In 2008 maakte Ben Jones van de Amerikaanse Northwestern University een eenvoudige maar krachtige observatie. Hoe meer kennis de mens heeft, hoe langer het duurt voor een beginnende onderzoeker onontgonnen gebied ontdekt en dus de zaken vooruithelpt. In een artikel met de titel 'The burden of knowledge and the death of the Renaissance man' stelde Jones dat de toenemende kennis van de mensheid de wetenschappelijke vooruitgang en dus de economische groei vertraagt. Recenter onderzoek heeft dat inzicht bevestigd. In 2020 publiceerden economen van de Stanford University en het Massachusetts Institute of Technology (MIT) een ander artikel, getiteld 'Are ideas getting harder to find?', waarin werd geconcludeerd dat op gebieden gaand van de opbrengsten van gewassen tot de dichtheid van microchips, nieuwe ideeën inderdaad moeilijker te vinden zijn.

Als een wetenschappelijk project een commissie tevreden moet stellen, is het niet verwonderlijk dat onorthodoxe ideeën het moeilijk krijgen.

De vertraging heeft academici en beleidsmakers ertoe aangezet het wetenschappelijk ondernemen te versterken. Velen laten zich inspireren door het Defense Advanced Research Projects Agency (Darpa), een organisatie uit de Koude Oorlog die risicovol en ambitieus onderzoek financiert. Vorig jaar lanceerde de National Institutes of Health (NIH), Amerika's grootste financier van wetenschap, een nieuwe tak met een jaarlijks budget van 1 miljard dollar, ARPA-H genoemd. Andere landen, waaronder Groot-Brittannië en Duitsland, hebben al eigen versies.

In juli gaf het Amerikaanse Congres toestemming voor bijna 200 miljard dollar nieuwe wetenschappelijke financiering in de komende tien jaar, terwijl een tak van de National Science Foundation (NSF) voor toegepaste wetenschap en technologie werd opgericht. Ook filantropen doen mee: hun financiering van fundamenteel onderzoek is de afgelopen tien jaar bijna verdubbeld. Al die inspanningen moeten de wetenschap haar risicominnende betovering teruggeven.

Peer review werkt niet

In een vorig jaar gepubliceerd werk kijken Chiara Franzoni van de Polimi Graduate School of Management en Paula Stephan van de Georgia State University naar een aantal maatstaven voor risico, gebaseerd op de analyses van tekst en de variabiliteit van citaten. Die suggereren dat de beloningsstructuur van de wetenschap academici ontmoedigt om risico's te nemen. De meest gebruikelijke manier waarop onderzoek wordt gefinancierd, via peer review waarbij academici op vergelijkbare gebieden voorstellen beoordelen, verdient enige blaam. In 2017 ontdekte Danielle Li, toen van Harvard University, aan de hand van data van bijna 100.000 subsidieaanvragen van de NIH, dat beoordelaars de voorkeur lijken te geven aan ideeën die lijken op hun eigen expertise. Als een project een commissie tevreden moet stellen, is het niet verwonderlijk dat onorthodoxe ideeën het moeilijk krijgen.

Dat suggereert dat het doorbreken van slechte financieringsgewoonten een verschil zou moeten maken. Het Darpa-model, dat meer gemeen heeft met durfkapitaal dan met traditionele financieringsstructuren, is een poging om dat te doen. Het stelt programmadirecteuren in staat projecten te financieren met een hoog risico en een hoge beloning die gericht zijn op toepassingen in de praktijk. Maar hoewel het succesvol is gebleken in de defensie-industrie - van het vroege internet tot de gps - zou het elders weleens minder kunnen zijn.

In een bijdrage van Danielle Li en Pierre Azoulay van MIT wordt opgemerkt dat het Darpa-model het best werkt als de programmadirecteuren een duidelijk inzicht hebben in het soort doorbraken dat nodig is. Dat is vaak het geval bij Darpa, waar zowel de financier als de gebruiker van nieuwe technologie het ministerie van Defensie is. Voor energie of gezondheidszorg is dat wat minder eenvoudig. Er zijn veel eindgebruikers en ze zijn verspreid.

Meer vrijheid

Een andere benadering is de financiering van mensen, en niet van projecten. De meeste conventionele beurzen financieren specifieke projecten voor een bepaalde tijd, meestal een paar jaar, waardoor onderzoekers vrezen dat ze niet kunnen overschakelen op nieuwe ideeën wanneer oude niet werken en niet genoeg tijd krijgen om risicovolle ideeën tot bloei te laten komen. In een studie uit 2011 werden onderzoekers van het Howard Hughes Medical Institute, waar ze veel flexibiliteit krijgen in hun onderzoeksagenda en veel tijd om onderzoeken uit te voeren, vergeleken met onderzoekers met vergelijkbare prestaties die door een standaard NIH-programma worden gefinancierd. Uit de studie bleek dat onderzoekers van Howard Hughes meer risico's namen.

Als gevolg daarvan produceerden zij bijna twee keer zoveel werk met veel citaten, en een derde meer flops (artikelen met minder citaten dan hun eerdere minst geciteerde werk). Die resultaten zijn wellicht moeilijk elders te reproduceren. Onderzoekers aan het Howard Hughes Institute worden geselecteerd op eigenschappen die erop wijzen dat zij in een flexibele omgeving zullen gedijen. Maar de kloof is groot genoeg om aan te geven dat ook anderen baat kunnen hebben bij meer vrijheid.

