De bedrijfsvoorheffing is een voorschot op de belasting op de beroepsinkomsten van werknemers. Werkgevers houden deze voorheffing in de meeste gevallen in op de lonen die ze aan hun medewerkers betalen en storten ze door aan de Schatkist.

Sinds het begin van de jaren 2000 genieten werkgevers in bepaalde wettelijke gevallen een financiële steun waarbij ze volledig of gedeeltelijk worden vrijgesteld van het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing. Momenteel zijn er tien zo'n vrijstellingen, onder meer die voor overuren, voor onderzoek en ontwikkeling, voor nacht- en ploegenwerk en voor sportbeoefenaars.

De regeling heeft na verloop van tijd een hoge vlucht genomen: de vrijstellingen waren in 2017 goed voor 2,9 miljard euro, tegenover 198 miljoen euro in 2005. Het Rekenhof ging nu na in welke mate de overheid grip houdt op de regeling.

Het rapport van het Rekenhof is scherp: er gingen aan de vrijstellingen geen studies over de impact vooraf om de overheidsbeslissing te kunnen onderbouwen en de effecten van het beleid werden niet geëvalueerd om de link aan te tonen tussen de toegekende fiscale voordelen en de nagestreefde beleidsdoelstellingen. Ook de controle op de vrijstellingen loopt mank, omdat de wetgeving 'bijzonder ingewikkeld' is, vaak wijzigt en 'onduidelijke formuleringen' bevat. Daarenboven is de FOD Financiën voor de controle op andere instanties aangewezen.

Om die redenen werden sommige vrijstellingen in 2017 en 2018 niet gecontroleerd. Vorig jaar was er geen controle op de twee belangrijkste vrijstellingen: nacht- en ploegenarbeid (1,43 miljard in 2017) en de vrijstelling voor onderzoek en ontwikkeling (911 miljoen euro in 2017).

Dat er een verklaring voor is, betekent volgens het Rekenhof niet dat het gebrek aan controle 'gerechtvaardigd' is. 'Daardoor stijgt immers op significante wijze het risico dat niet-verschuldigde vrijstellingen worden toegekend, zeker gezien het aantal begunstigde ondernemingen en de kosten van die twee vrijstellingen'.