Onze bevolking veroudert zienderogen. Wereldwijd zal het aantal 60-plussers de komende dertig jaar meer dan verdubbelen tot ruim 2 miljard. In België bedroeg het aantal 65-plussers in 2015 nog 18 procent van de bevolking. In 2050 zal dat al 27 procent zijn. En terwijl enkele jaren geleden 5 procent van onze bevolking 80 jaar of ouder was, zal dat aandeel in 2050 verdubbeld zijn, voorspelt de OESO. Daarmee zit België netjes rond het gemiddelde van alle OESO-landen. Bovendien zakt het aantal geboortes per 1000 mensen almaar verder in de Europese Unie. Die zogenoemde geboortegraad bedroeg in 2015 nog 9,9, maar zal over tien jaar verder gedaald zijn tot 9,3.
...

Onze bevolking veroudert zienderogen. Wereldwijd zal het aantal 60-plussers de komende dertig jaar meer dan verdubbelen tot ruim 2 miljard. In België bedroeg het aantal 65-plussers in 2015 nog 18 procent van de bevolking. In 2050 zal dat al 27 procent zijn. En terwijl enkele jaren geleden 5 procent van onze bevolking 80 jaar of ouder was, zal dat aandeel in 2050 verdubbeld zijn, voorspelt de OESO. Daarmee zit België netjes rond het gemiddelde van alle OESO-landen. Bovendien zakt het aantal geboortes per 1000 mensen almaar verder in de Europese Unie. Die zogenoemde geboortegraad bedroeg in 2015 nog 9,9, maar zal over tien jaar verder gedaald zijn tot 9,3. De veroudering van de bevolking zorgt voor nieuwe en complexe uitdagingen in de landen die hun stelsels voor tewerkstelling en sociale zekerheid nog niet hebben aangepast aan de nieuwe realiteit. Zo zal bijvoorbeeld het aantal mensen met dementie in de EU naar alle verwachting stijgen van 10,5 miljoen enkele jaren geleden tot 13,4 miljoen in 2030 en 18,7 miljoen in 2050. De kostprijs zal navenant evolueren. Dementie alleen al kostte de Europese maatschappij 750 miljard euro in 2015, en dat wordt in 2050 liefst 1,83 biljoen euro. Maar er is meer: op een pensioenleeftijd van 65 zullen twee op de drie mensen in het Westen lijden aan twee chronische ziektes, zei Martin Seychell, de adjunct-directeur-generaal voor gezondheid van de Europese Commissie, onlangs op een forum over de zogenoemde zilveren economie in Helsinki. Het forum werd georganiseerd door Finland, de huidige voorzitter van de Europese Unie, in samenwerking met de Wereldcoalitie voor Veroudering, een netwerk van multinationals dat het beleid over de vergrijzing wil stimuleren. Nu de vrees aanwakkert dat een vergrijzingstsunami ons weldra overspoelt, rollen notoire instanties als het IMF, de Europese Commissie, de Wereldbank en de G20 (de twintig landen die vier vijfde van de wereldhandel en 90 procent van het wereldwijde bbp vertegenwoordigen) over elkaar heen om te bewijzen dat het thema al lang prominent op hun agenda staat. Zo werd de periode 2020-2030 door de Wereldgezondheidsorganisatie uitgeroepen tot het decennium van gezond ouder worden, en lieten ook de Europese Commissie en Christine Lagarde, de ontslagnemende topvrouw van het IMF, niet na te benadrukken dat hun instanties al lang werken aan een sterk vergrijzingsbeleid. Toch is de hoogdringendheid blijkbaar nog niet overal doorgedrongen. In die mate dat Japan als gastheer voor de recente vergadering van ministers van Financiën van de G20 iedereen op het hart drukte vergrijzing eindelijk als een wereldwijd risico te zien. En Japan heeft recht van spreken. Geen land ondervindt sterker de impact van een sterk vergrijzende bevolking. Veel economieën kampen met een flink krimpende werkende bevolking. In Europa zal die volgens het IMF tussen 2015 en 2055 met een vijfde dalen, wat onvermijdelijk zal wegen op de groei van het bbp. Martin Seychell van de Europese Commissie roept Europese bedrijven dan ook op zich goed voor te bereiden op de vergrijzing. "Elke onderneming zou een verouderingsstrategie moeten hebben", stelt hij. Dat mensen langer op de arbeidsmarkt moeten worden gehouden, weten we al wel, maar die notie moet ook worden omarmd door de bedrijfswereld. Zo is het Duitse Bayer, dat deel uitmaakt van de Wereldcoalitie voor Veroudering, een van de vele bedrijven die af te rekenen hebben met een snel verouderend personeelsbestand. "In