Stel: je erft een hoeve in het Vlaamse groen, maar je voelt je al gauw schuldig over de voetafdruk van je droomhuis. Dan maar zo ecologisch mogelijk verbouwen. Geen waterverspilling, de woning draait op regenwater. Geen vervuiling, een biostation zuivert het afvalwater voor het naar de gracht gaat. En vooral: geen verwarming op fossiele brandstoffen, maar een warmtepomp. Valt dat dik tegen op de elektriciteitsfactuur? Dan investeren we voort, om zelf onze stroom op te wekken, ondanks een krap budget aan het eind van de verbouwing. Een windmolen mag niet van de gemeente, dus worden het zonnepanelen. Veel zonnepanelen, want aangezien we niet in een zonovergoten stuk wereld wonen, moeten we in de zomer zo veel mogelijk opwekken wat we in de winter verbruiken. En ja, het net fungeert dan als batterij. Dankzij de terugdraaiende teller.

En dan komt de eerste streep door de rekening: het prosumententarief. Maar we gebruiken het net, dus is het niet onfair daar iets voor te moeten betalen. Met zo'n grote installatie is dat niet niks, maar we krijgen nog energiecertificaten, dus we klagen niet. Anderhalf jaar later volgt de tweede streep door de rekening: het prosumententarief stijgt met 50 procent. Het rendement van onze investering is al lang niet meer wat het geweest is, maar we troosten ons met het idee dat we ecologisch goed bezig zijn en er onze broek niet aan scheuren.

En nu zit er definitief een streep door onze rekening: de terugdraaiende teller moet eruit, ondanks alle beloftes. Met de digitale meter is het gedaan met het net als batterij. Het prosumententarief valt weg, dat is waar. Maar wat eerst een zinnige investering leek, gaat ons vanaf nu veel geld kosten. De elektriciteitsrekening zal weer door het dak gaan. We zijn terug bij af.

Nee, mevrouw Khattabi, wij hoeven niet rijk te worden van onze zonnepanelen.

Je kunt erover discussiëren of het opportuun is het elektriciteitsnet te gebruiken als batterij, zelfs al doe je dat enkel omdat er geen haalbare batterij-oplossingen voor seizoensopslag bestaan. Maar fundamenteler is de vertrouwensbreuk tussen de burger, die zijn rekening maakt voor hij een dure ecologische investering doet, en de overheid, die constant de regels verandert, waardoor de burger zijn rekening in de vuilnisbak mag gooien.

Wij denken voortaan wel twee keer na voor we nog investeren. Er stond nog een leemkachel op ons programma. Die stook je twee uur lang op met hout, waarna ze de komende twaalf uur haar warmte afgeeft. Daarvoor hebben we honderd wilgen geplant. Elk jaar 25 kruinen knotten zou moeten volstaan voor een winter verwarmen. De overige 75 bomen slaan al groeiend de uitgestoten CO2 van het opgestookte hout weer op.

Maar misschien moeten we dat maar niet doen. Zo'n kachel gaat ons weer duizenden euro's kosten, en we vrezen dat we na een paar jaar te horen zullen krijgen dat we geen hout meer mogen stoken. Ondanks de kleine uitstoot van zo'n hoogrendementskachel en ondanks systemen die het resterende stikstof en fijn stof kunnen opvangen in de schouw. Want zal de overheid wel een onderscheid maken tussen de oude roetblazers en de moderne, veel schonere systemen? Wij durven er niet meer op te vertrouwen. We zijn al een keer naïef geweest. Jammer.

Ik wilde dat ik kon zeggen dat wij de enigen zijn met reserves. Maar ik zie meer mensen hun plannen terugschroeven. Zoals die vrienden die net voor Nieuwjaar nog investeerden in zonnepanelen. Hun plan was een elektrische wagen te kopen. De man is handelsvertegenwoordiger en legt jaarlijks veel kilometers af. Maar het wordt weer een diesel. Ook jammer.

En nee, mevrouw Khattabi, wij hoeven niet rijk te worden van onze zonnepanelen. Maar we scheuren er ook liever onze broek niet aan. Het zou fijn zijn als wie kiest voor ecologische systemen niet om de haverklap gestraft wordt, omdat de politiek er niet in slaagt een consequent beleid te voeren.

