Het parcours van de toekomstige spoorlijn door het oerwoud van Laos wordt ruim 400 kilometer lang. Binnenkort zullen er treinen overheen denderen, over bruggen, door tunnels en op speciaal daartoe opgehoopte dammen, van bij de grens met China tot in de hoofdstad Vientiane bij de rivier Mekong. Na een bouwperiode van vijf jaar moet de route in 2021 klaar zijn. De Chinese verantwoordelijke van een van de zes bouwfasen twijfelt er geen seconde aan dat het schema gerespecteerd zal worden. "Wij alleen al hebben 4000 bouwvakkers in dienst", zegt hij. Aan geld is er al evenmin gebrek. De regering in Peking draagt zo'n 6 miljard dollar aan het project bij. Daardoor is ze opgeklommen tot de grootste kredietverlener en ontwikkelingshelper van het land.
...

Het parcours van de toekomstige spoorlijn door het oerwoud van Laos wordt ruim 400 kilometer lang. Binnenkort zullen er treinen overheen denderen, over bruggen, door tunnels en op speciaal daartoe opgehoopte dammen, van bij de grens met China tot in de hoofdstad Vientiane bij de rivier Mekong. Na een bouwperiode van vijf jaar moet de route in 2021 klaar zijn. De Chinese verantwoordelijke van een van de zes bouwfasen twijfelt er geen seconde aan dat het schema gerespecteerd zal worden. "Wij alleen al hebben 4000 bouwvakkers in dienst", zegt hij. Aan geld is er al evenmin gebrek. De regering in Peking draagt zo'n 6 miljard dollar aan het project bij. Daardoor is ze opgeklommen tot de grootste kredietverlener en ontwikkelingshelper van het land. China financiert niet alleen rechtstreeks 70 procent van het nieuwe spoorwegtraject, het bouwt ook stuwdammen, scholen en militaire ziekenhuizen. Het heeft een communicatiesatelliet voor Laos in de ruimte gelanceerd en ten slotte het land in april nog eens een krediet van 40 miljoen dollar verleend voor de aanleg van straten. Dat werd afgehandeld door de multilaterale Asian Infrastructure Investment Bank in Peking, die China als tegenhanger voor de ontwikkelingsbanken van het Westen heeft opgericht. China is, als je Hongkong erbij rekent, niet enkel in Laos opgeklommen tot de grootste schuldeiser, maar in de hele wereld. De buitenlandse leningen van Peking domineren de wereldmarkten al bijna net zo sterk als hun speelgoed, smartphones of elektrische scooters. Van Kenia tot Montenegro, van Ecuador tot Djibouti worden met de miljarden uit Peking straten, stuwdammen en elektriciteitscentrales gebouwd - meestal op krediet, uiteraard. Die landen moeten dat geld in de komende jaren met rente terugbetalen. Mede dankzij de kapitaalstroom uit de Volksrepubliek werd de wereld na de val van de Amerikaanse grootbank Lehman Brothers behoed voor een depressie, maar tegelijkertijd heeft die hulp veel controverse uitgelokt. Volgens sommigen zijn de Chinese miljarden een welkome bijdrage om de onderontwikkelde gebieden in Azië en Afrika van infrastructuur te voorzien. Anderen vinden dat door de kredieten uit Peking de halve wereld economisch en politiek afhankelijk is geworden van China. Er wordt zelfs gesproken van "schuldslavernij". Een groep invloedrijke senatoren uit de VS heeft hun minister van Buitenlandse Zaken, Mike Pompeo, er schriftelijk voor gewaarschuwd dat Peking grote delen van de wereld "financieel gijzelt". Bovendien is weinig bekend over de geldstromen uit de Volksrepubliek. De buitenlandse activa van China lopen intussen op tot 6 biljoen Amerikaanse dollar. Maar waar dat geld naartoe gestroomd is, onder welke voorwaarden en welke risico's daardoor voor de ontvangende landen ontstaan, dat weet naast de overheid in Peking zo goed als niemand. Omdat China internationale instellingen zoals de Wereldbank of het Internationaal Monetair Fonds (IMF) slechts mondjesmaat informatie bezorgt, ontbreekt de nodige transparantie, klaagt het IMF. Er is al wat meer duidelijkheid door een recent artikel van een Amerikaans-Duits onderzoeksteam onder leiding van de Harvard-professor Carmen