Duitsland halen we mensen zeer vroeg uit het beroepsleven", zegt de CEO, Werner Baumann. "Bij Bayer bijvoorbeeld gaan mensen gemiddeld al op hun zestigste met pensioen, en dat is veel te vroeg. We moeten echt een mentale shift maken, en onze mensen langer aan de slag houden." En toch ziet niet iedereen het somber in. "60-plussers bieden een enorm potentieel", zegt Christine Lagarde, de toekomstige voorzitter van de Europese Centrale Bank. "Maar velen zullen anders werken, en andere vaardigheden nodig hebben." Al zal het lang niet overal van een leien dakje lopen. Oudere werknemers krijgen veel minder opleiding dan jongere, om voor de hand liggende redenen: hun return on investment is voor werkgevers lager, zegt Stefano Scarpetta, directeur voor tewerkstelling en sociale zaken van de landensamenwerkingsorganisatie OESO. Jonathan Cylus, senior onderzoeker bij het Europese observatorium voor gezondheidssystemen en gezondheidsbeleid, is nog een stuk optimistischer: "De zilveren tsunami bestaat volgens mij niet. Het is vooral een zaak van het juiste beleid", aldus Cylus. Hij weerlegt de alarmistische berichten over een dalende productiviteit en een excessieve toename van de gezondheidszorgkosten. "Het gaat vooral over beleidskeuzes. Landen kunnen beslissen mensen productief te houden, of ze kunnen heel reactief zijn. Het juiste beleid helpt ervoor te zorgen dat een verouderende bevolking niet automatisch leidt tot een economische en sociale ramp", aldus Cylus. Al heeft lang niet iedereen een goed oog in dat beleid, bleek op het forum over de zilveren economie in Finland. "Men mag nooit onderschatten hoe goed de beleidsmakers erin slagen er een knoeiboel van te maken", merkte Martti Hetemäki, permanent secretaris van het Finse ministerie van Financiën, fijntjes op.BegrotingDit jaar geeft België 38,6 miljard euro uit aan pensioenen. In 2023 zal dat 46,3 miljard euro zijn. In vergelijking met 2013 zullen de uitgaven zelfs met 17 miljard euro gestegen zijn. De zware prijs van de vergrijzing was lang iets van de verre toekomst, maar is nu de realiteit. De uitgaven voor gezondheidszorg volgen een soortgelijk pad: 26 miljard euro vandaag, 30,6 miljard in 2030. En daar stopt het niet. In 2040 zullen de sociale uitgaven ook 17 miljard euro hoger liggen dan vandaag, berekende de Studiecommissie Vergrijzing in haar recentste verslag. Om even te schetsen wat die 17 miljard euro betekent: het is wat België vandaag uitgeeft voor werkloosheid, tijdskrediet, loonbaanonderbreking, brugpensioen, leefloon en arbeidsongeschiktheid tezamen. De uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg bedragen dit jaar 19 procent van het bbp. Tegen 2040 zal dat 23 procent zijn (zie grafiek Uitgaven pensioen en gezondheidszorg stijgen snel). De daling van de uitgaven voor werkloosheid en kinderbijslag heeft een positief effect op de begroting, maar weegt niet op tegen de stijgende kosten voor pensioenen en gezondheidszorg. Over de manieren om de vergrijzingskosten onder controle te krijgen zijn al heel wat artikels, rapporten en analyses geschreven. Grosso modo moeten twee paden tegelijk worden bewandeld. Het eerste is de Belgische werkzaamheidsgraad optrekken in de richting van die in Nederland en de Scandinavische landen. Dat vergt tussen 600.000 en 900.000 extra banen. Een gigantische opdracht. Het tweede is de productiviteitsgroei herstellen. Die bedraagt in België op jaarbasis nog geen 0,5 procent. De productiviteit kan omhoog door meer innovatie, investeringen (onder andere in infrastructuur) en meer concurrentie op de productmarkten. De vergrijzing maakt dat de bevolking op arbeidsleeftijd - de Belgen tussen 15 en 65 jaar - almaar minder snel groeit. Volgens de jongste demografische projecties van het Federaal Planbureau zal de bevolking op arbeidsleeftijd vanaf de eerste helft van het volgende decennium zelfs krimpen. Dat zal beginnen in 2023 in Wallonië, in het volgende jaar is Vlaanderen aan de beurt, en vanaf 2025 heel België (zie grafiek Bevolking op arbeidsleeftijd zal krimpen). Hoewel over de snelheid of de omvang van het verschijnsel nog gediscussieerd wordt, kan