Stel: je erft een hoeve in het Vlaamse groen, maar je voelt je al gauw schuldig over de voetafdruk van je droomhuis. Dan maar zo ecologisch mogelijk verbouwen. Geen waterverspilling, de woning draait op regenwater. Geen vervuiling, een biostation zuivert het afvalwater voor het naar de gracht gaat. En vooral: geen verwarming op fossiele brandstoffen, maar een warmtepomp. Valt dat dik tegen op de elektriciteitsfactuur? Dan investeren we voort, om zelf onze stroom op te wekken, ondanks een krap budget aan het eind van de verbouwing. Een windmolen mag niet van de gemeente, dus worden het zonnepanelen. Veel zonnepanelen, want aangezien we niet in een zonovergoten stuk wereld wonen, moeten we in de zomer zo veel mogelijk opwekken wat we in de winter verbruiken. En ja, het net fungeert dan als batterij. Dankzij de terugdraaiende teller. En dan komt de eerste streep door de rekening: het prosumententarief. Maar we gebruiken het net, dus is het niet onfair daar iets voor te moeten betalen. Met zo'n grote installatie is dat niet niks, maar we krijgen nog energiecertificaten, dus we klagen niet. Anderhalf jaar later volgt de tweede streep door de rekening: het prosumententarief stijgt met 50 procent. Het rendement van onze investering is al lang niet meer wat het geweest is, maar we troosten ons met het idee dat we ecologisch goed bezig zijn en er onze broek niet aan scheuren. En nu zit er definitief een streep door onze rekening: de terugdraaiende teller moet eruit, ondanks alle beloftes. Met de digitale meter is het gedaan met het net als batterij. Het prosumententarief valt weg, dat is waar. Maar wat eerst een zinnige investering leek, gaat ons vanaf nu veel geld kosten. De elektriciteitsrekening zal weer door het dak gaan. We zijn terug bij af. Je kunt erover discussiëren of het opportuun is het elektriciteitsnet te gebruiken als batterij, zelfs al doe je dat enkel omdat er geen haalbare batterij-oplossingen voor seizoensopslag bestaan. Maar fundamenteler is de vertrouwensbreuk tussen de burger, die zijn rekening maakt voor hij een dure ecologische investering doet, en de overheid, die constant de regels verandert, waardoor de burger zijn rekening in de vuilnisbak mag gooien. Wij denken voortaan wel twee keer na voor we nog investeren. Er stond nog een leemkachel op ons programma. Die stook je twee uur lang op met hout, waarna ze de komende twaalf uur haar warmte afgeeft. Daarvoor hebben we honderd wilgen geplant. Elk jaar 25 kruinen knotten zou moeten volstaan voor een winter verwarmen. De overige 75 bomen slaan al groeiend de uitgestoten CO2 van het opgestookte hout weer op. Maar misschien moeten we dat maar niet doen. Zo'n kachel gaat ons weer duizenden euro's kosten, en we vrezen dat we na een paar jaar te horen zullen krijgen dat we geen hout meer mogen stoken. Ondanks de kleine uitstoot van zo'n hoogrendementskachel en ondanks systemen die het resterende stikstof en fijn stof kunnen opvangen in de schouw. Want zal de overheid wel een onderscheid maken tussen de oude roetblazers en de moderne, veel schonere systemen? Wij durven er niet meer op te vertrouwen. We zijn al een keer naïef geweest. Jammer. Ik wilde dat ik kon zeggen dat wij de enigen zijn met reserves. Maar ik zie meer mensen hun plannen terugschroeven. Zoals die vrienden die net voor Nieuwjaar nog investeerden in zonnepanelen. Hun plan was een elektrische wagen te kopen. De man is handelsvertegenwoordiger en legt jaarlijks veel kilometers af. Maar het wordt weer een diesel. Ook jammer. En nee, mevrouw Khattabi, wij hoeven niet rijk te worden van onze zonnepanelen. Maar we scheuren er ook liever onze broek niet aan. Het zou fijn zijn als wie kiest voor ecologische systemen niet om de haverklap gestraft wordt, omdat de politiek er niet in slaagt een consequent beleid te voeren.