"We moeten niet consumeren; we moeten consuminderen", stelde een bekende Vlaming onlangs in een bekend tv-programma. Zou dat de ideale wereld zijn? Dat iets moet wijzigen in de manier waarop we consumeren staat buiten kijf, omwille van het klimaatprobleem en het beslag op grondstoffen. Maar in plaats van te spreken over 'consuminderen' houden we het liever op 'consumanderen': het veranderen van onze consumptie. Die ene letter maakt een wereld verschil. Geconfronteerd met de enorme klimaatuitdaging betekent hij het verschil tussen de handdoek in de ring gooien of de handschoen opnemen om te komen tot een 'Groene Groei' waarin we anders produceren en ons geld besteden. Het is een uitdrukking van geloof in het vernuft en de verantwoordelijkheidszin van de mens.

Ontkoppeling

Een interessante manier om naar de uitdaging te kijken, is door een herformulering van de productie van broeikasgassen (BKG, zie kader). BKG en de toename ervan zijn het gevolg van vier factoren: de bevolking, de welvaart van die bevolking (hoe welvarender, hoe groter de uitstoot), de energie-intensiteit van de groei en de emissie-intensiteit van energie.

Emissie BroeiKasGassen = bevolking*bbp/bevolking*vraag energie/bbp*BKG/vraag energie

Stel dat we de groei van de bevolking en de welvaart (bbp per hoofd) als gegeven beschouwen. De uitstoot van broeikasgassen neemt toe en moet gecompenseerd worden door de overige twee factoren (energiegebruik + emissie-intensiteit = broeikasgasemissie per eenheid bbp). Dat vergt een absolute ontkoppeling van het bbp en de BKG: het bbp blijft stijgen maar de uitstoot van broeikasgassen daalt. Is dat haalbaar?

Tot nu daalde de broeikasgasemissie per eenheid bbp (-1,8% per jaar) niet voldoende om de stijging van het globale bbp (jaarlijkse +3,8%) te compenseren. Om de klimaatopwarming te beperken tot minder dan 2 graden Celsius, moet de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen met 45 procent dalen tegen 2030, naar nul in 2050 en naar een negatieve emissie daarna. Zonder grens op de bevolkingstoename en de verwachte welvaartsgroei van de bevolking betekent dat een jaarlijkse daling van de BKG-emissie per eenheid reëel bbp van 9 procent, een vervijfvoudiging van de krimp van de voorbije 25 jaar.

Consuminderen

Onmogelijk, stellen de 'ontgroeiers'. Om de doelstellingen te halen, moeten de globale groei en de consumptie beperkt of gelijk gehouden worden. De consumptie van materialen en energie en de fysische omvang van de economie moeten ontgroeien. Dat is niet realistisch, en wel om vijf redenen.

Eén: de wereld heeft groei nodig. De gezinnen, de bedrijven en de overheid zijn schulden aangegaan, omdat ze rekenen op een groei van hun inkomen, winsten, belastinginkomsten. Het aantal wanbetalingen neemt toe tijdens recessies, dus men kan zich inbeelden wat gebeurt in een maatschappelijk model gebaseerd op ontgroeien.

Twee: voor beleggers die proberen voldoende kapitaal te hebben wanneer ze met pensioen gaan, wacht in een dergelijke wereld een enorme schok: de beurskoersen dalen, want er is geen groei meer, en nadien volgt een tocht door de woestijn bij gebrek aan aantrekkelijke beleggingsopportuniteiten.

Drie: er staan enorme vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van een ontgroeistrategie. Wanneer één land dat wil doen, zullen de bedrijven - en hun werknemers - naar de buurlanden trekken.

Vier: het valt sterk te betwijfelen dat er een maatschappelijk draagvlak bestaat voor ontgroeien, want het komt neer op het bevriezen het inkomen en het vermogen. Inspanningen, hard werk, drang tot innoveren worden niet langer naar behoren beloond.

Vijf: er is geen internationaal draagvlak. We kunnen niet verwachten dat regeringen van ontwikkelingslanden hun bevolking de hoop ontnemen de welvaart te verhogen. Evenmin zullen westerse landen een nog grotere krimp aanvaarden om de ontwikkelde landen sneller te laten groeien.

