Al sinds 2010 bestudeert filosoof en publicist Hans Schnitzler de invloed van digitalisering en sociale media op onze wereld. In eerdere boeken ging het vaak over de "systeemkant": hoe de industrie data verzamelt en daar verdienmodellen aan koppelt en hoe de "cheerleaders van Silicon Valley" ons bedwelmen. Schnitzler heeft zeker de indruk dat het bewustzijn over de keerzijde van de digitalisering is toegenomen, ook al door nieuwe onthullingen over bijvoorbeeld de praktijken van Facebook. "Toen in 2015 mijn eerste boek verscheen en ik begon te praten over het feit dat techniek niet neutraal is, kreeg ik vooral wazige blikken. Als ik het daar nu over heb, weet iedereen wat ik bedoel. Dat is dus zeker winst", aldus Schnitzler.
...

Al sinds 2010 bestudeert filosoof en publicist Hans Schnitzler de invloed van digitalisering en sociale media op onze wereld. In eerdere boeken ging het vaak over de "systeemkant": hoe de industrie data verzamelt en daar verdienmodellen aan koppelt en hoe de "cheerleaders van Silicon Valley" ons bedwelmen. Schnitzler heeft zeker de indruk dat het bewustzijn over de keerzijde van de digitalisering is toegenomen, ook al door nieuwe onthullingen over bijvoorbeeld de praktijken van Facebook. "Toen in 2015 mijn eerste boek verscheen en ik begon te praten over het feit dat techniek niet neutraal is, kreeg ik vooral wazige blikken. Als ik het daar nu over heb, weet iedereen wat ik bedoel. Dat is dus zeker winst", aldus Schnitzler. Alleen blijkt het nog niet zo eenvoudig om ons handelen, onze ethiek of onze moraliteit af te stemmen op dat besef. "Ik begon me steeds meer af te vragen: blijkbaar zit er iets in ons waardoor wij deze werkelijkheid graag willen, waardoor we ons in dit digitale maatpak laten naaien", zegt Schnitzler. "We weten dat het echt wel knelt hier en daar, maar toch gaan we ermee door. Dus ik voelde erg de noodzaak om die sociale, maatschappelijke kant te belichten, vanuit de gebruiker zelf. Wat maakt dat de verleiding zo groot is voor ons? In welke mentale staat bevinden we ons dat we bepaalde van die technieken accepteren en gebruiken?" We hebben in vrij korte tijd ons leven vastgehaakt aan veel van die technologie. Het is niet gemakkelijk je daaraan te onttrekken, want dan plaats je jezelf soms buitenspel, zowel sociaal als economisch. HANS SCHNITZLER. "Dat is waar. We kunnen er ons niet aan onttrekken, maar dat hoeft ook niet. Waar het mij om gaat, is dat we een juiste verhouding weten te vinden tot die schermwerkelijkheid, zonder dat we er helemaal in worden opgenomen. Daarom doe ik vaak een experiment met mijn studenten, de digitale detox, waarin ze een week geen digitale media gebruiken. Dat is een goede manier om allerlei kritische vragen boven te halen, en vooral om te onderzoeken of die technologie ten dienste staat van jou, of omgekeerd. En dan moet je vervolgens de vraag stellen: hoe stel ik mijn handelen daarop af?" Dat tweede deel lijkt vaak niet mee te vallen. SCHNITZLER. "Dat is inderdaad een lastige stap. Ik vergelijk het vaak met de klimaatproblematiek. Digitalisering is ook zo'n meta-object: we voelen niet echt wat het doet. Dus is het lastig je handelen daar op een verantwoordelijke manier op af te stemmen. Maar tegelijk denk ik dat er nog een andere manier mogelijk is om ons te verhouden tot die technologie, anders zou ik mijn pen wel aan de wilgen hangen." SCHNITZLER. "Dat laatste is een terechte zorg. Direct na de detox verandert bij 80 tot 90 procent van de studenten wel iets. Ze gooien bepaalde apps van hun smartphone, zetten notificaties uit. Een enkeling schakelt zelfs over op een ouderwets mobieltje. Het is interessant om te