het feit amper nog ontkend worden. Dat heeft direct gevolgen voor de arbeidsmarkt. Zeker in Vlaanderen, waar nu al sprake is van een krapte. Hoe kunnen vacatures nog opgevuld worden indien er steeds minder mensen op arbeidsleeftijd zijn? Alles hangt af van de evolutie van de activiteitsgraad. Dat is het aandeel van de Belgen tussen 18 en 66 jaar dat zich effectief aanbiedt op de arbeidsmarkt. Het jongste rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing is daarover relatief optimistisch. Vandaag bedraagt de activiteitsgraad 74,7 procent. Tegen 2024 stijgt die naar 75,6 procent, om in 2040 te pieken op bijna 80 procent. In 2070 zou de activiteitsgraad nog altijd 79,6 procent bedragen. Tussen 2018 en 2070 groeit de beroepsbevolking met ongeveer 614.000 personen, wat een sterkere stijging is dan die van de bevolking van 18 tot 66 jaar (+324.000). De Studiecommissie komt tot die resultaten op basis van een groeiend aantal werkende vrouwen. Voorts blijven meer 60-plussers na hun pensioen als zelfstandige actief. Een andere factor is de pensioenhervorming van 2015, die in het bijzonder de activiteitsgraden van de 55-66-jarigen beïnvloedt (+18,1 procentpunt over de projectieperiode). Dat is een gevolg van de strengere regels voor brugpensioen en vervroegd pensioen, en van het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd naar 66 jaar in 2025 en 67 jaar in 2030. De vraag is natuurlijk of de huidige maatregelen voldoende zijn.Volgens pensioendeskundigen en arbeidsmarktexperts is meer nodig dan het huidige beleid, zeker voor de 55-plussers. Momenteel is 47 procent onder hen aan de slag. De Studiecommissie ziet dat percentage aan het einde van deze legislatuur (2024) al stijgen naar 52 procent en in tegen 2040 naar 65 procent. Dat lijkt optimistisch. Kopen oudere mensen andere producten? Veel onderzoek bestaat daar niet over, zegt Anton Delbarre, hoofdeconoom van Comeos, de federatie van de Belgische distributeurs. "We moeten ons vooral baseren op Nederlands en Amerikaans onderzoek. Daaruit blijkt dat onze consumptie piekt op 45-jarige leeftijd, en daarna zakt, vooral vanaf 75 jaar. Die vaststelling doorprikt dus het verhaal over de rijke babyboomers die erop los spenderen." Een voorbeeld verduidelijkt dat. De Nederlandse 45- tot 55-jarigen geven jaarlijks bijna 1700 euro uit aan kledij. Bij de Nederlandse 75-plussers valt dat bedrag terug tot minder dan de helft. "Shoppen voor het plezier zit er voor oude mensen steeds minder in, en ze hebben ook minder behoefte aan gespecialiseerde producten zoals sportkledij", zegt Delbarre. "Senioren leven ook anders. Uit Amerikaanse cijfers blijkt bijvoorbeeld dat mannen ouder dan 75 jaar minder uitgeven aan ondergoed en meer aan kamerjassen." Alles bijeen spendeert een Nederlands gezin met een hoofdkostwinner tussen 45 en 55 jaar ruim 40.000 euro per jaar aan goederen en diensten. Voor gezinnen met een 75-plusser als hoofdkostwinner is dat slechts 27.000 euro, blijkt uit cijfers van 2015. Maken de leden van Comeos zich zorgen? "Het veranderende consumptiepatroon zal een stevige impact hebben op het aanbod van onze bedrijven. Pas rond 2040 zal die impact zich stabiliseren dankzij het dalende aandeel van de babyboomers", zegt Delbarre. "Een grotere zorg is het verdwijnen van het middensegment in de markt, mensen die kwaliteit zoeken tegen een degelijke prijs. De markt raakt steeds meer opgedeeld in twee uitersten. Producten die mensen belangrijk vinden, kopen ze steeds vaker in dure, gespecialiseerde winkels. De andere, 'goed genoeg'-producten zoeken ze tegen een zo laag mogelijke prijs, online of in buitenlandse winkels." Veel Belgische handelaars hebben decennia lang gebouwd aan een sterke prijs-kwaliteitverhouding. Voor hen is de opdeling van de markt bijzonder moeilijk. Maar er is hoop. "Voor die meer traditionele winkelmerken zijn senioren een schitterend e-commercepubliek", zegt Delbarre. "Vele senioren zullen de komende jaren online beginnen te winkelen, het liefst bij hun vertrouwde winkel. Bovendien houden zij nog vast aan een sterke prijs-kwaliteitverhouding. Voor Belgische retailers met een