De minder gunstige conjuncturele omstandigheden in Europa als gevolg van de internationale handelsoorlogen en de onzekerheid rond de brexit maken de Belgische budgettaire situatie er niet rooskleuriger op. Voeg daar nog aan toe: een minder gunstige budgettaire uitgangspositie in 2019 dan verwacht, een sterke toename van de pensioen- en de gezondheidszorguitgaven door de vergrijzing in de komende jaren, hoge lasten op arbeid die verder naar beneden moeten én een dringende nood aan productieve publieke investeringen in infrastructuur.

Aangezien bijkomende belastingen geen optie zijn in ons al sterk belaste land, is maar één ding zeker: in de komende jaren zal fors moeten worden bespaard op de lopende overheidsuitgaven. Ons land heeft een loodzware overheid. Zo stonden we in 2017 nog altijd in de top vier in de Europese rangschikking van de primaire uitgaven, terwijl we ons slechts in de middenmoot bevinden als het gaat om de kwaliteit van de geleverde diensten. Een ingrijpende efficiëntieoefening in ons overheidsapparaat zal in de komende legislatuur dus zeker en meer dan ooit nodig zijn.

De politieke situatie is echter bijzonder complex. Waarom dan niet van de nood een deugd maken? Om te vermijden dat de verschillende regeringen in ons land de komende maanden technisch werkloos zijn, is dit een ideaal moment voor de ministers in lopende zaken om eens écht als een bedrijfsleider te kijken naar de werking van de administraties, de agentschappen, de bijzondere korpsen en de overheidsbedrijven waarvoor ze verantwoordelijk zijn. In goede samenwerking met hun leidinggevenden kunnen zij inventariseren welke activiteiten er allemaal plaatsvinden, hoeveel VTE's er worden ingezet voor welke activiteiten en processen, welke efficiëntiewinsten er mogelijk zouden zijn door een betere inzet van nieuwe technologieën, door een vereenvoudiging van wetten en regels enzovoort.

Zo kan de huidige periode van politieke ralenti nuttig worden gebruikt om al een heel aantal pertinente analyses en hervormingsplannen klaar te stomen voor een nieuwe regeringsploeg. Die oefening draagt ook bij aan de geloofwaardigheid van de politiek: burgers en bedrijven krijgen waar voor hun belastinggeld voor de regeringen in lopende zaken. Ook de regionale overheden zullen de oefening moeten maken: Europa kijkt niet alleen naar de begrotingsprestaties van de federale overheid.

Hoe een evenwicht vinden tussen saneren en investeren?

Men kan daarbij de volgende methode toepassen: in welke mate zijn de uitgevoerde taken absoluut noodzakelijk en indien niet, kunnen ze door de private sector uitgevoerd worden? Vervolgens kan voor de resterende kerntaken worden nagegaan hoe die op de meest kostenefficiënte wijze kunnen worden verricht. Het einddoel moet zijn om het totaal van de 'lopende overheidsuitgaven' op vijf jaar tijd met 5 procent terug te dringen, zonder dat de kwaliteit van de dienstverlening in het gedrang komt. Die oefening moet gebeuren in nauw overleg met de leidinggevende ambtenaren. Als het bereikte resultaat beter is dan het vooropgestelde doel, kan een deel van de gerealiseerde efficiëntiewinsten zelfs worden hergebruikt binnen de administratie om te investeren in nieuwe projecten ter verbetering van de efficiëntie of de kwaliteit van de dienstverlening.

De primaire uitgaven moeten daarnaast ook teruggedrongen worden door maatregelen te nemen die onze werkzaamheidsgraad optrekken naar 75 procent, door de uitgaven in de gezondheidszorg onder controle te houden en met een kam door de socialezekerheidsuitgaven te gaan. Een besparing van 1 procent betekent op termijn alvast een minderuitgave van 800 miljoen euro.

De lopende overheidsuitgaven moeten overigens niet enkel worden verlaagd om de begroting structureel op orde te brengen, maar ook om de noodzakelijke budgettaire ruimte te creëren om de investeringsuitgaven op te krikken, wat cruciaal is om het economische groeipotentieel van ons land te versterken. Er wordt, om het met een boutade te zeggen, nog maar net genoeg geïnvesteerd om de gaten en de putten in onze wegen te vullen.

Het Europese begrotingskader inzake productieve overheidsinvesteringen is echter veel te strikt. Er zou dan ook een gouden regel moeten worden ingevoerd die stelt dat netto publieke investeringen gefinancierd kunnen worden met schulden en dus buiten de budgetregel worden gehouden. In dat kader is een tekort op de begroting van 1 procent acceptabel als die 1 procent uitsluitend wordt ingevuld door productieve investeringen. Op lange termijn betaalt die investering zich terug, tenminste als het gaat om productieve investeringen en niet om verkapte lopende uitgaven.

Kortom, de lopende uitgavenbegroting moet zo snel mogelijk richting een evenwicht. Een tekort op de investeringsbegroting van 1 procent is in dat geval geen drama.