zien dat een groot aantal studenten er een soort zekerheid aan ontleent. Ze ontdekken dat ze ook zonder smartphone kunnen navigeren, dat ze spontaan vrienden kunnen bezoeken, dat de gesprekken die ze voeren meer diepgang hebben, dat ze zich anders verhouden tot hun fysieke omgeving. Er vielen hen meer dingen op. En over de hele linie waren ze uitgeruster, omdat hun slaap veel beter was. En het allerbelangrijkste was dat ze allemaal merkten hoe hun aandachts- en concentratievermogen in een paar dagen sprongsgewijs toenam. Dat was een openbaring voor iedereen. "Je ziet bij de meesten dus wel een verandering, maar na een tijd vallen ze terug in hun oude patroon. En dat is op zich niet zo gek, we hebben die patronen door herhaling aangeleerd, en zo moet je ze ook weer afleren. Als je zo'n patroon wilt verbreken, moet je zo'n detox-oefening dus af en toe herhalen. Het is een beetje als stoppen met roken, dat lukt vaak ook pas na meerdere pogingen." SCHNITZLER. "Zeker, dat durf ik wel te doen. En niet omdat ik zou willen dat we in digitale geheelonthouders veranderen, maar omdat ik meen te zien dat bijna iedereen worstelt met zijn schermgebruik. Je moet niet vergeten: de smartphone is pas op de markt sinds 2007. Dat betekent dat we in vijftien jaar tijd massaal iets hebben omarmd wat onze gerichtheid op de wereld ingrijpend heeft veranderd en hoe we met elkaar communiceren. Sommigen zijn nu vier tot vijf uur per dag bezig met die smartphone, dan is het goed daar even bij stil te staan, om te kijken of dat nog wel dienstbaar is. En dat is voor iedereen anders. "Maar juist door er even radicaal uit te stappen kunnen er bepaalde inzichten komen. Woorden als 'infobesitas', 'socialemediastress', 'twitteritis', 'hyperactiviteit', het zijn allemaal termen die ons laten zien dat er iets met ons vermogen tot aandacht aan de hand is, zodat het goed is daar even bij stil te staan. Mijn zorg is dat er een soort gevecht bezig is om onze aandacht, en dat die aandacht door de internetindustrie steeds meer versnipperd raakt. Daarom kan het zeker geen kwaad periodiek even stil te staan bij dit fenomeen door er afstand van te nemen." SCHNITZLER. "Precies. Die traditie van onthouding is diepgeworteld. En niet voor niets, omdat je daarmee ook een soort bezinning aan het werk zet. Maar het hoeft ook niet altijd zo radicaal. Je kunt ook leren je tijd beter in te delen. Door bijvoorbeeld een of twee keer per dag een uurtje de mail en sociale media te checken, en de rest van de dag niet. Onderzoek wijst uit dat als je met iets bezig bent en je tussendoor toch je mail of Twitter gaat checken, het dan gemiddeld een kwartier kost om je concentratie te herwinnen. Ik denk dat het ons een stuk effectiever maakt als we onze tijd goed indelen. We hebben het vaak over mediawijsheid, digitale geletterdheid en 21st century skills. Dat is allemaal belangrijk, maar ik denk dat de belangrijkste vaardigheid misschien wel aandachtsmanagement is. Wanneer je in staat bent zelf te bepalen waar je je aandacht aan besteedt en hoe, heeft dat een meerwaarde voor je effectiviteit en je mentale gezondheid." SCHNITZLER. "De innovatiekracht van de techindustrie is zo groot, dat de veranderingen over ons worden uitgestort zonder dat we tijd en ruimte hebben om die op een betekenisvolle manier in het maatschappelijke weefsel in te bedden. Onze sociale en psychologische inborst holt achter de techniekfeiten aan. Günther Anders schreef ooit dat de mens een antiek meubelstuk is in een modern ingerichte kamer. Dat vind ik een heel treffende metafoor. En ik denk dat die metafoor nu nog meer past, omdat de snelheid waarmee nieuwe innovaties ons