De Amerikaanse minister van Financiën Janet Yellen stelt een wereldwijde minimumbelasting op de bedrijfswinsten voor. Ze wil dat doen via de OESO, die al langer werkt aan een fiscaal regime dat een einde maakt aan de naar schatting 80 tot 200 miljard euro aan belastingen die bedrijven wereldwijd ontwijken.
...

De Amerikaanse minister van Financiën Janet Yellen stelt een wereldwijde minimumbelasting op de bedrijfswinsten voor. Ze wil dat doen via de OESO, die al langer werkt aan een fiscaal regime dat een einde maakt aan de naar schatting 80 tot 200 miljard euro aan belastingen die bedrijven wereldwijd ontwijken. De eerste pijler van het OESO-voorstel voorziet in de belasting van digitale bedrijven in het land van de consument, de tweede in een minimumbelasting voor multinationale bedrijven. Voormalig Amerikaanse president Donald Trump stond op de rem omdat een digitaks vooral Amerikaanse bedrijven zou treffen. Yellen neemt nu de teugels weer op. Ze pleit voor een wereldwijde minimumbelasting van 21 procent. Isabel Verlinden, die het internationale Transfer Pricing-team van PwC leidt, reageert sceptisch. Ze wijst erop dat Yellens voorstel past in het Made in America Tax Plan van president Joe Biden. "De naam spreekt voor zich", stelt Verlinden. "Het voorstel van een minimumbelasting is verkapt protectionisme. Het heeft als expliciet doel fiscale incentives weg te werken voor investeringen door Amerikaanse bedrijven buiten de Verenigde Staten. Tegelijk wil de Amerikaanse regering investeringen van onderzoek en ontwikkeling op eigen bodem zwaar subsidiëren. De plannen liggen volledig in de America First-lijn van Trump." Bidens voorstel bouwt voort op de GILTI-taks, die Trump invoerde. Die belasting op het global intangible low-taxed income wilde een dam opwerpen tegen belastingverlagingen die Amerikaanse bedrijven genoten in andere landen. De onderliggende redenering was dat het niet opging dat winsten werden verschoven naar landen die, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, niet hebben bijgedragen aan de innovatie die aan de basis van die winst ligt. De invoering van de GILTI-taks ging gepaard met een daling van de vennootschapsbelasting van 35 naar 21 procent en een verlaagde taks op de repatriëring van die winsten. De GILTI-taks bedroeg 10,5 procent of de helft van de vennootschapsbelasting. Als een Amerikaans bedrijf wereldwijd dus geen 10,5 procent vennootschapsbelasting betaalde omdat het bijvoorbeeld zijn patenten op uitvindingen had ondergebracht in een belastingparadijs, kon de Amerikaanse fiscus bijheffingen doen tot dat percentage werd bereikt. "Yellen stelt een minimumbelasting van 21 procent voor. Dat is wel heel hoog", zegt Luc De Broe, professor fiscaal recht aan de KU Leuven en medewerker van Deloitte Legal. "Ook zij heeft duidelijk de bedoeling om onderzoek en ontwikkeling terug naar de Verenigde Staten te brengen. De minimumbelasting wordt verkocht als een operatie in correcte fiscaliteit en de verbetering van de internationale relaties, maar in feite is het zuiver Amerikaans eigenbelang." Wat kan die belasting betekenen voor Belgische ondernemingen? Stel dat een Belgisch bedrijf intresten, royalty's of verzekeringspremies betaalt aan een zustervennootschap in Zwitserland, die maar 5 procent belasting heft op die inkomsten. Bij een minimumbelastingtarief van 21 procent wordt de Belgische fiscus verplicht een extra belasting van 16 procent te innen. De regels gelden enkel voor multinationale groepen met een jaarlijkse omzet van meer dan 750 miljoen euro. Dat is ook de minimumomzet voor multinationals die door de Europese Unie worden verplicht om fiscale gegevens aan de overheid van hun hoofdzetel bekend te maken over de landen waar ze actief zijn. De Broe: "In België gaat het over zo'n dertig ondernemingen. Vlaamse kmo's hoeven zich dus geen zorgen te maken over wat er op hen afkomt. Tenzij ze natuurlijk werken voor zo'n multinational, die zou kunnen besluiten dat er in België voor hen geen plaats meer is na de invoering van de nieuwe regels." De invoering betekent dat de fiscale incentives onder vuur komen te liggen. "Ons land heeft een aantal fiscale troeven, zoals een belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling of een effectieve belasting van 3,75 procent op de royalty's op octrooien", zegt De Broe. "Heel wat farmabedrijven voelen zich om die reden fiscaal erg comfortabel. Ik kan me voorstellen dat Pfizer of Johnson & Johnson de bestaansreden van hun Belgische vestiging tegen het licht zullen houden als dat voordeel in de Verenigde Staten leidt tot een extra heffing. Daar is het de regering van Joe Biden net om te doen." De minimumbelasting is vanuit Europees perspectief bedenkelijk, meent De Broe. Het verplicht een lidstaat het fiscale voordeel dat een bedrijf in een andere EU-lidstaat krijgt, weg te belasten. "België moet dus Ierland beteugelen als een hier gevestigd bedrijf er een lage belasting betaalt. Dat is niet alleen onwenselijk, maar ook onwettelijk, want in strijd met de vrijheid van vestiging in de Europese Unie." Michel Maus, professor fiscaliteit (VUB) en advocaat bij Bloom, is positiever: "Door zo'n minimumbelasting wordt het minder vanzelfsprekend om via internationale structuren belasting te ontwijken. Vooral grote bedrijven kunnen die structuren opzetten, omdat er een zekere schaalgrootte nodig is voor ze renderen. Door dat voordeel van de grote ondernemingen te ontnemen, ontstaat financiële ruimte om het fiscale tarief voor kmo's te verlagen." De financiële gevolgen zijn moeilijk in te schatten, meent De Broe: "De Belgische fiscus zal bijheffingen kunnen doen op onze bedrijven die nu een fiscaal voordeel verkrijgen in het buitenland. Waarschijnlijk missen we ook inkomsten, omdat buitenlandse investeerders ons land zullen verlaten. Met minder fiscale inkomsten, rechtstreeks banenverlies en economische schade voor toeleveringsbedrijven als gevolg."