Reinhart. Maandenlang hebben de economen bekende en onbekende bronnen geraadpleegd. Daardoor hebben ze de tot nu toe wellicht meest uitgebreide analyse van de Chinese buitenlandse leningen gemaakt. Op basis van het beeld dat daaruit naar voren komt, zal de bezorgdheid over de financiële slagkracht van de Volksrepubliek nog niet meteen verdwijnen. Integendeel: uit hun gegevens blijkt dat veel landen die zich op het randje van de wereldarmoedegrens bevinden, veel meer Chinese leningen afgesloten hebben dan tot nu toe bekend was. Door die overeenkomsten gaan die landen vaak onder een aanzienlijke last gebukt, want de akkoorden zijn vooral met het oog op de strategische belangen van Peking opgesteld. Op die manier vergroot het gevaar dat veel landen uit de derde wereld in een nieuwe financiële crisis gestort worden. "Het Westen heeft nog altijd niet begrepen hoe ingrijpend de opkomst van China het internationale financiële systeem veranderd heeft", zegt Christoph Trebesch, die aan het onderzoek meegewerkt heeft. Hij werkt als professor aan het Kiel Institute for the World Economy. Tijdens ons interview in een bibliotheek in Hamburg bladert hij door honderden bladzijden die op zijn laptopscherm voorbij flitsen. Daarin staan de looptijden, rentetarieven, doelstellingen en onderpanden van bijna 5000 Chinese kredieten en steunbetalingen aan 152 staten. Gegevens die afkomstig zijn uit een tiental bronnen, die op hun beurt gebaseerd zijn op de bevindingen van ontwikkelingshulporganisaties, banken of de Amerikaanse geheime dienst CIA. Trebesch heeft het over "een soort van economische archeologie". Zo noemt hij de procedure waarmee hij en zijn collega Sebastian Horn de informatie geanalyseerd hebben, met officiële bronnen vergeleken en samengevoegd tot een totaalplaatje van de Chinese buitenlandse activa. En dat is iets waarvan de regering in Peking waarschijnlijk wenst dat het nooit openbaar gemaakt wordt. Volgens het onderzoek voert de Volksrepubliek niet enkel meer kapitaal uit naar ontwikkelingslanden en groei-economieën dan alle andere industrielanden samen. De Chinese kredieten bezitten ook tal van bijzondere kenmerken die overwegend ten laste van de schuldenlanden vallen. Terwijl westerse regeringen en multilaterale organisaties meestal leningen aan derdewereldlanden uitschrijven met lange looptijden en lage rentetarieven, dringt Peking over het algemeen aan op korte termijnen en hoge risicopremies, want dat brengt meer op. Om zich te beschermen tegen wanbetaling gaan de kredietovereenkomsten van de Volksrepubliek gepaard met een omvangrijk pakket aan rechten, zoals bijvoorbeeld de toegang tot voedingsmiddelen, grondstoffen of de inkomsten van staatsbedrijven in de landen die de kredieten ontvangen. Af en toe sluist Peking het geld rechtstreeks door naar de Chinese ondernemingen die luchthavens, havens of stuwdammen bouwen. Zo ontstaat een gesloten financiële cyclus, waar geen buitenlandse rekeningen aan te pas komen. Bovendien is meer dan 75 procent van de rechtstreekse ontwikkelingskredieten die de voorbije jaren verstrekt zijn, afkomstig van twee staatsgebonden financiële instellingen: de Export-Import Bank of China en de China Development Bank. Daardoor is de regering in Peking altijd op de hoogte van elke fase van haar kredietprojecten. En dat vergroot ook de kans om bij een crisis toegang te krijgen tot de onderpanden van het ontvangende land, voor andere schuldeisers aan bod komen. China heeft een nieuwe vorm van ontwikkelingshulp gecreëerd, staat in het onderzoek, waarbij de "staat als geldschieter leningen verstrekt onder commerciële voorwaarden". Dat leidt soms tot akelige conflicten, wanneer projecten niet verlopen zoals gepland was. In Sri Lanka heeft China bijvoorbeeld een haven overgenomen, nadat de overheid de rente op de vroegere schulden van het land niet kon betalen. In Ecuador heeft Peking zich verzekerd van 80 procent van de