De G20, je zou ze geld geven om eindelijk eens een platte prijs te rijden. De groep van twintig grote landen bewijst als geen ander lippendienst aan het grotere doel van een gezonde wereldeconomie, maar vervolgens doet iedereen zijn zin en verdedigt de eigen nationale belangen. Het was afgelopen weekend niet anders op de G20-bijeenkomst van ministers van Financiën en centrale bankiers in Peking. De Amerikanen verkrappen langzaam maar zeker hun geldbeleid, tot wanhoop van de rest. Europa en Japan durven het fiscale gaspedaal niet in te duwen, tot ergernis van de rest. En de Chinezen zeggen dat ze weten wat ze doen, tot grote twijfel van de rest. De holle retoriek na zo'n topbijeenkomst verhult al lang niet meer de onderlinge verdeeldheid en machteloosheid. We mogen al blij zijn dat de economische grootmachten elkaar de wisselkoersoorlog niet verklaren. Toch niet officieel, want in de praktijk proberen ze elkaar vliegen af te vangen door hun munt lager te duwen. Het eurogebied en Jap...

De G20, je zou ze geld geven om eindelijk eens een platte prijs te rijden. De groep van twintig grote landen bewijst als geen ander lippendienst aan het grotere doel van een gezonde wereldeconomie, maar vervolgens doet iedereen zijn zin en verdedigt de eigen nationale belangen. Het was afgelopen weekend niet anders op de G20-bijeenkomst van ministers van Financiën en centrale bankiers in Peking. De Amerikanen verkrappen langzaam maar zeker hun geldbeleid, tot wanhoop van de rest. Europa en Japan durven het fiscale gaspedaal niet in te duwen, tot ergernis van de rest. En de Chinezen zeggen dat ze weten wat ze doen, tot grote twijfel van de rest. De holle retoriek na zo'n topbijeenkomst verhult al lang niet meer de onderlinge verdeeldheid en machteloosheid. We mogen al blij zijn dat de economische grootmachten elkaar de wisselkoersoorlog niet verklaren. Toch niet officieel, want in de praktijk proberen ze elkaar vliegen af te vangen door hun munt lager te duwen. Het eurogebied en Japan zijn daarbij zelfs niet vies van negatieve rentevoeten. Toch begint het overal te dagen dat de centrale banken zo goed als uitgespeeld zijn. Naast het obligate pleidooi voor structurele maatregelen, die bijna niemand neemt, groeit daarom het besef dat een losser fiscaal beleid een must wordt om de wereldeconomie een doorstart te geven. De diagnose dat de wereldeconomie kampt met een vraagtekort, wint veld bij beleidsmakers, net zoals de remedie dat de overheid dat tekort kan opvullen, bij voorkeur via met overheidsschuld gefinancierde investeringen in publieke infrastructuur. Maar niemand durft, wil of kan de kop nemen. Europa houdt vast aan een minimum van fiscale discipline. Vooral Duitsland, het land met de grootste fiscale slagkracht, veegt de fiscale piste van tafel. Van de Verenigde Staten valt voor de presidentsverkiezingen niet veel actie te verwachten. In het Verenigd Koninkrijk staan verdere besparingen op het programma, en Japan denkt aan een btw-verhoging. Blijft over: China. Maar dat land zal zijn fiscale ruimte nodig hebben om zijn interne schuldpuinhoop op te ruimen.Als niemand zijn deel van het kopwerk doet, gaat de vaart eruit. Dat heeft de wereld al een pak welvaart gekost. De verdeelde G20 wint daarom zelden de koers. Onder de wereldleiders is er geen Greg Van Avermaet, die royaal in de inspanning is en daar finaal ook voor beloond wordt. Een minimum aan gecoördineerde actie mag nochtans. 2016 wordt nog maar eens een relatief mager jaar voor de wereldeconomie. De groei blijft hangen op het laagste peil in vijf jaar, terwijl de wereldwijde schuldenlast vervaarlijk stijgt. Of, om het nog maar eens in wielertermen te zeggen, het tempo vertraagt, de verzuring van de benen neemt toe en de monetaire doping raakt uitgewerkt. Ook in het monetaire beleid wordt het peloton uit elkaar geslagen. Hier is er met de Verenigde Staten één mondiale toprenner die weinig andere keuze heeft dan te demarreren. De sterkste van het peloton dreigt zo een pak mindere goden in de vernieling te rijden. De betere conditie van de Amerikaanse economie verplicht de Amerikaanse centrale bank, de Fed, de gelddoping terug te schroeven, en het monetaire beleid langzaam maar zeker krapper te maken. Dat beleid vertaalt zich al langer in een sterkere dollar. De voorbije vijf jaar is de handelsgewogen wisselkoers van de dollar met liefst 25 procent gestegen. Voor de wereldeconomie is die sterkere dollar een stevige schok. De dollar blijft de belangrijkste reserve- en betaalmunt van de wereld, met als gevolg dat een strakker geldbeleid in de Verenigde Staten en ook een strakker geldbeleid voor de wereld betekent. Dat is een tempoversnelling die vooral de ontluikende markten pijn doet. Moet Fed-voorzitter Janet Yellen doorfietsen of wachten op de rest? Yellen liet weten dat ze de wereld het grootste plezier doet door het gepaste beleid voor de Amerikaanse economie te voeren. Dat betekent dus dat ze zal doorfietsen. Ze moet ook, want de werkgelegenheidsgraad trekt aan, de Amerikaanse lonen zitten eindelijk in de lift, en zonder rekening te houden met de forse daling van de olieprijs, is de inflatie in de Verenigde Staten opgelopen tot boven 2 procent. Er ontwikkelt zich onderhuids dus duidelijk een inflatoire druk in de Verenigde Staten, die Janet Yellen niet kan negeren, en die niet onopgemerkt zal blijven op de financiële markten. Sommige economen denken dat de vertraging in de Amerikaanse industrie ook de dienstensector zal besmetten, en zal verzweren tot een recessie die de ontluikende inflatie in de kiem zal smoren. Maar andere economen zien de Amerikaanse economie nog in goede conditie, precies omdat de inkomens pas nu vaart winnen. Yellen fietst daarom het beste door. De voorbije dertig jaar hebben uitvoerig aangetoond dat een te soepel geldbeleid over een te lange periode altijd in tranen eindigt. Het wordt dus nog een spannende koers op het mondiale toneel, met een grote kans op valpartijen.