Voor zo'n Robin Hood-beleid valt iets te zeggen. Een aantal energieleveranciers maakt woekerwinsten in deze oorlogssituatie. De prijsvorming op de energiemarkten zit zodanig in elkaar dat de prijs wordt bepaald door de laatste kilowattuur elektriciteit of het laatste vat ruwe olie dat je nodig hebt om vraag en aanbod in evenwicht te brengen. In tijden van schaarste levert dat een prijs op die goedkopere leveranciers toelaat om vette winsten te verdienen, zonder dat ze daar zelf veel verdienste aan hebben. De overheid heeft dus argumenten om dit surplus af te romen en te herverdelen.

Toch moet je uitkijken dat de remedie niet erger wordt dan de kwaal. Het fundamentele probleem op de energiemarkt is een te hoge vraag voor een te laag aanbod. De hoge aardgasprijzen zijn een gevolg van een krap aanbod als gevolg van de oorlog in Oekraïne. De relatief hoge olieprijzen zijn het resultaat van een krappe markt na jaren van relatief lage investeringen in nieuwe productiecapaciteit. Het Westen heeft vanuit klimaatoverwegingen terecht een banvloek over fossiele energie uitgesproken, maar vergat de vraag naar energie in overeenstemming te brengen met dit beleid. Het aanbod van hernieuwbare energie is nog te klein om de meubelen te redden. Europa kampt op de koop toe door de grote uitval van de Franse kerncentrales ook met een tekort aan productiecapaciteit voor elektriciteit. Dit aangetaste energieaanbod versterk je niet door het verder te belasten of door prijsplafonds op de markt te introduceren. Dit beleid dreigt het aanbod zelfs verder aan te tasten, met als resultaat nog hogere prijzen of nog hogere tekorten.

Prijsplafond bovenop belastingen

Voor een herstel van de bevoorradingszekerheid tegen betaalbare prijzen is het laten spelen van het prijssignaal een veel beter alternatief dan een stiefmoederlijke behandeling van het aanbod. Consumenten moeten zien en voelen dat de prijs voor aardgas en elektriciteit door het dak gegaan is, zodat ze hun verbruik aanpassen. Uiteraard moeten de kwetsbare gezinnen geholpen worden, maar dan liefst met een inkomenssteun, zodat de prikkel blijft bestaan om de verwarming wat lager te zetten. Btw-verlagingen, sociale tarieven en andere kortingen op de energiefactuur subsidiëren het energieverbruik en dus de oorlogskas van Vladimir Poetin.

Het Robin Hood-beleid van Tinne Van der Straeten is niet zonder risico.

Laat het prijssignaal ook langs de aanbodkant aan het werk. Welk signaal geef je aan investeerders als in de goede tijden de overwinsten royaal worden afgeroomd, terwijl in slechte tijden de verliezen volledig voor rekening van de producent blijven? Bevorderlijk voor nieuwe investeringen is zo'n beleid niet, terwijl je elke euro investeringen in groene stroom heel goed kan gebruiken. Vooral in de elektriciteitssector gaat Tinne Van der Straeten ver in het afromen van de overwinsten. Producenten zouden maximaal 130 euro per megawattuur mogen krijgen, terwijl Europa de lat legt op 180 euro per megawattuur. De producenten van hernieuwbare energie krijgen met die 130 euro per megawattuur nog een faire prijs, maar er wordt hen geen extraatje gegund. De producenten van kernenergie, in hoofdzaak Engie Electrabel, verdienen wél nog een stevige boterham, maar deze overwinsten worden al deels belast door een web van conventies dat de overheid de voorbije jaren sloot met Engie Electrabel. Als de overheid daar een prijsplafond bovenop legt, is dat niet bevorderlijk voor de onderhandelingen over het langer openhouden van Doel 4 en Tihange 3.

Bevoorradingszekerheid

Het valt ook af te wachten hoeveel deze overwinstbelastingen uiteindelijk zullen opbrengen. De grootste overwinsten vloeien naar de buitenlandse leveranciers van fossiele brandstoffen, zoals Rusland, Noorwegen of Qatar, of de grote oliemaatschappijen als Total of Shell, die vette cashflows verdienen aan de huidige hoge prijzen. Die winsten liggen grotendeels buiten het bereik van de Belgische overheid. Zelf de energievraag verminderen en investeren in eigen hernieuwbare energie is het beste antwoord. Wel kan je van de oliemaatschappijen een solidariteitsbijdrage vragen die ze niet mogen doorrekenen in de prijzen, zoals de anderhalve cent die Tinne Van der Straeten vraagt op een liter brandstof. En van landen als Noorwegen kan je terecht vragen om gedeeltelijk af te zien van hun woekerwinst door Europa een korting te gunnen op de marktprijs voor aardgas.

Andere ingrepen zijn niet zonder risico. De installatie van een prijsplafond, zoals België dit wil, kan ten koste gaan van de bevoorradingszekerheid in een aantal Europese landen. De lng-schepen dreigen Europa voorbij te varen als we onder de marktprijs bieden. Kortom, het afromen van de overwinsten om de consument te helpen is verdedigbaar, maar dit beleid ondersteunt de vraag en dreigt het aanbod te verminderen, terwijl je in de huidige omstandigheden net het omgekeerde moet doen.