olie-inkomsten om de kosten van een reusachtig stuwdamproject te compenseren. In Zambia, dat de Chinezen naar schatting 6 miljard dollar verschuldigd is, vrezen tegenstanders van het bewind dat Peking de energieleverancier Zesco, die staatseigendom is, wil overnemen. Ook in Zuid-Afrika neemt de angst toe. De nieuwe president Cyril Ramaphosa zou in de herfst van vorig jaar bij een staatsbezoek aan Peking over leningen en subsidies met een waarde van 370 miljard rand (zo'n 24 miljard euro) onderhandeld hebben. De oppositiepartij Democratic Alliance vreest dat Zuid-Afrika in een schuldenval zal belanden en dat Peking de in verval geraakte elektriciteitsmonopolist Eskom, die in handen is van de staat, kan overnemen. "We dragen de bezittingen van ons land niet over aan andere landen", verzekert het staatshoofd Ramaphosa. En met die andere landen bedoelt hij er eigenlijk maar één: China. Dat de Volksrepubliek op dit moment op veel plaatsen een boeman wordt, zoals vroeger het IMF of de VS, is de regeringen in het Westen niet ontgaan en het stemt hen niet ontevreden. Maar ze vinden het wel zeer bedenkelijk dat de Volksrepubliek de omvang van haar leningen aan de derde wereld systematisch probeert te verhullen. Hoe groot de verwarring geworden is, kan in detail bestudeerd worden in het Duits-Amerikaanse onderzoek. Daaruit blijkt dat veel betalingen uit Peking weggemoffeld worden, omdat ze rechtstreeks bij staatsbedrijven in de ontvangende landen terechtkomen. Die balansen worden echter vaak niet opgenomen in de officiële financiële statistieken. Daardoor zijn de ontwikkelingskredieten van Peking grotendeels niet bekend bij de regeringen in het Westen of bij financiële organisaties. Alles bij elkaar liggen de externe activa van China zo'n 50 procent hoger dan uit de officiële statistieken blijkt, hebben de onderzoekers vastgesteld. De discrepantie is vooral bijzonder groot in die landen die zich sowieso diep in de schulden hebben gewerkt. Zo heeft bijvoorbeeld Ivoorkust zo'n 4 miljard dollar meer schulden dan algemeen bekend is. In Angola bedraagt het verschil 14 miljard dollar, in Venezuela gaat het om 33 miljard dollar. En omdat de regering in Peking door de band genomen hoge rentetarieven aanrekent, krijgen volgens de studie veel groei-economieën en ontwikkelingslanden te kampen met "een stijgende schulddelging". Ze moeten dus steeds hogere rentetarieven en termijnen afbetalen, en daardoor vergroot ook het gevaar dat ze die op een bepaald moment niet meer kunnen betalen. Het is dan ook geen wonder dat de situatie bij de auteurs van het onderzoek herinneringen oproept aan de late jaren zeventig. In die periode hadden grote banken uit de VS, Europa en Japen leningen van ettelijke miljarden uitgeschreven aan landen in Latijns-Amerika en Afrika met veel grondstoffen, vaak tegen hoge rentevoeten en buiten het wakende oog van internationale toezichthouders. Toen de prijzen van verscheidene bodemrijkdommen instortten, konden landen zoals Mexico hun leningen niet meer aflossen. Grote delen van de derde wereld zijn daardoor in een schuldencrisis beland die jarenlang hun vooruitgang belemmerde. Tegenwoordig is de situatie niet veel veranderd. Opnieuw hebben veel ontwikkelingslanden zware leningen afgesloten. En als de verborgen geldstromen van China daarbij opgeteld worden, zijn de schuldenbergen op veel plaatsen alweer zo hoog als in de jaren tachtig. De auteurs schrijven dat de "gelijkenissen opvallend groot" zijn. Er zijn nu al enkele signalen die in de richting van een crisis wijzen. Pakistan moest onlangs een noodlening aanvragen bij het IMF, nadat het door de hoge schulden bij China zijn rekeningen niet meer kon betalen. In Sierra Leone heeft de overheid de aanleg stilgelegd van een luchthaven die Peking wou financieren. En IMF-directeur Christine Lagarde laat zelden een kans voorbijgaan om het in een van haar toespraken op de gevaren voor de wereldwijde financiële