Die overwegingen nemen niet weg dat de ontgroeiers de 'Groene Groeiers' verwijten dat ze dromen. Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) bestaan de meeste technologieën die moeten instaan voor het terugdringen van de emissies tegen 2030 al. Kapitaalinvesteringen in energie moeten wel meer dan verdubbelen, van 2000 naar 5000 miljard dollar, om op dat peil te blijven tot 2050. Technologie die nog niet op punt staat, zoals koolstofopvang- en opslag, groene waterstof en geavanceerde batterijen, is verantwoordelijk voor bijna de helft van de emissiereductie tussen 2030-2050. Gezien de onzekerheid over de economische leefbaarheid ervan, mogen we daar van de ontgroeiers geen rekening mee houden. Er zit dus niets ander op dan de groei te beperken. Dat fnuikt de innovatie en dus ook de kans om met nieuwe technologieën oplossingen te leveren.

Het IEA onderschrijft dat aanzienlijke inspanningen nodig zijn om die technologieën tegen 2030 af te krijgen. Eén positieve boodschap uit de covid-periode mogen we echter niet vergeten: technologische innovatie heeft thuiswerk op grote schaal mogelijk gemaakt en, meer algemeen, wanneer enorme onderzoek- en ontwikkelingsfondsen beschikbaar gesteld worden om een probleem op te lossen, kent het menselijke vernuft nauwelijks grenzen.

Consumanderen

Een ontkoppeling van de groei en de broeikasgasemissie is geen illusie. In de Europese Unie daalde de CO2-uitstoot tussen 1990-2016 met 0,8 procent per jaar, berekende de denktank Bruegel. De bbp-groei kwam lager uit dan de daling van de broeikasgassen per eenheid bbp. Vooral de dalende energie-intensiteit van de groei droeg daartoe bij, meer dan de emissie-intensiteit van energie. Dat is een beetje vreemd: op de lange termijn zal eerder de energie volledig koolstofvrij worden gemaakt, dan dat de groei energievrij wordt. De drastische daling van de prijs van hernieuwbare energietechnologieën suggereert dat een versnelde decarbonisering van energie mogelijk is. Maar ook daar zijn weer massale investeringen in opslagcapaciteit en distributie noodzakelijk. En een gedragsverandering, door bijvoorbeeld die trip naar Barcelona te doen per trein in plaats van met het vliegtuig.

Diezelfde gedragsverandering moet ook zorgen voor een minder energie-intensieve consumptie: meer gebruikmaken van het openbaar vervoer, een grotere deeleconomie voor wagens en wonen, meer recyclage. Het helpt ook als we zouden evolueren naar een meer immateriële, op diensten georiënteerde economie - bijvoorbeeld mobiliteit als dienst.

Voorts moet de koolstofintensiteit van ons voedsel naar omlaag. De landbouw en het landgebruik zijn verantwoordelijk voor bijna 20 procent van de globale emissies. De technologische koe is echter nog niet uitgevonden. De CO2-uitstoot per kilo rundsvlees is met nauwelijks 0,4 procent per jaar afgenomen sinds 1990. Rundvlees staat in voor een derde van de totale emissie uit de voedselproductie. Een aanpassing van ons dieet met een kleiner aandeel van vlees betekent alweer een grote stap voorwaarts.

De prijszetting speelt een sleutelrol in het beïnvloeden van gedrag: de klimaatafdruk van wat we kopen, hoe we ons verplaatsen, hoe we reizen wordt nog altijd onvoldoende weerspiegeld in de kostprijs van het product of de dienst. Zoals vaak bestaat ook hier weer een enorme uitdaging wanneer men dat wil implementeren, omdat gezinnen met een gering inkomen die last moeilijker kunnen dragen. Een andere factor is bewustwording, zodat we weten wat de voetafdruk voor het klimaat is van hetgeen we kopen.

De weg van de Groene Groei is die van massale investeringen, geloof in nieuwe technologieën en een aanpassing van ons gedrag, op basis van bewustwording en prijssignalen. Zoals we van onze ouders hebben geleerd: waar een wil is, is een weg.

