Wanneer het Europees recht in het geding is en daarover een uitspraak ten gronde moet worden gedaan, wordt eerst het Europees Hof van Justitie geraadpleegd. Die geeft dan een zogenaamd 'prejudicieel advies'.
...

Wanneer het Europees recht in het geding is en daarover een uitspraak ten gronde moet worden gedaan, wordt eerst het Europees Hof van Justitie geraadpleegd. Die geeft dan een zogenaamd 'prejudicieel advies'. Deze week deed het Hof zo'n uitspraak met betrekking tot een klacht van België tegen de Bulgaarse uitreiking van een E101- of A1-verklaring. Dergelijke verklaring stelt dat 'uitgeleende' werknemers volledig in orde zijn met de sociale zekerheid in hun eigen land.Het Hof oordeelde dat de nationale rechtspraak 'het socialezekerheidscertificaat buiten toepassing [kan] laten als de fraude bij de verantwoordelijke dienst is doorgegeven en die dienst niet binnen een redelijk termijn de aflevering controleert'. De instelling die het attest aflevert moet volgens het Hof in Luxemburg verplicht loyaal samenwerken en naar behoren oordelen of zij de juistheid van de verklaring kan waarborgen.Natuurlijk kan de rechter nog altijd zijn eigen overtuiging volgen, maar een gevraagd advies wordt vrijwel zonder uitzondering gevolgd. Het arrest is van groot belang, zegt zowel staatssecretaris voor fraudebestrijding Phlippe De Backer als NVA-europarlementslid Helga Stevens. De Backer: 'Oneerlijke concurrentie is schadelijk voor ondernemer, verbruiker en de burger'". Helga Stevens: "Dit arrest zorgt er voor dat de ontvangende lidstaten niet langer machteloos staan tegenover valsspelers. Het misbruik ondergraaft de interne markt".De directe aanleiding voor de klacht was de vaststelling van de Belgische sociale inspectie dat het bouwbedrijf ABSA uit Paal (Beringen) vanaf 2008 nauwelijks personeel in dienst had en de arbeid uitbesteedde aan Bulgaarse bouwvakkers. De bouwvakkers in kwestie bleken echter nooit te zijn aangegeven bij de dienst voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen. De rogatoire commissie die daarop naar Sofia werd gestuurd, constateerde daar dat de Bulgaarse partner amper activiteiten ontplooide.België vroeg in 2012 dan ook aan Bulgarije om de afgeleverde documenten met de A- verklaring opnieuw te overwegen of in te trekken. Omdat niet werd ingegaan op dat verzoek, kwam het tot een rechtsgeding. De vervolging hield drie aanklachten in. Het verlenen van arbeid aan buitenlanders die niet gerechtigd waren om langer dan drie maanden in België te verblijven of zich te vestigen zonder arbeidsvergunning. Het verzuim om een wettelijke aangifte van hun tewerkstelling te doen. En het verzuim ze aan te geven bij de sociale zekerheid.Half 2014 sprak de correctionele rechtbank van Hasselt alle beklaagden vrij, vanwege de Europese geldigheid van de documenten. Het Openbaar Ministerie ging daartegen in beroep en wees op het bedrieglijk karakter van die papieren. Het Hof van Beroep in Antwerpen legde om die reden de Europese richtlijn naast zich neer, en veroordeelde de beklaagden wel. Cassatie werd dezelfde dag ingesteld, waarop de rechter verduidelijking vroeg aan het Europees Hof van justitie, met de uitspraak van deze week tot gevolg.Het Hof oordeelt dus dat rechters, indien fraude met de A1-verklaringen is bewezen en de verantwoordelijke dienst niet binnen een redelijke termijn de documenten opnieuw in overweging neemt, het certificaat mogen negeren. België krijgt daarmee in de kwestie rond de Bulgaarse bouwvakkers over de hele lijn gelijk.