stabiliteit te wijzen. Maar er wordt hoegenaamd nog geen punt gezet achter de Chinese kredietstroom. De economische voordelen zijn te groot en Peking slaat te veel politieke munt uit de geldstromen, bijvoorbeeld in Afrika. Terwijl dat werelddeel in Washington, Londen en Berlijn jarenlang vooral gezien werd als een rampzalig continent, zag Peking er een regio met potentieel voor de toekomst in. Intussen zouden zo'n anderhalf miljoen Chinezen in Afrika leven en werken: ondernemers, IT-specialisten, technici, handelaars. Ze hebben met een indrukwekkende snelheid de infrastructuur verder uitgebouwd: zo kreeg Afrika meer stuwdammen, luchthavens, spoorwegen en industrieparken. In ruil kon China minerale grondstoffen vrijwaren en de Afrikaanse economie veroveren. Peking heeft precies geleverd wat Afrika nodig heeft, zegt de Rwandese president Paul Kagame. Hij maakt deel uit van een groeiend aantal Afrikaanse alleenheersers die in hun eigen land het Chinese succesmodel van een ontwikkelingsdictatuur overgenomen hebben, niet zelden met de steun van vele burgers. Volgens een enquête van Afrobarometer in 36 Afrikaanse landen beschouwde 63 procent van de ondervraagden de inzet van de Chinezen als een positieve zaak. Afrikaanse heersers geven ook de voorkeur aan een samenwerking met China omdat er geen morele voorwaarden aan verbonden zijn, zoals de westerse regeringen op zijn minst toch op papier vermeld willen zien. De Chinezen maken zich niet druk om mensenrechten en democratische principes, om milieubescherming of een minimum aan eerlijke arbeidsvoorwaarden. En ze hebben weinig scrupules als het om het omkopen van politici gaat. Toch gaan nu ook in Afrika steeds meer stemmen op die ervoor waarschuwen dat de schuldenlast te groot is. Niet alleen omdat veel projecten niet rendabel blijken te zijn, maar ook omdat China zijn invloed systematisch geminimaliseerd heeft. Terwijl de officiële statistieken Peking vaak slechts kleine kredietbedragen toeschrijven, liggen de reële cijfers veel hoger, zoals de studie uit Kiel en Harvard aantoont. Het kleine land Djibouti staat bijvoorbeeld met bijna 70 procent van zijn economische productie in het krijt bij China. In de Democratische Republiek Congo is dat bijna 30 procent en in Kenia meer dan 15 procent. Dat is een veelvoud van de bedragen die zulke landen de westerse regeringen verschuldigd zijn. Voorlopig zal er niets veranderen aan die afhankelijkheid. "Verscheidene Chinese projecten waren voordelig en nuttig voor de ontvangende landen", zegt schuldonderzoeker Trebesch. En Afrika heeft dringend behoefte aan moderne infrastructuur. Bovendien hebben enkele recente Amerikaanse onderzoeken een milder beeld geschetst van de Chinese ontwikkelingskredieten. Deborah Bräutigam, een econome aan de Johns Hopkins-universiteit in Baltimore, ontdekte dat van de zeventien Afrikaanse landen die met een schuldencrisis kampen, er slechts drie een lening van Peking ontvangen hadden. En het onderzoeksbureau Rhodium Group bevestigde dat de Chinese regering bereid is bij te leren. Als iets fout loopt, ontdekte het bureau bij de doorlichting van veertig projecten, stelt Peking zich met termijnen en terugbetalingsbedragen bijzonder inschikkelijk op tegenover de debiteuren. Die regelmatig voorkomende kortingen wijzen er echter ook op dat de voorwaarden van China van meet af overdreven strikt waren. En van een ordelijke procedure, waarbij Peking informatie verstrekt over de omvang en de voorwaarden van zijn leningen, is nog altijd geen sprake. Daarom ook is de belangrijkste eis van Trebesch dat China eindelijk meer duidelijkheid moet scheppen over zijn financiële betrekkingen met de derde wereld. Enerzijds zouden daardoor de economische en de politieke gevolgen van de leningen transparanter worden, anderzijds kan zo de uitbraak van een nieuwe schuldencrisis in de ontwikkelingslanden voorkomen worden. Want die zou China ook in zijn val meesleuren.