Meer dan 13 miljard euro gaat jaarlijks naar het klaarstomen van de Vlaamse jeugd voor een toekomst in de kenniseconomie. Het departement Onderwijs is daarmee goed voor ruim een vierde van de Vlaamse begroting. Profileerden politici zich bij de verkiezingen in 2014 voor of tegen de moderniseringsplannen in het secundair onderwijs, dan goochelen ze in de aanloop naar de komende verkiezingen vooral met remedies om de dalende onderwijskwaliteit een halt toe te roepen.
...

Meer dan 13 miljard euro gaat jaarlijks naar het klaarstomen van de Vlaamse jeugd voor een toekomst in de kenniseconomie. Het departement Onderwijs is daarmee goed voor ruim een vierde van de Vlaamse begroting. Profileerden politici zich bij de verkiezingen in 2014 voor of tegen de moderniseringsplannen in het secundair onderwijs, dan goochelen ze in de aanloop naar de komende verkiezingen vooral met remedies om de dalende onderwijskwaliteit een halt toe te roepen. In onderwijsdiscussies is een verwijzing naar het vergelijkende PISA-onderzoek van de OESO nooit veraf. Daarin worden de prestaties van jongeren internationaal vergeleken. In Vlaanderen blijken enerzijds de best presterende leerlingen achteruit te boeren, terwijl anderzijds het verband tussen zwak presterende leerlingen en hun sociale profiel nergens in Europa zo bepalend is als bij ons. Dat geeft aanleiding tot twee botsende visies. Aan de ene kant staan experts die meer aandacht voor excellentie prediken. Een adagium waar de jongste jaren vooral de N-VA zich bij aansloot. Terwijl een tweede groep vooral de nadruk legt op inclusief onderwijs en de pogingen om iedereen over de minimale lat te trekken. Een verhaal dat vooral bij Groen en de sp.a tot de ideologische canon hoort. Wie voorbij de slogans luistert, hoort echter bij nagenoeg iedereen een pleidooi voor zowel excellentie als gelijke kansen. Politieke stilstand is nochtans geen optie, want de achteruitgang aan de top is geen onschuldig probleem. "Ons onderwijs presteert misschien nog wel boven het Europese gemiddelde, maar het tempo van de achteruitgang is dramatisch", stelt professor Wouter Duyck (UGent). "Tussen 2003 en 2015 zijn we voor wiskunde bijvoorbeeld 32 PISA-punten achteruitgegaan. Dat betekent dat het nu negen maanden langer duurt eer een kind hetzelfde niveau heeft. Dat is een zorgwekkende evolutie in nauwelijks twaalf jaar. Bovendien is de achteruitgang niet enkel in wiskunde een probleem, maar blijkt het een algemeen fenomeen. Dat komt omdat goede leerlingen te weinig worden uitgedaagd." Ook de onderwijseconoom Kristof De Witte (KU Leuven) ziet een daling van de kwaliteit. In zijn boek De Hervormende school wijst hij ook naar de grote ongelijkheid als een oorzaak. "In het recente debat wordt ongelijkheid genegeerd. In Vlaanderen bepaalt de afkomst van jongeren heel sterk de schoolse prestaties. Een beleid dat de gelijke kansen promoot, motiveert en stimuleert gezonde wedijver. Hoe meer renners in aanmerking komen om de wedstrijd te winnen, des te hoger het gemiddelde prestatieniveau. Een gelijkekansenbeleid trekt iedereen naar boven, net zoals de zee bij hoogtij zowel grote als kleine boten omhoog stuwt." In maart combineerde de onderzoeksgroep rond Jan Van Damme (KU Leuven) de PISA-resultaten met gegevens van een aantal andere onderzoeken. Daaruit bleek dat de terugval in kwaliteit aan het einde van het lager onderwijs de ideologische breuklijnen overstijgt. Sindsdien lijkt onderwijs meer dan ooit op de electorale agenda te staan. "Ik ben blij dat het kwaliteitsverlies dat iedereen in het veld al een tijd ziet, nu ook tot in de Wetstraat is doorgedrongen", zegt Van Damme. De echte vraag is dus niet hoe ernstig de kwaliteitsdaling is, maar wel wat we eraan kunnen doen. Op Twitter reageerde minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) als volgt: "Onderwijs is nooit af. Vijftien jaar wordt er gepalaverd over