Exact een jaar geleden legde Philip Soubry als eerste Belg een positieve coronatest af. Hij was kort voordien teruggekeerd uit China.
...

IKEA heeft de afgelopen decennia de prijzen van meubilair gedemocratiseerd. Maar tegelijk was de Zweedse meubelgigant een symbool van de lineaire economie: er liep een rechte lijn van grondstof over product naar afval. Was een poot van een kastje of een sofa kapot, dan dumpte de consument de meubels en kocht nieuwe. Het leidde tot een wegwerpcultuur. Van al het materiaal dat het Europese bedrijfsleven verbruikt, wordt nu slechts 12 procent gerecycleerd. Sven Mastbooms, strateeg bij het innovatieadviesbureau Kindred Spirits, geeft nog een voorbeeld: "Apple lobbyde sterk voor regulering die ervoor zorgt dat zijn toestellen niet mogen worden geopend. Zo kun je ze niet repareren en moet je sneller een nieuw toestel kopen. Dat is commercieel belangrijk voor Apple." Maar er beweegt wat. Onlangs kwam IKEA met het nieuws dat de groep wellicht nog dit jaar begint met de verkoop van onderdelen van stoelen, kasten en bedden, zodat de klanten hun meubels kunnen herstellen. De meubelfabrikant organiseerde ook al acties waardoor mensen hun meubels tweedehands konden verkopen. Daarmee zet IKEA de eerste stappen in de richting van een circulaire of kringloopeconomie. In een kringloopeconomie wordt van bij het ontwerp van het product al nagedacht over hoe de materialen later kunnen worden hergebruikt. Het doel is dat er geen afval meer overblijft. De gebruikte sofa wordt tweedehands verkocht of ontmanteld, waarna de onderdelen grondstoffen voor een ander product worden, misschien zelfs in een andere sector. Van meet af aan hoogwaardige grondstoffen gebruiken is daarbij belangrijk. Zo gaan de materialen langer mee. De overstap van een lineaire naar een circulaire economie is de hoeksteen van de Green Deal, die de Europese Unie eind 2019 lanceerde. Europa zet die groeistrategie sindsdien om in beleidsplannen en acties. Het ene na het andere beleidsdomein wordt aangepakt (zie kader De Green Deal in negen beleidsdomeinen). In oktober stelde ze de Renovatiegolfstrategie voor Europa voor, de Europese strategie voor de bouwsector. Het doel is het renovatietempo de komende tien jaar te verdubbelen. Die renovaties moeten zorgen voor meer energie-efficiëntie. Dat moet tegen 35 miljoen gerenoveerde gebouwen en 160.000 nieuwe groene banen opleveren. Robert De Mûelenaere, de gedelegeerd bestuurder van de Confederatie Bouw, onthult welke technologieën er komende jaren aankomen: "Er komen vraaggestuurde ventilatiesystemen, die de ventilatie regelen op basis van de vochtigheid of de concentratie schadelijke stoffen in de lucht. De verwarming zal veel efficiënter zijn, dankzij lagetemperatuurverwarming via de vloer of de wand. Dat is perfect geschikt voor condensatieketels." Hij ziet ook "vrij spectaculaire" ontwikkelingen op het gebied van isolatie: "Denk aan nanomateriaal en vacuümisolatie. Bij vacuümbeglazing ligt de energieprestatie 30 procent hoger dan bij de beste driedubbele beglazing met glas van 1 centimeter dik. Dat biedt formidabele perspectieven." De Mûelenaere maakt wel een kanttekening bij al die evoluties: de prijzen zullen tegen 2025 omlaag moeten. "Als de consument zo'n renovatie niet kan betalen, zal hij die niet doen. De banken hebben in dat proces een belangrijke rol te spelen." Dirk Holemans, coördinator van de denktank Oikos, meent dat de Europese Unie met de Green Deal een prachtige doelkans heeft gecreëerd, waardoor de landen en de regio's de bal alleen maar moeten binnenkoppen. "Europa maakt veel geld bij voor