Ik erger mij aan de discussie over zware beroepen. Wat is de realiteit? Tot medio de jaren zeventig lag de gemiddelde effectieve pensioenleeftijd in België dicht bij de wettelijke leeftijd van 65 jaar. De invoering van het brugpensioen deed nadien de loopbanen inkrimpen. De effecten daarvan zinderen nog altijd na. Anno 2018 gaan Belgen gemiddeld nog voor hun 61ste met pensioen. Wat houdt ons tegen om terug te keren naar langere loopbanen? Als het kon in 1970, waarom dan nu niet?

De arbeidskwaliteit is erop vooruitgegaan. De switch van industrie naar diensten, van handenarbeid naar kennisarbeid, heeft daarbij geholpen. België scoort internationaal goed in kwaliteitsparameters. De gezondheid is erop vooruitgegaan. De slogan dat "zestig jaar het nieuwe veertig jaar is" illustreert hoe de wetenschap een kloof heeft geslagen tussen de chronologische en de biologische leeftijd. Arbeidsorganisatie, arbeidsduur, werkflexibiliteit en personeelsbeleid zijn eveneens verbeterd.

Op al die trends bestaan afwijkingen. Maar de basisvaststelling is vanzelfsprekend: eigenlijk zou langer werken gemakkelijk en normaal moeten zijn, en zeker gemakkelijker dan vroeger. In plaats daarvan wordt de indruk gewekt dat werken voorbij de 65 jaar ondraaglijk is voor een hele rist beroepen. Maar als de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar wel kan, waarom zou er dan tegen 2030 niet tot 67 jaar kunnen worden gewerkt? Wat betekenen die twee jaar eigenlijk? Is het zo ondenkbaar dat de arbeidsomstandigheden tegen 2030 verder zullen verbeteren? Zal technologie de mens niet verder ontlasten?

De wettelijke pensioenleeftijd is geen discussie over beroepen, maar over loopbanen.

Ik stel het nog scherper. Heb je recht op pensioen omdat er een leeftijdsgrens op een beroep staat? Moet de voetballer recht hebben op een pensioen op 35 jaar? De brandweerman op 45 jaar? Het fotomodel op 40 jaar? De wettelijke pensioenleeftijd is geen discussie over beroepen, maar over loopbanen. We maken geen oefening in houdbaarheidsdata voor beroepen, maar een maatschappelijke keuze over het evenwicht tussen bijdragen betalen en uitkeringen krijgen, over solidariteit tussen generaties in de context van demografische vergrijzing.

Sociaal overleg organiseren over een pensioenleeftijd op maat van het beroep is een totale miscasting. De echte inzet is andere loopbanen met meerdere beroepen. De echte oplossing is meer baankwaliteit en meer baanvariatie, waardoor beroepen lichter worden en zware beroepen tijdelijk. Wie moet daarvoor zorgen? Inderdaad, datzelfde sociaal overleg.

Als er al een probleem is met zware beroepen, dan moet je de schuldigen daarvan niet belonen met pensioencadeaus waarover ze nog zelf mogen onderhandelen ook. Zware beroepen zijn de reïncarnatie van het brugpensioen. Ze stimuleren wegwerpgedrag op de arbeidsmarkt en ontraden verbeteringen in de arbeidsorganisatie en de arbeidskwaliteit. We moeten dat vooral niet doen.

De regering die een loopbaandiscussie inruilt voor een beroepsdiscussie en die laatste uitbesteedt aan het sociaal overleg, ondermijnt ook de pensioenhervorming zelf. Voor de vakbonden zijn zware beroepen de voortzetting van hun politieke protest tegen de pensioenhervorming. Vakbonden zijn mordicus tegen langer werken. Ze krijgen een gouden kans om de hogere pensioenleeftijd selectief dode letter te maken voor hun achterban. Als ze slagen, zullen anderen het gat in de pensioenrekening mogen dichtwerken.

België heeft de kwalijke gewoonte sociale partners te laten onderhandelen over de uitwas van een onheil dat die partners zelf aanrichten. Dat is zo in de loonvorming, waar een onderhandelde loonnorm een rem moet zetten op de ontsporing van lonen en indexeringen die dezelfde organisaties onderhandelen. Dat is ook zo in de pensioenen, wanneer slechte arbeidsomstandigheden en mank loopbaanbeheer met een onderhandeld pensioenvoordeel mogen worden dichtgesmeerd. Het is aan de regering om kwalitatieve doelstellingen in de loopbaan en de arbeid te formuleren. Dan kunnen de vakbonden en de werkgeversorganisaties onderhandelen over lichte beroepen.