De Chinese Communistische Partij is deze week zeventig jaar aan de macht en de wereld zal het geweten hebben. Het Tiananmenplein showt een grootse militaire parade. Dertig jaar na de bloedige onderdrukking van de democratische protestbeweging, waarvan in Hongkong de echo aanhoudt, komt in Peking nog altijd de macht uit de loop van geweren.

De Communistische Volksrepubliek China heeft het al langer uitgezongen dan de Sovjet-Unie. De reden spreekt voor zich. China is al lang geen communistisch land meer. Sinds Deng Xiaoping eind jaren zeventig heeft China stapsgewijs belangrijke kapitalistische markthervormingen doorgevoerd, in 2001 zowaar bekroond met een voorbarig lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie.

De beeltenis van roerganger Mao siert nog altijd de Poort van de Hemelse Vrede in Peking, maar wat deze week wordt gevierd, hebben de Chinezen al lang zelf begraven. Dat hebben ze goed gedaan. De meritocratische bestuursmachine die de Chinese Communistische Partij nastreeft, heeft toegezien op een gigantische economische wederopstanding van het historische Middenrijk, in schaal en snelheid ongezien in de annalen van de mensheid.

Velen zijn daarvan zo onder de indruk dat ze in China de dominante wereldmacht van de toekomst zien. Met een bevolking van 1,4 miljard lijkt dat slechts een kwestie van tijd. Maar het kan ook anders lopen. Het verlichte Chinese communisme heeft gepresteerd, maar dat was ook niet moeilijk. Vertrekkend van een economische woestenij had het land alles nodig, in het bijzonder alle mogelijke infrastructuur. Daarenboven konden de Chinezen profiteren van buitenlands kapitaal en buitenlandse kennis. Ze moesten maar plannen en uitvoeren.

Het Westen kan China de baas.

China heeft gesurft op het westerse kapitalisme om met dirigisme een primitieve landbouweconomie naar een moderne staat te katapulteren. Dat is gelukt, maar dat heeft ook een keerzijde. Een infrastructuureconomie betekent schulden en overcapaciteit, gefaciliteerd door banken. De schuld van China bedraagt al meer dan 300 procent van het Chinese binnenlands product. Dat is nog niet acuut problematisch, maar wel hoog voor een land dat in verhouding zes keer armer is dan de Verenigde Staten.

Zeker problematisch is de demografie. China is een eerder arm land met de demografie van een zeer rijk land. Door de fameuze eenkindpolitiek zal China oud zijn vooraleer het rijk kan zijn. China moet een georganiseerde megavergrijzing verteren zonder grote financiële reserve of uitgebouwd sociaal vangnet. De sociale ontwrichting door zovele miljoenen eenzame kinderen met vier dwepende grootouders, is niet te voorspellen.

Lenin zei dat kapitalisten de koord zouden verkopen waarmee de communisten hen gingen ophangen. China heeft de kapitalisten touwen laten maken om hen ermee te verknechten. Het is groot geworden door buitenlandse bedrijven en hun kennis naar China te lokken en er te strikken. Dat verhaal loopt nu ten einde, niet zonder dank aan de bulldozer in het Witte Huis. China wil de waardeketen opklimmen om industrieel kampioen te worden. Het doet er alles aan om kampioenenbedrijven in het zadel te tillen, ook in moderne technologische sectoren.

Maar dat zal niet volstaan om het Westen te kloppen. Welvaart hangt af van vernieuwing. Huawei mag dan al vooroplopen in de vijfde generatie mobiele technologie, maar bepalend zal zijn wie de doorbraaktechnologie van het post-mobiele tijdperk vindt en commercialiseert. Vernieuwen vergt een biotoop: gezonde politieke instellingen, open samenlevingen, vrije markten en het vermogen tot experimenteren en ondernemen. Dat staat haaks op de controlesamenleving en de planeconomie China.

Vrijheid is lastig en morsig, maar klopt op lange termijn planning en controle. Aan ons om ervoor te zorgen dat die lange termijn niet te lang duurt. Daarin kunnen we een dosis Chinees goed bestuur goed gebruiken.