noodzakelijke hervormingen. Deze legislatuur doorgevoerd: modernisering secundair, nieuwe eindtermen, duaal leren, lerarenopleiding... En ja er ligt nog werk op de plank. Versterking basisonderwijs is een prioriteit." De onderwijsstaking in maart maakte bovendien een groeiende frustratie bij het lerarenkorps zichtbaar. De toegenomen werkdruk als gevolg van het M-decreet, het gebrek aan waardering en de overdreven planlast zijn de terugkerende klachten. Via het M-decreet streeft de Vlaamse regering na ook kinderen met een beperking maximaal regulier onderwijs te bieden. Heel wat politieke partijen spelen in hun verkiezingsprogramma in op de frustratie bij de leraars. Open Vld en CD&V zetten de aandacht voor de leraren als ruggengraat van het onderwijs prominent in hun programma. Bij de N-VA heet het dat de mensen en niet de structuren centraal moeten staan. De sp.a ziet dan weer heil in de aanwerving van 6000 extra leerkrachten. Terwijl onderwijsspecialist Elisabeth Meuleman voor Groen benadrukt dat de volgende minister van Onderwijs in de eerste plaats de minister voor leerkrachten moet zijn. "Er zijn nog nooit zoveel burn-outs geweest", zegt ze. "Er moet iets gebeuren om het lerarenberoep te versterken, zodat de leerkrachten opnieuw les kunnen geven. Wij denken bijvoorbeeld aan een onderwijsassistent in de klas of aan logopedisten en brugfiguren die de leerkracht kunnen ondersteunen, zodat die niet tot in het oneindige moet diversifiëren." Die aandacht voor de leraar is ingegeven door een toenemende lerarentekort. Van wie als leraar begint te werken, houdt 44 procent het binnen de vijf jaar voor bekeken. Voor heel wat onderwijsspecialisten is het vastgelopen pact over de lerarenloopbaan de grootste ontgoocheling uit de jongste regeerperiode. Duyck: "Het is duidelijk dat er iets moet gebeuren om het lerarenberoep aantrekkelijker maken. Maar de bonden verzetten zich tegen meer flexibiliteit. In het onderwijs lijkt het wel verboden een deftig personeelsbeleid te voeren." Toch worden stappen ondernomen om de uitval van jonge leerkrachten te beperken. Minister Crevits heeft de aanvangsbegeleiding voor beginnende leerkrachten, die onder haar voorganger Pascal Smet (sp.a) was geschrapt, opnieuw ingevoerd. En op de valreep van deze regeerperiode keurde het Vlaams Parlement een resolutie goed waarin naast een bijsturing van het M-decreet, ook een verhoogde financiering van het kleuteronderwijs en een verdere verlaging van de planlasten werd aangekondigd. Niet enkel het aantal maar ook de kwaliteit van de leerkrachten is een groeiend probleem. In het secundair onderwijs stijgt het aantal leerkrachten die een vak geven waar ze niet voor zijn opgeleid. Iemand die een master in chemie heeft, beheerst doorgaans wel het wiskundepakket dat in het middelbaar wordt gegeven, maar is eigenlijk niet opgeleid om zijn interesse in wiskunde over te brengen. Een vergelijkbaar probleem: te veel onderwijzers die in de lagere school Frans geven, hebben zelf amper de eindtermen voor dat vak gehaald. "En daar stopt het niet mee", zegt Jo De Ro, de onderwijsspecialist bij Open Vld. "Er is in het onderwijs nauwelijks ruimte om zich bij te scholen. Gemiddeld volgen leerkrachten één dag per jaar bijscholing. Vergelijk dat eens met de privésector. Voor een consultant is het bijvoorbeeld niet ongewoon per jaar twintig dagen opleiding te volgen. Hoe kunnen we onderwijskwaliteit nastreven als we de leraars niet de mogelijkheid geven hun kennis up-to-date te houden?" Er bestaat politiek en academisch een consensus dat het lerarenberoep opnieuw aantrekkelijker moet worden. Iedereen wil sleutelen aan de erg vlakke lerarenloopbaan. Veertig jaar voor de klas staan, is niet voor iedereen weggelegd. Dat is makkelijk gezegd, maar moeilijker in de praktijk. Want sleutelen aan de loopbaan heeft al snel implicaties op de vaste benoeming. En dat is nog altijd een