"We moeten niet consumeren; we moeten consuminderen", stelde een bekende Vlaming onlangs in een bekend tv-programma. Zou dat de ideale wereld zijn? Dat iets moet wijzigen in de manier waarop we consumeren staat buiten kijf, omwille van het klimaatprobleem en het beslag op grondstoffen. Maar in plaats van te spreken over 'consuminderen' houden we het liever op 'consumanderen': het veranderen van onze consumptie. Die ene letter maakt een wereld verschil. Geconfronteerd met de enorme klimaatuitdaging betekent hij het verschil tussen de handdoek in de ring gooien of de handschoen opnemen om te komen tot een 'Groene Groei' waarin we anders produceren en ons geld besteden. Het is een uitdrukking van geloof in het vernuft en de verantwoordelijkheidszin van de mens.Een interessante manier om naar de uitdaging te kijken, is door een herformulering van de productie van broeikasgassen (BKG, zie kader). BKG en de toename ervan zijn het gevolg van vier factoren: de bevolking, de welvaart van die bevolking (hoe welvarender, hoe groter de uitstoot), de energie-intensiteit van de groei en de emissie-intensiteit van energie. Stel dat we de groei van de bevolking en de welvaart (bbp per hoofd) als gegeven beschouwen. De uitstoot van broeikasgassen neemt toe en moet gecompenseerd worden door de overige twee factoren (energiegebruik + emissie-intensiteit = broeikasgasemissie per eenheid bbp). Dat vergt een absolute ontkoppeling van het bbp en de BKG: het bbp blijft stijgen maar de uitstoot van broeikasgassen daalt. Is dat haalbaar? Tot nu daalde de broeikasgasemissie per eenheid bbp (-1,8% per jaar) niet voldoende om de stijging van het globale bbp (jaarlijkse +3,8%) te compenseren. Om de klimaatopwarming te beperken tot minder dan 2 graden Celsius, moet de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen met 45 procent dalen tegen 2030, naar nul in 2050 en naar een negatieve emissie daarna. Zonder grens op de bevolkingstoename en de verwachte welvaartsgroei van de bevolking betekent dat een jaarlijkse daling van de BKG-emissie per eenheid reëel bbp van 9 procent, een vervijfvoudiging van de krimp van de voorbije 25 jaar.Onmogelijk, stellen de 'ontgroeiers'. Om de doelstellingen te halen, moeten de globale groei en de consumptie beperkt of gelijk gehouden worden. De consumptie van materialen en energie en de fysische omvang van de economie moeten ontgroeien. Dat is niet realistisch, en wel om vijf redenen. Eén: de wereld heeft groei nodig. De gezinnen, de bedrijven en de overheid zijn schulden aangegaan, omdat ze rekenen op een groei van hun inkomen, winsten, belastinginkomsten. Het aantal wanbetalingen neemt toe tijdens recessies, dus men kan zich inbeelden wat gebeurt in een maatschappelijk model gebaseerd op ontgroeien. Twee: voor beleggers die proberen voldoende kapitaal te hebben wanneer ze met pensioen gaan, wacht in een dergelijke wereld een enorme schok: de beurskoersen dalen, want er is geen groei meer, en nadien volgt een tocht door de woestijn bij gebrek aan aantrekkelijke beleggingsopportuniteiten. Drie: er staan enorme vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van een ontgroeistrategie. Wanneer één land dat wil doen, zullen de bedrijven - en hun werknemers - naar de buurlanden trekken. Vier: het valt sterk te betwijfelen dat er een maatschappelijk draagvlak bestaat voor ontgroeien, want het komt neer op het bevriezen het inkomen en het vermogen. Inspanningen, hard werk, drang tot innoveren worden niet langer naar behoren beloond. Vijf: er is geen internationaal draagvlak. We kunnen niet verwachten dat regeringen van ontwikkelingslanden hun bevolking de hoop ontnemen de welvaart te verhogen. Evenmin zullen westerse landen een nog grotere krimp aanvaarden om de ontwikkelde landen sneller te laten groeien.Die overwegingen nemen niet weg dat de ontgroeiers de 'Groene Groeiers' verwijten dat ze dromen. Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) bestaan de meeste technologieën die moeten instaan voor het terugdringen van de emissies tegen 2030 al. Kapitaalinvesteringen in energie moeten wel meer dan verdubbelen, van 2000 naar 5000 miljard dollar, om op dat peil te blijven tot 2050. Technologie die nog niet op punt staat, zoals koolstofopvang- en opslag, groene waterstof en geavanceerde batterijen, is verantwoordelijk voor bijna de helft van de emissiereductie tussen 2030-2050. Gezien de onzekerheid over de economische leefbaarheid ervan, mogen we daar van de ontgroeiers geen rekening mee houden. Er zit dus niets ander op dan de groei te beperken. Dat fnuikt de innovatie en dus ook de kans om met nieuwe technologieën oplossingen te leveren.Het IEA onderschrijft dat aanzienlijke inspanningen nodig zijn om die technologieën tegen 2030 af te krijgen. Eén positieve boodschap uit de covid-periode mogen we echter niet vergeten: technologische innovatie heeft thuiswerk op grote schaal mogelijk gemaakt en, meer algemeen, wanneer enorme onderzoek- en ontwikkelingsfondsen beschikbaar gesteld worden om een probleem op te lossen, kent het menselijke vernuft nauwelijks grenzen.Een ontkoppeling van de groei en de broeikasgasemissie is geen illusie. In de Europese Unie daalde de CO2-uitstoot tussen 1990-2016 met 0,8 procent per jaar, berekende de denktank Bruegel. De bbp-groei kwam lager uit dan de daling van de broeikasgassen per eenheid bbp. Vooral de dalende energie-intensiteit van de groei droeg daartoe bij, meer dan de emissie-intensiteit van energie. Dat is een beetje vreemd: op de lange termijn zal eerder de energie volledig koolstofvrij worden gemaakt, dan dat de groei energievrij wordt. De drastische daling van de prijs van hernieuwbare energietechnologieën suggereert dat een versnelde decarbonisering van energie mogelijk is. Maar ook daar zijn weer massale investeringen in opslagcapaciteit en distributie noodzakelijk. En een gedragsverandering, door bijvoorbeeld die trip naar Barcelona te doen per trein in plaats van met het vliegtuig.Diezelfde gedragsverandering moet ook zorgen voor een minder energie-intensieve consumptie: meer gebruikmaken van het openbaar vervoer, een grotere deeleconomie voor wagens en wonen, meer recyclage. Het helpt ook als we zouden evolueren naar een meer immateriële, op diensten georiënteerde economie - bijvoorbeeld mobiliteit als dienst. Voorts moet de koolstofintensiteit van ons voedsel naar omlaag. De landbouw en het landgebruik zijn verantwoordelijk voor bijna 20 procent van de globale emissies. De technologische koe is echter nog niet uitgevonden. De CO2-uitstoot per kilo rundsvlees is met nauwelijks 0,4 procent per jaar afgenomen sinds 1990. Rundvlees staat in voor een derde van de totale emissie uit de voedselproductie. Een aanpassing van ons dieet met een kleiner aandeel van vlees betekent alweer een grote stap voorwaarts. De prijszetting speelt een sleutelrol in het beïnvloeden van gedrag: de klimaatafdruk van wat we kopen, hoe we ons verplaatsen, hoe we reizen wordt nog altijd onvoldoende weerspiegeld in de kostprijs van het product of de dienst. Zoals vaak bestaat ook hier weer een enorme uitdaging wanneer men dat wil implementeren, omdat gezinnen met een gering inkomen die last moeilijker kunnen dragen. Een andere factor is bewustwording, zodat we weten wat de voetafdruk voor het klimaat is van hetgeen we kopen. De weg van de Groene Groei is die van massale investeringen, geloof in nieuwe technologieën en een aanpassing van ons gedrag, op basis van bewustwording en prijssignalen. Zoals we van onze ouders hebben geleerd: waar een wil is, is een weg.