld zijn er per twaalf kinderen twee begeleiders en één logistieke kracht. "Aan kinderopvang zitten twee aspecten", zegt Vandenbroeck. "Het eerste is de emotionele ondersteuning. Dat gaat om de vraag of de begeleiders in staat zijn de signalen van de kinderen op te vangen, ze juist te interpreteren en er gepast op te reageren. Het tweede draait om het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen. Dat is de educatieve ondersteuning. We weten bijvoorbeeld dat kinderen pas een taal leren als er tegen hen wordt gesproken. Het aantal kinderen per volwassene is belangrijk om beide aspecten in te vullen. Als je heel veel kinderen onder je hoede hebt, is dat een stuk moeilijker." De Vlaamse regering is zich bewust van het probleem. Het kabinet van Vlaams minister van Welzijn Hilde Crevits (cd&v) laat weten dat het de aanpak van het personeelstekort als een eerste noodzakelijke stap ziet in afwachting van verdere hervormingen. "De kindratio kun je niet van de ene op de andere dag aanpassen", zegt Carmen De Rudder, de woordvoerder van Crevits, die nog tot half november met ziekteverlof is. "Om het aantal kinderen per begeleider te verminderen hebben we meer personeel nodig. Dat is er niet op onze krappe arbeidsmarkt. Als we de ratio vandaag aanpassen, brengen we morgen honderden gezinnen in de problemen. We moeten realistisch zijn: zo'n aanpassing vergt een doordacht beleid. Behalve grondig onderzoek is er ook overleg met de mensen van het werkveld nodig. Samen met hen zullen we bepalen hoe we de sector in de toekomst duurzaam en verantwoord kunnen hervormen." De Vlaamse regering wil inzetten op meer personeel. "De opleiding tot begeleider in de kinderopvang is alvast populair, met vorig jaar nog 845 kandidaten. Dat is bijna evenveel als het aantal vacatures dat vandaag openstaat bij de VDAB", zegt De Rudder. "Daarnaast is het niet alleen belangrijk mensen naar de sector te leiden, we moeten hen er ook kunnen houden. Een deel van de investering van 115 miljoen euro dient om de baan van kinderbegeleider aantrekkelijker te maken. Zo krijgen heel wat kinderopvanginitiatieven meer financiële mogelijkheden. Dat vertaalt zich in een betere verloning en betere arbeidsvoorwaarden voor de begeleiders. De kinderopvanginitiatieven kunnen er ook voor kiezen de extra middelen te investeren in meer opleidings- of ondersteuningsmogelijkheden voor hun personeel." Tot daar het officiële discours. Want er is een probleem met de opleiding en de loopbaan van kinderverzorgers. Michel Vandenbroeck: "De meeste landen van Europa hebben een mengeling van drie opleidingsniveaus in de kinderopvang: secundair onderwijs, hoger beroepsonderwijs en bachelor. Wij hebben enkel mensen uit het beroepssecundair onderwijs en bachelors in de leidinggevende functies. Er bestaat in Vlaanderen geen opleiding kinderopvang in het hoger beroepsonderwijs. Het gevolg is dat we in het educatieve domein de standaard niet halen. Dat wil zeggen: kinderopvang brengt kinderen doorgaans geen schade toe, maar de baten ervan voor de ontwikkeling van kinderen komen er ook niet uit." Bovendien blijkt uit een enquête bij leerlingen in het zevende jaar van de beroepsopleiding verzorging dat meer dan de helft niet in de kinderopvang wil stappen. Ze zien hun opleiding als een springplank naar het hoger onderwijs. Ze willen vroedvrouw of kleuterleidster worden. "Wat we vooral missen, is de mogelijkheid om voortstuderen in het werkveld mogelijk te maken, zodat ze in combinatie met hun werk een diploma hoger beroepsonderwijs kunnen halen", aldus Vandenbroeck. Anderhalf jaar geleden schatte het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving HIVA de onvervulde behoefte aan kinderopvang in Vlaanderen op 7.500 plaatsen. Naar schatting zou dat intussen zijn opgelopen tot 8.000 plaatsen. "Bovendien zie je nu dat door het personeelstekort in grote steden heel wat kinderdagverblijven een dag per week sluiten of om drie uur stoppen", zegt Vandenbroeck. "Dat brengt een aantal werkende ouders in enorme problemen, omdat hun vakantiedagen op zijn. De werkgevers beginnen de barsten in de kinderopvang te voelen." Vandenbroeck en Van Lancker hebben een paar jaar geleden onderzoek gedaan naar de ongelijke toegang tot kinderopvang. "We zagen dat er meer gesubsidieerde kinderopvang is in gemeentes met hogere inkomens en weinig kansarmoede of werkloosheid. Die tendens geldt voor alle gemeentes van Vlaanderen en voor de wijken in de dertien centrumsteden. De kloof is volgens mij de jongste jaren nog wat toegenomen." Die ongelijke toegang is problematisch, omdat een goed aanbod essentieel is om inactieven de weg naar de arbeidsmarkt te doen vinden. De oorzaak van die paradox is volgens Vandenbroeck gelegen in de financiering van de kinderopvang. "Nu is 80 procent van de subsidie een prestatiefinanciering", zegt hij. "Kinderdagverblijven krijgen dus geen geld voor plaatsen die open blijven. Je kunt moeilijk verwachten dat ze plaats houden voor wie morgen plots werk vindt. Ze verkiezen klanten die een voorspelbaar leven hebben, liefst voltijds komen en lang op voorhand hun plaatsen reserveren. Dus hebben de klassieke tweeverdienersgezinnen eigenlijk een streepje voor. Als je werkloos bent en van de VDAB een opleiding moet volgen, kom je in de problemen omdat je geen opvangplek vindt. Mensen die uitzendwerk doen of in precaire arbeidsomstandigheden soms wel en soms niet moeten werken, vinden gewoon moeilijker opvang." De kinderopvang is relatief goed betaalbaar, ook in vergelijking met andere landen. In 75 procent van de voorzieningen betalen ouders in functie van hun inkomen. Maar voor één groep is er ruimte voor verbetering. Bij de hervorming van het tarievensysteem in 2014 is het tarief voor de laagste inkomens gestegen van een 0,50 naar 3 euro. Dat lijkt weinig, maar in een maand loopt dat al snel op voor iemand die weinig verdient. "Wie dat nodig heeft, kan een uitzondering via het OCMW verkrijgen, maar die maatregel werkt niet", zegt Vandenbroeck. "Het is niet alleen een psychologische drempel. Elk OCMW beslist autonoom, waardoor niet iedereen die het zou moeten hebben zo'n lager tarief krijgt. Voor de allerlaagste inkomens moet een ander systeem komen. Dit werkt niet. Zeker niet als we hen aan het werk willen krijgen."