heilig huisje. Bij de liberalen is er wel het besef dat er iets moet gebeuren, maar Open Vld benadrukt tegelijk de voordelen aan het statuut van de vastbenoemde leerkracht. Opmerkelijk genoeg lijkt vooral Groen bereid de vaste benoeming ter discussie te stellen. Meuleman: "Een nieuw statuut voor jonge leerkrachten zou het onderwijs een nieuw elan kunnen geven en een modern personeelsbeleid mogelijk maken." De meeste partijen zien ook heil in meer zij-instromers en duale carrières. Opnieuw gaapt tussen de theorie en de praktijk een kloof. Uiteraard zijn er mensen te vinden die interesse hebben om de privésector te verruilen voor een carrière als leerkracht. Alleen blijft dat zonder deftige anciënniteitsregeling grotendeels dode letter. Wie twintig jaar ervaring heeft in een bank, valt niet graag terug op het loon van een 22-jarige leerkracht die net is afgestudeerd. De administratieve overlast in het onderwijs komt niet enkel van de overheid, maar vaak ook van de onderwijskoepels. Ze fungeren als het ware als een parallelle administratie. Dat heeft te maken met artikel 24 van de grondwet, dat de vrijheid van onderwijs garandeert. Vlaanderen financiert het onderwijs en legt de minimumdoelstellingen vast in de eindtermen, maar of die nu in een katholieke school, een methodeschool dan wel in een staatsschool worden bijgebracht, maakt weinig verschil. Het is bekend dat N-VA vindt dat de macht van de koepels te groot is. De partij laat geen gelegenheid onbenut om dat te benadrukken. Het verklaart waarom Bart De Wever of onderwijsspecialist Koen Daniëls geregeld met Lieven Boeve, de topman van de katholieke onderwijskoepel, in de clinch gaat. Ook voor de liberalen is de macht van de koepels een gespreksthema. Open Vld wil het vak levensbeschouwing tot een keuzevak herleiden. Dat wil niet zeggen dat wij tegen de vrijheid van onderwijs zijn, benadrukt Jo De Ro. "Dankzij die vrijheid heeft Vlaanderen een sterke onderwijstraditie. Alleen wordt ze te vaak gebruikt als excuus om niet te moeten samenwerken." Een andere constante is de roep om een centraal examen. Uit de internationale vergelijkingen blijkt dat er nogal wat niveauverschillen zijn tussen de scholen in Vlaanderen. Daarom pleit Open Vld, maar bijvoorbeeld ook het Vlaams Belang, voor centrale examens. Ook onderzoekers Kristof De Witte en Wouter Duyck zijn er nadrukkelijke voorstanders van. Duyck: "Nergens leggen leerlingen meer examens af dan in Vlaanderen en toch hebben we geen instrument om de kwaliteit van het onderwijs op te volgen. Dat is toch vreemd?" De volgende minister van Onderwijs zal zich in elk geval ook moeten buigen over de vraag of Vlaanderen de middelen in onderwijs goed besteedt. In grote lijnen kun je stellen dat het secundair onderwijs ruim is gefinancierd, terwijl de financiering per leerling in de kleuterschool, de lagere school en het hoger onderwijs onder het Europese gemiddelde ligt. Duyck: "Ons totale onderwijsbudget ligt al 20 procent hoger dan het Europese gemiddelde. Eigenlijk gaat te veel geld naar het secundair onderwijs. Vanuit cognitief oogpunt is dat absurd. We zouden dat geld beter vroeger spenderen." Vorige week kondigde minister Crevits al aan dat ze de financiering voor het kleuteronderwijs wil gelijkschakelen met dat van het lager onderwijs. Per jaar zou dat gaan om een extra investering van 50 miljoen euro. Open Vld zal het graag horen, want investeren in het kleuteronderwijs is al langer een van de liberale dada's. De Ro: "Ongelijkheid begint al in de eerste levensjaren. Hoe meer een kind naar het kleuteronderwijs gaat, hoe groter de impact op het latere schoolleven. Daarom willen we de leerplicht op termijn verlagen tot drie jaar. In een stad zoals Vilvoorde waar ik schepen van Onderwijs ben, heeft 70 procent van de kinderen een migratieachtergrond. Voor hun taalontwikkeling en hun sociale functioneren is de kleuterschool cruciaal."