overspoelen immens is. We hobbelen erachteraan, we omarmen ze, en tegelijk zie je dat we overspoeld raken, overprikkeld, met burn-outverschijnselen die niet alleen met die technologie te maken hebben, maar wel in samenhang moeten worden gezien met een enorme stroom aan informatie en communicatie die we dag in dag uit moeten zien te verwerken." SCHNITZLER. "Deels omdat het onze communicatie toch makkelijker maakt, en onze zucht naar erkenning bevredigt. Iedere like is een klopje op onze schouder, het beloningscentrum dat wordt geactiveerd. En het heeft ook te maken met een diepgeworteld geloof in vooruitgang, en een gelijkstelling van technologische innovatie aan vooruitgang. Dat technopositivistische denken zit diep in ons, al sinds de Verlichting, maar helemaal sinds de Industriële Revolutie. Het kende wel even een inzinking na de Eerste, en zeker na de Tweede Wereldoorlog, toen we de keerzijde zagen van de inzet van technologie, maar uiteindelijk identificeren we technologie nog altijd met vooruitgang. En niemand wil tegen vooruitgang zijn, want dat is per definitie iets positiefs. Terwijl ik denk dat daar een denkfout zit. Want is vooruitgang op het gebied van wetenschap of technologie ook vooruitgang op het gebied van rede, van politiek, van ethiek? Dat is heel relatief. Het idee van technologische vooruitgang wordt verabsoluteerd, en dus wordt er nogal snel veronachtzaamd dat technologie ook een januskop heeft, waar grote keerzijden aan zitten." SCHNITZLER. "Zeker dat ideaal van het transhumanisme, het idee dat we steeds meer samensmelten met onze technologieën en dat die technologieën uiteindelijk zo slim worden dat ze ons voorbijstreven, daar zit wel een problematische kant aan. Er zijn mensen die die wereld aan het bouwen zijn en die werkelijkheid aan het vormgeven zijn, maar je kunt je afvragen op basis van welke criteria zij besluiten welke technologieën onze wereld beter maken. Het zijn een soort Frankensteins geworden die nieuwe mensen bouwen en dus beslissen over welke kant een samenleving opgaat, terwijl dat bij uitstek iets is waar je als samenleving gezamenlijk een richting in bepaalt. Dat overlaten aan een paar techgiganten die vooral ook bezig zijn met de beurswaarde van hun bedrijf, is een groot punt van zorg." SCHNITZLER. "Het debat over waar we naartoe willen als mensheid, ontbreekt haast volledig. Het zou kunnen dat de abstractie van zo'n discussie al snel te groot zou worden. Politici en bestuurders zijn bezig op korte of middellange termijn, maar dit zijn vooruitzichten die veel verder gaan en vaak nog een beetje in de sciencefictionsfeer hangen. Ik denk dat het fictiegehalte zo groot is dat het voor de politiek nog een stap te ver is." SCHNITZLER. "Ik zie wel dat er in Europa veel gebeurt. In de zin van boetes uitdelen, nieuwe wetgeving, betere privacywetgeving. Europa kan een interessante positie innemen tussen het Amerikaanse model van surveillancekapitalisme enerzijds, dat heel erg op de markt is gestoeld, met het verzamelen van data en de daaraan gekoppelde verdienmodellen, en het Chinese model anderzijds, puur vanuit de overheid. Europa kan daar een tussenpositie innemen, waar je op basis van menselijke integriteit en mensenrechten een andere technologische en digitale infrastructuur uitbouwt. Dat geluid hoor ik nog te weinig, maar het is hoopgevend dat bijvoorbeeld een stad als Barcelona daar het voortouw in neemt. Als Barcelona samenwerkt met een techbedrijf, eist het dat de data in handen van de gemeente blijven. En het doet dat transparant en uitlegbaar, zodat het voor burgers duidelijk is wat er met die data gebeurt. Die uitlegbaarheid is erg belangrijk."