De algemene vaststelling is dat sinds covid-19 de digitalisering in het hoger onderwijs helemaal aanvaard is. Zo zegt 80 procent van de docenten dat ze een digitaal luik aan hun lessen toevoegen. Maar uit de enquête blijkt ook dat er nog werk aan de winkel is over de concrete invulling van dat digitale luik.

Zowel studenten als docenten vinden het toevoegen van 'blended studiemateriaal' , dat is een combinatie van papieren en digitaal lesmateriaal, belangrijk. Zo klaagt 71 procent van de studenten dat ze uiteindelijk het digitale lesmateriaal nog eens moeten afprinten. En dat is jammer om twee redenen: het heeft impact op hun portemonnee, maar ook op het milieu. "Het zou inderdaad beter zijn om vooraf te weten waarvan een papieren versie nodig is", zegt Nathalie Briessinck, uitgeefmanager bij Acco. "Dan kunnen we de creatiekosten drukkken en kiezen voor ecologische papiersoorten. We ondernemen wel actie om docenten ertoe aan te zetten hun leerpad vooraf goed uit te denken en te bepalen wat ze digitaal willen aanbieden. Elke powerpoint op het learning managament system (LMS) afprinten, dat kan niet de bedoeling zijn. Daarom zitten we docenten aan tafel om goed te bepalen wat ze best online zetten. Een instructiefilmpje of digitale oefeningen is in dat verband heel wat anders dan een powerpoint van de les."

Motiverend materiaal

De digitalisering in het hoger onderwijs lijkt in elk geval definitief ingezet. De uitdaging is nu vooral om motiverend materiaal online te brengen, zo gelooft Briessinck. "Bij blended learning is het belangrijk dat docenten inzetten op het maximale leereffect. Maar wij hebben als uitgever ook een rol te spelen. Studenten zoeken zich nu soms te pletter naar waar hun lesmateriaal zich juist bevindt. Daarom maken we nu het materiaal dat we aanbieden via digitale extra's, e-pubs of het handboek toegankelijk via het LMS van de universiteit of hogeschool. Of het nu gaat om Toledo, Blackboard of iets anders maakt ons niet uit."

Een opvallende paradox uit de enquête is trouwens de verschillende inschatting van de motivatie. De studenten geven zichzelf net geen onderscheiding (68 procent), maar de docenten schatten die motivatie met 59 procent toch heel wat lager in. Dat heeft er allicht mee te maken dat sinds studenten gewend zijn geraakt aan online lessen, ze minder vaak fysiek naar de les komen. Sommige docenten klagen daar behoorlijk nadrukkelijk over.

"Wij kunnen alleen maar vaststellen dat universiteiten en hogescholen oproepen om naar de les te gaan", zegt Briessinck. "Dat begrijpen we ook, want verbinding in een fysieke context kan een verschil in de motivatie maken. Studenten klagen trouwens ook dat ze zich tijdens corona erg eenzaam hebben gevoeld. Iedereen opnieuw in de aula krijgen is een uitdaging, maar die is niet wezenlijk anders dan wat er post-corona in bedrijven speelt. Daar is ook een zoektocht bezig naar een nieuw evenwicht tussen fysieke en digitale meetings. De uitdaging voor docenten is om in de lessen waar ze fysieke aanwezigheid verlangen ook te zorgen voor voldoende interactie zodat de aanwezigheid ook zinvol wordt."

De algemene vaststelling is dat sinds covid-19 de digitalisering in het hoger onderwijs helemaal aanvaard is. Zo zegt 80 procent van de docenten dat ze een digitaal luik aan hun lessen toevoegen. Maar uit de enquête blijkt ook dat er nog werk aan de winkel is over de concrete invulling van dat digitale luik. Zowel studenten als docenten vinden het toevoegen van 'blended studiemateriaal' , dat is een combinatie van papieren en digitaal lesmateriaal, belangrijk. Zo klaagt 71 procent van de studenten dat ze uiteindelijk het digitale lesmateriaal nog eens moeten afprinten. En dat is jammer om twee redenen: het heeft impact op hun portemonnee, maar ook op het milieu. "Het zou inderdaad beter zijn om vooraf te weten waarvan een papieren versie nodig is", zegt Nathalie Briessinck, uitgeefmanager bij Acco. "Dan kunnen we de creatiekosten drukkken en kiezen voor ecologische papiersoorten. We ondernemen wel actie om docenten ertoe aan te zetten hun leerpad vooraf goed uit te denken en te bepalen wat ze digitaal willen aanbieden. Elke powerpoint op het learning managament system (LMS) afprinten, dat kan niet de bedoeling zijn. Daarom zitten we docenten aan tafel om goed te bepalen wat ze best online zetten. Een instructiefilmpje of digitale oefeningen is in dat verband heel wat anders dan een powerpoint van de les."De digitalisering in het hoger onderwijs lijkt in elk geval definitief ingezet. De uitdaging is nu vooral om motiverend materiaal online te brengen, zo gelooft Briessinck. "Bij blended learning is het belangrijk dat docenten inzetten op het maximale leereffect. Maar wij hebben als uitgever ook een rol te spelen. Studenten zoeken zich nu soms te pletter naar waar hun lesmateriaal zich juist bevindt. Daarom maken we nu het materiaal dat we aanbieden via digitale extra's, e-pubs of het handboek toegankelijk via het LMS van de universiteit of hogeschool. Of het nu gaat om Toledo, Blackboard of iets anders maakt ons niet uit."Een opvallende paradox uit de enquête is trouwens de verschillende inschatting van de motivatie. De studenten geven zichzelf net geen onderscheiding (68 procent), maar de docenten schatten die motivatie met 59 procent toch heel wat lager in. Dat heeft er allicht mee te maken dat sinds studenten gewend zijn geraakt aan online lessen, ze minder vaak fysiek naar de les komen. Sommige docenten klagen daar behoorlijk nadrukkelijk over. "Wij kunnen alleen maar vaststellen dat universiteiten en hogescholen oproepen om naar de les te gaan", zegt Briessinck. "Dat begrijpen we ook, want verbinding in een fysieke context kan een verschil in de motivatie maken. Studenten klagen trouwens ook dat ze zich tijdens corona erg eenzaam hebben gevoeld. Iedereen opnieuw in de aula krijgen is een uitdaging, maar die is niet wezenlijk anders dan wat er post-corona in bedrijven speelt. Daar is ook een zoektocht bezig naar een nieuw evenwicht tussen fysieke en digitale meetings. De uitdaging voor docenten is om in de lessen waar ze fysieke aanwezigheid verlangen ook te zorgen voor voldoende interactie zodat de aanwezigheid ook zinvol wordt."