'Twee op de drie Belgen vreest geen deftig pensioen meer te krijgen', kopten heel wat media op maandag. Een nog prangender bevinding uit de enquête is hoelang mensen zelf aangeven te kunnen en te willen werken. De uitkomst is geenszins verrassend: al jaren is er een grote kloof tussen de wettelijke en de effectieve pensioenleeftijd. De leeftijd die Belgische werknemers aangeven als de leeftijd waarop ze willen stoppen met werken, of wanneer ze het niet meer zullen aankunnen, zit daar nog eens onder.

Het zogenoemde brugpensioen mag dan afgebouwd zijn, toch kampt onze arbeidsmarkt met structurele uitdagingen. Nu de Belgische economische motor opnieuw aantrekt na de pandemie, snakt onze arbeidsmarkt meer dan ooit naar zuurstof. Er is een tekort aan talent, de babyboomers verlaten massaal de werkvloer en de effectieve pensioenleeftijd ligt veel te laag: met gemiddeld 61,5 jaar is ons land een bijzonder slechte leerling in de Europese klas. Uit recente cijfers van Securex is een aarzelende vooruitgang merkbaar in de perceptie van werknemers ten aanzien van het pensioen, maar er is nog een lange weg te gaan.

Willen, kunnen en moeten zijn rekbare begrippen

Dat werknemers massaal de arbeidsmarkt vroegtijdig verlaten, heeft enkele genoegzaam bekende redenen: we kunnen en/of willen niet langer werken. Het vroegtijdige afhaken van de naoorlogse generatie is een van de verklaringen voor onze te lage werkzaamheidsgraad: 23 procent van de Belgen in de leeftijdsgroep 25-65 jaar biedt zich zelfs helemaal niet aan op de arbeidsmarkt. Onder hen bevinden zich ook de 500.000 langdurig zieken, die meer dan een jaar afwezig zijn op het werk. De leeftijd van die langdurig zieken is ook veelzeggend: elke werkdag zit bijna 8 procent van de werknemers in de leeftijdscategorie 55-59 jaar langer dan één jaar thuis wegens ziekte. In de leeftijdsgroep 60-64 jaar loopt dat op tot bijna 14 procent.

Is langdurige afwezigheid gewoon het nieuwe brugpensioen?

Het einde van de carrière biedt werknemers in ons land blijkbaar te weinig troeven om het interessant te maken om te blijven werken tot de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar, laat staan tot 67 jaar vanaf 2030. Een overweldigende meerderheid van 84 procent denkt niet te kunnen werken tot zijn 67ste , 91 procent wil het niet.

Erg veel ervaren werknemers voelen zich uitgerangeerd aan het einde van hun loopbaan. Ze zijn te jong om op pensioen te gaan, en door hun hoge anciënniteit te duur om te ontslaan. Ze krijgen weinig kansen om zich bij- of om te scholen, en komen vaak in een uitzichtloos statuut van invaliditeit of langdurige afwezigheid door ziekte terecht. Die werknemers kunnen nochtans door hun jarenlange ervaring nog veel waarde toevoegen op de werkvloer, maar in het systeem van gouden kooien via anciënniteitsgebonden legale en extralegale voordelen zitten ze tussen hamer en aambeeld gevangen.

Om onze werkzaamheidsgraad naar een acceptabel niveau te tillen, het competitieve voordeel van onze kenniseconomie te verhogen, en mensen tot het einde van hun carrière werkbaar werk en zinvolheid te bieden, zijn dringend ingrijpende en effectieve maatregelen nodig, en niet enkel financiële incentives. Werknemers moeten ruimte krijgen voor opleidingen en omscholing: want enkel door het verloop van de carrière minder rigide te maken zullen mensen zich ook aan het einde van de loopbaan nuttig en gewaardeerd voelen.

'Twee op de drie Belgen vreest geen deftig pensioen meer te krijgen', kopten heel wat media op maandag. Een nog prangender bevinding uit de enquête is hoelang mensen zelf aangeven te kunnen en te willen werken. De uitkomst is geenszins verrassend: al jaren is er een grote kloof tussen de wettelijke en de effectieve pensioenleeftijd. De leeftijd die Belgische werknemers aangeven als de leeftijd waarop ze willen stoppen met werken, of wanneer ze het niet meer zullen aankunnen, zit daar nog eens onder.Het zogenoemde brugpensioen mag dan afgebouwd zijn, toch kampt onze arbeidsmarkt met structurele uitdagingen. Nu de Belgische economische motor opnieuw aantrekt na de pandemie, snakt onze arbeidsmarkt meer dan ooit naar zuurstof. Er is een tekort aan talent, de babyboomers verlaten massaal de werkvloer en de effectieve pensioenleeftijd ligt veel te laag: met gemiddeld 61,5 jaar is ons land een bijzonder slechte leerling in de Europese klas. Uit recente cijfers van Securex is een aarzelende vooruitgang merkbaar in de perceptie van werknemers ten aanzien van het pensioen, maar er is nog een lange weg te gaan.Dat werknemers massaal de arbeidsmarkt vroegtijdig verlaten, heeft enkele genoegzaam bekende redenen: we kunnen en/of willen niet langer werken. Het vroegtijdige afhaken van de naoorlogse generatie is een van de verklaringen voor onze te lage werkzaamheidsgraad: 23 procent van de Belgen in de leeftijdsgroep 25-65 jaar biedt zich zelfs helemaal niet aan op de arbeidsmarkt. Onder hen bevinden zich ook de 500.000 langdurig zieken, die meer dan een jaar afwezig zijn op het werk. De leeftijd van die langdurig zieken is ook veelzeggend: elke werkdag zit bijna 8 procent van de werknemers in de leeftijdscategorie 55-59 jaar langer dan één jaar thuis wegens ziekte. In de leeftijdsgroep 60-64 jaar loopt dat op tot bijna 14 procent.Het einde van de carrière biedt werknemers in ons land blijkbaar te weinig troeven om het interessant te maken om te blijven werken tot de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar, laat staan tot 67 jaar vanaf 2030. Een overweldigende meerderheid van 84 procent denkt niet te kunnen werken tot zijn 67ste , 91 procent wil het niet.Erg veel ervaren werknemers voelen zich uitgerangeerd aan het einde van hun loopbaan. Ze zijn te jong om op pensioen te gaan, en door hun hoge anciënniteit te duur om te ontslaan. Ze krijgen weinig kansen om zich bij- of om te scholen, en komen vaak in een uitzichtloos statuut van invaliditeit of langdurige afwezigheid door ziekte terecht. Die werknemers kunnen nochtans door hun jarenlange ervaring nog veel waarde toevoegen op de werkvloer, maar in het systeem van gouden kooien via anciënniteitsgebonden legale en extralegale voordelen zitten ze tussen hamer en aambeeld gevangen.Om onze werkzaamheidsgraad naar een acceptabel niveau te tillen, het competitieve voordeel van onze kenniseconomie te verhogen, en mensen tot het einde van hun carrière werkbaar werk en zinvolheid te bieden, zijn dringend ingrijpende en effectieve maatregelen nodig, en niet enkel financiële incentives. Werknemers moeten ruimte krijgen voor opleidingen en omscholing: want enkel door het verloop van de carrière minder rigide te maken zullen mensen zich ook aan het einde van de loopbaan nuttig en gewaardeerd voelen.