Voor zo'n Robin Hood-beleid valt iets te zeggen. Een aantal energieleveranciers maakt woekerwinsten in deze oorlogssituatie. De prijsvorming op de energiemarkten zit zodanig in elkaar dat de prijs wordt bepaald door de laatste kilowattuur elektriciteit of het laatste vat ruwe olie dat je nodig hebt om vraag en aanbod in evenwicht te brengen. In tijden van schaarste levert dat een prijs op die goedkopere leveranciers toelaat om vette winsten te verdienen, zonder dat ze daar zelf veel verdienste aan hebben. De overheid heeft dus argumenten om dit surplus af te romen en te herverdelen.Toch moet je uitkijken dat de remedie niet erger wordt dan de kwaal. Het fundamentele probleem op de energiemarkt is een te hoge vraag voor een te laag aanbod. De hoge aardgasprijzen zijn een gevolg van een krap aanbod als gevolg van de oorlog in Oekraïne. De relatief hoge olieprijzen zijn het resultaat van een krappe markt na jaren van relatief lage investeringen in nieuwe productiecapaciteit. Het Westen heeft vanuit klimaatoverwegingen terecht een banvloek over fossiele energie uitgesproken, maar vergat de vraag naar energie in overeenstemming te brengen met dit beleid. Het aanbod van hernieuwbare energie is nog te klein om de meubelen te redden. Europa kampt op de koop toe door de grote uitval van de Franse kerncentrales ook met een tekort aan productiecapaciteit voor elektriciteit. Dit aangetaste energieaanbod versterk je niet door het verder te belasten of door prijsplafonds op de markt te introduceren. Dit beleid dreigt het aanbod zelfs verder aan te tasten, met als resultaat nog hogere prijzen of nog hogere tekorten.Voor een herstel van de bevoorradingszekerheid tegen betaalbare prijzen is het laten spelen van het prijssignaal een veel beter alternatief dan een stiefmoederlijke behandeling van het aanbod. Consumenten moeten zien en voelen dat de prijs voor aardgas en elektriciteit door het dak gegaan is, zodat ze hun verbruik aanpassen. Uiteraard moeten de kwetsbare gezinnen geholpen worden, maar dan liefst met een inkomenssteun, zodat de prikkel blijft bestaan om de verwarming wat lager te zetten. Btw-verlagingen, sociale tarieven en andere kortingen op de energiefactuur subsidiëren het energieverbruik en dus de oorlogskas van Vladimir Poetin.Laat het prijssignaal ook langs de aanbodkant aan het werk. Welk signaal geef je aan investeerders als in de goede tijden de overwinsten royaal worden afgeroomd, terwijl in slechte tijden de verliezen volledig voor rekening van de producent blijven? Bevorderlijk voor nieuwe investeringen is zo'n beleid niet, terwijl je elke euro investeringen in groene stroom heel goed kan gebruiken. Vooral in de elektriciteitssector gaat Tinne Van der Straeten ver in het afromen van de overwinsten. Producenten zouden maximaal 130 euro per megawattuur mogen krijgen, terwijl Europa de lat legt op 180 euro per megawattuur. De producenten van hernieuwbare energie krijgen met die 130 euro per megawattuur nog een faire prijs, maar er wordt hen geen extraatje gegund. De producenten van kernenergie, in hoofdzaak Engie Electrabel, verdienen wél nog een stevige boterham, maar deze overwinsten worden al deels belast door een web van conventies dat de overheid de voorbije jaren sloot met Engie Electrabel. Als de overheid daar een prijsplafond bovenop legt, is dat niet bevorderlijk voor de onderhandelingen over het langer openhouden van Doel 4 en Tihange 3.Het valt ook af te wachten hoeveel deze overwinstbelastingen uiteindelijk zullen opbrengen. De grootste overwinsten vloeien naar de buitenlandse leveranciers van fossiele brandstoffen, zoals Rusland, Noorwegen of Qatar, of de grote oliemaatschappijen als Total of Shell, die vette cashflows verdienen aan de huidige hoge prijzen. Die winsten liggen grotendeels buiten het bereik van de Belgische overheid. Zelf de energievraag verminderen en investeren in eigen hernieuwbare energie is het beste antwoord. Wel kan je van de oliemaatschappijen een solidariteitsbijdrage vragen die ze niet mogen doorrekenen in de prijzen, zoals de anderhalve cent die Tinne Van der Straeten vraagt op een liter brandstof. En van landen als Noorwegen kan je terecht vragen om gedeeltelijk af te zien van hun woekerwinst door Europa een korting te gunnen op de marktprijs voor aardgas.Andere ingrepen zijn niet zonder risico. De installatie van een prijsplafond, zoals België dit wil, kan ten koste gaan van de bevoorradingszekerheid in een aantal Europese landen. De lng-schepen dreigen Europa voorbij te varen als we onder de marktprijs bieden. Kortom, het afromen van de overwinsten om de consument te helpen is verdedigbaar, maar dit beleid ondersteunt de vraag en dreigt het aanbod te verminderen, terwijl je in de huidige omstandigheden net het omgekeerde moet doen.