een relancebeleid en koppelt dat aan de Green Deal. De Vlaamse regering moet nu een doortastend beleid ontwikkelen op het gebied van voeding, energie en een aantal andere domeinen. Het is een gouden kans." Daar heeft het lokale niveau vaak niet op gewacht. De steden zijn nu al een belangrijke motor van verandering. "We zitten in een fase waarin de pioniers, van stadsbesturen tot de Europese Commissie, elkaar vinden in gemeenschappelijke doelstellingen", zegt Holemans. "Er ontstaan synergieën. De steden zijn de voortrekkers. Burgers organiseren zich bijvoorbeeld in energiegemeenschappen. Het zou dom zijn dat elke burger zijn eigen batterij wil, je kunt beter werken met een wijkbatterij. De burgers en de bedrijven zullen almaar vaker samenwerken in zulke projecten." Leuven is een voorloper. De organisatie Leuven 2030 bouwt aan een stedelijk netwerk dat inwoners, bedrijven, scholen, overheden en andere partners samen actie laat ondernemen, om de studentenstad klimaatneutraal te maken. Leuven 2030 onderzoekt bijvoorbeeld of warmtenetten in bepaalde wijken mogelijk zijn, hoe er meer transport via het water kan verlopen, hoe het landbouw- en voedingssysteem duurzamer kan worden en hoe de horeca ecologischer kan werken. De toekomstdenker Sven Mastbooms verwacht dat de mogelijke financiële crisis die op de coronapandemie volgt, de transformatie van de steden kan versnellen. "Om de economie te stimuleren zouden overheden dan kunnen investeren in duurzame infrastructuurwerken. In de vijftienminutenstad, waar alles binnen de vijftien minuten bereikbaar is, zouden de leeglopende winkelpanden zich kunnen transformeren tot aangename, goed geventileerde coworkingplekken met geluidswerend glas, of tot een food court, waar ook werkzoekenden worden opgeleid." De restaurantjes van dat food court zullen wellicht vaak werken met lokaal geteelde ingrediënten. De Europese Unie heeft ook haar nieuwe strategie voor voeding en landbouw al in plannen gegoten. Die strategie heet Boer tot Bord, een verwijzing naar de korte keten. De Europese Unie bepaalde onder meer dat 40 procent van het budget voor het gemeenschappelijke landbouwbeleid moet bijdragen tot de klimaatdoelstellingen. Een heikel punt is dat Europa het gebruik van chemische pesticiden, meststoffen en antibiotica sterk wil terugdringen. "Als er niets verandert, zal Vlaanderen, met zijn focus op industriële exportlandbouw, het heel moeilijk krijgen om die doelstellingen te halen. Ook daarin nemen de steden het voortouw. Gent en Leuven richten nu al structuren op om de distributie van de boer naar de burger professioneel te organiseren", weet Dirk Holemans. Gent en garde heet het Gentse beleid om het voedselsysteem van de stad te verduurzamen, van de productie tot de afvalverwerking. Een handig instrument is Vanier, een korteketenwebshop waar de retailers, de horeca, de grootkeukens en de cateraars hun aankopen kunnen doen bij producenten in Gent en omstreken. Leuven 2030 heeft met Voeding Verbindt een strategie om over te schakelen naar een lokaal voedingssysteem waarin de korte keten centraal staat. Hoevewinkels, boerenmarkten, plukboerderijen en groenteabonnementen van organisaties als Buurderij hebben de wind in de zeilen. De coronacrisis versnelt de groei van de korteketenproducenten nog. Vorige week raakte bekend dat het aantal Belgische gezinnen dat aankopen doet bij lokale boeren en hoeveslagers in de eerste helft van vorig jaar met 44 procent is gestegen in vergelijking met 2019. In Vlaanderen zijn er zo'n 3000 korteketenproducenten. Vooral de jongeren blijken voor die stijging te hebben gezorgd.