gebruiksvriendelijke webwinkel breken dus interessante tijden aan."De vergrijzing lijkt niet bepaald de prijzen omhoog te jagen. Dat is toch de vaststelling voor wie de naakte cijfers naast elkaar zet (zie grafiek Hoe grijzer de bevolking, hoe lager de prijzen). De inflatie in de eurozone brokkelt al sinds de jaren tachtig af, een evolutie die netjes gelijkloopt met de afzwakkende groei van de bevolking op beroepsactieve leeftijd. Toeval of niet? Over die vraag hebben zich al veel economen gebogen. "De meesten gaan ervan uit dat de vergrijzing de inflatie afremt", zegt Freddy Heylen, professor macro-economie aan de Universiteit Gent. "Dat effect loopt via de hogere levensverwachting. Mensen die een langer leven voor zich hebben, weten dat ze langer in hun behoeften moeten voorzien, en zullen dus meer sparen. Dat betekent dat de vraag naar goederen en diensten daalt, wat op zijn beurt de prijsstijgingen afzwakt. Daar staat tegenover dat de groep gepensioneerden groter wordt. Als zij hun spaargeld beginnen uit te geven, heeft dat een inflatoir effect. Macro-economisch blijkt dat tegeneffect evenwel niet sterk genoeg." Als de vergrijzing de prijzen doet zakken, hoeveel zakken ze dan? Merkbaar veel, blijkt uit de masterproef van de Gentse economiestudente Charlotte Cappon. Zij onderzocht het deflatoire effect van de zogenoemde afhankelijkheidsgraad, de verhouding tussen het aantal 65-plussers en het aantal 15- tot 64 jarigen. Zij bekeek een groep van vijftien landen, waaronder een aantal EU-lidstaten, aangevuld met de VS, Canada en Japan. Een verhoging van de afhankelijkheidsgraad met 10 procentpunt blijkt de inflatie 0,5 procentpunt lager te sturen, vond Cappon. België heeft vandaag een afhankelijkheidsgraad van bijna 30 procent. Dat zal stijgen tot bijna 50 procent tegen 2050, volgens voorspellingen. Gezien de resultaten van de masterproef, mogen we dus een daling van de inflatie verwachten met een vol procentpunt. En dat terwijl de inflatie vandaag al minder dan 2 procent bedraagt. De centrale banken zullen het niet graag horen.Vanaf 2020 zal België elk jaar minder handen hebben om te werken. Minder actieve handen betekent automatisch minder economische groei. Ondertussen neemt ook het aantal gepensioneerden toe. Beide fenomenen samen zullen de komende decennia gemiddeld 0,4 procentpunt wegsnijden van de jaarlijkse groei per hoofd van de bevolking, schrijven de Gentse economen Freddy Heylen en Willem Devriendt in het wetenschappelijk tijdschrift Journal of Demographic Economics. Dat is een flinke hap, als je weet dat de gemiddelde jaarlijkse groei per hoofd in België de voorbije twee decennia amper 0,9 procent bedroeg. In de praktijk wordt de knip in de groei wellicht kleiner. De mensen zullen zich immers voorbereiden op de stijgende levensverwachting. Ze zullen meer en langer werken, en zich om- of bijscholen, wat de productiviteit en dus de groei verhoogt. De reactie van bedrijven is minder gunstig. Uit het model van Heylen en Devriendt blijkt dat zij eerder ontmoedigd dan aangezet worden om te investeren. Arbeid mag dan wel duurder worden door het tekort aan werkende handen, maar door de vergrijzing en het gebrek aan mankracht daalt de rendabiliteit van de machines. Mensen blijken ook meer te sparen. Dat vele spaargeld zou de rente moeten drukken, wat investeringen aanmoedigt en de groei doet stijgen. Maar dat is theorie. In werkelijkheid vloeit het spaargeld naar het buitenland, op zoek naar meer rendabele beleggingen. Als Heylen en Devriendt alle plussen en minnen samentellen, krijgt de welvaartsgroei nog steeds een knip, hoewel minder groot. We staan niet langer voor een groeiverlies van 0,4 procentpunt per hoofd van de bevolking, maar van 0,29 procentpunt. Goed nieuws is dat niet. Het betekent nog altijd dat het inkomen per hoofd van de bevolking 7 procent lager zal liggen tegen 2040. Het bekende antwoord daarop is overheidsbeleid om meer mensen langer aan het werk krijgen en de arbeidsproductiviteit op te krikken. Alvast voor het eerste heeft België alle ruimte. Want de tewerkstellingsgraad ligt ver beneden het niveau in de meeste andere OESO-landen.