Willy Wonka achterna

Ondanks de onzekerheid over hoe wetenschappelijk onderzoek het best kan worden gefinancierd, zijn economen van twee dingen overtuigd. Het eerste is dat een uniforme aanpak niet het juiste antwoord is, zegt Heidi Williams van de Stanford University. De Darpa-modellen, de door nieuwsgierigheid gedreven methode van het Howard Hughes Medical Institute en zelfs het uitdelen van subsidies via loting, zoals de Nieuw-Zeelandse Raad voor Gezondheidsonderzoek heeft geprobeerd, hebben allemaal hun nut. Evaluatie ervan kan vervolgens kennis opleveren over wat werkt, zegt de econoom Matt Clancy.

Het tweede is dat de uitbarsting van experimenten moet doorgaan. De baas van het NSF, Sethuraman Panchanathan, is het daarmee eens. Hij wil projecten met sterk wisselende beoordelingen herbekijken, want dat is een mogelijke aanwijzing voor onorthodoxe zaken. Hij is ook geïnteresseerd in een financieringsmechanisme in de stijl van Willy Wonka, het 'gouden ticket', waarmee één enkele beoordelaar een project kan steunen, zelfs als zijn of haar collega's het er niet mee eens zijn. Matt Clancy merkt op dat veel risicokapitaalpartnerschappen zo'n beleid voeren, omdat zij voorrang geven aan de voordelen van langetermijnprojecten in plaats van aan het minimaliseren van mislukkingen. Tot dusver is er weinig bewijs dat gouden tickets tot gouden resultaten leiden. Des te meer reden om het te proberen.

In 2008 maakte Ben Jones van de Amerikaanse Northwestern University een eenvoudige maar krachtige observatie. Hoe meer kennis de mens heeft, hoe langer het duurt voor een beginnende onderzoeker onontgonnen gebied ontdekt en dus de zaken vooruithelpt. In een artikel met de titel 'The burden of knowledge and the death of the Renaissance man' stelde Jones dat de toenemende kennis van de mensheid de wetenschappelijke vooruitgang en dus de economische groei vertraagt. Recenter onderzoek heeft dat inzicht bevestigd. In 2020 publiceerden economen van de Stanford University en het Massachusetts Institute of Technology (MIT) een ander artikel, getiteld 'Are ideas getting harder to find?', waarin werd geconcludeerd dat op gebieden gaand van de opbrengsten van gewassen tot de dichtheid van microchips, nieuwe ideeën inderdaad moeilijker te vinden zijn. De vertraging heeft academici en beleidsmakers ertoe aangezet het wetenschappelijk ondernemen te versterken. Velen laten zich inspireren door het Defense Advanced Research Projects Agency (Darpa), een organisatie uit de Koude Oorlog die risicovol en ambitieus onderzoek financiert. Vorig jaar lanceerde de National Institutes of Health (NIH), Amerika's grootste financier van wetenschap, een nieuwe tak met een jaarlijks budget van 1 miljard dollar, ARPA-H genoemd. Andere landen, waaronder Groot-Brittannië en Duitsland, hebben al eigen versies. In juli gaf het Amerikaanse Congres toestemming voor bijna 200 miljard dollar nieuwe wetenschappelijke financiering in de komende tien jaar, terwijl een tak van de National Science Foundation (NSF) voor toegepaste wetenschap en technologie werd opgericht. Ook filantropen doen mee: hun financiering van fundamenteel onderzoek is de afgelopen tien jaar bijna verdubbeld. Al die inspanningen moeten de wetenschap haar risicominnende betovering teruggeven. In een vorig jaar gepubliceerd werk kijken Chiara Franzoni van de Polimi Graduate School of Management en Paula Stephan van de Georgia State University naar een aantal maatstaven voor risico, gebaseerd op de analyses van tekst en de variabiliteit van citaten. Die suggereren dat de beloningsstructuur van de wetenschap academici ontmoedigt om risico's te nemen. De meest gebruikelijke manier waarop onderzoek wordt gefinancierd, via peer review waarbij academici op vergelijkbare gebieden voorstellen beoordelen, verdient enige blaam. In 2017 ontdekte Danielle Li, toen van Harvard University, aan de hand van data van bijna 100.000 subsidieaanvragen van de NIH, dat beoordelaars de voorkeur lijken te geven aan ideeën die lijken op hun eigen expertise. Als een project een commissie tevreden moet stellen, is het niet verwonderlijk dat onorthodoxe ideeën het moeilijk krijgen. Dat suggereert dat het doorbreken van slechte financieringsgewoonten een verschil zou moeten maken. Het Darpa-model, dat meer gemeen heeft met durfkapitaal dan met traditionele financieringsstructuren, is een poging om dat te doen. Het stelt programmadirecteuren in staat projecten te financieren met een hoog risico en een hoge beloning die gericht zijn op toepassingen in de praktijk. Maar hoewel het succesvol is gebleken in de defensie-industrie - van het vroege internet tot de gps - zou het elders weleens minder kunnen zijn. In een bijdrage van Danielle Li en Pierre Azoulay van MIT wordt opgemerkt dat het Darpa-model het best werkt als de programmadirecteuren een duidelijk inzicht hebben in het soort doorbraken dat nodig is. Dat is vaak het geval bij Darpa, waar zowel de financier als de gebruiker van nieuwe technologie het ministerie van Defensie is. Voor energie of gezondheidszorg is dat wat minder eenvoudig. Er zijn veel eindgebruikers en ze zijn verspreid. Een andere benadering is de financiering van mensen, en niet van projecten. De meeste conventionele beurzen financieren specifieke projecten voor een bepaalde tijd, meestal een paar jaar, waardoor onderzoekers vrezen dat ze niet kunnen overschakelen op nieuwe ideeën wanneer oude niet werken en niet genoeg tijd krijgen om risicovolle ideeën tot bloei te laten komen. In een studie uit 2011 werden onderzoekers van het Howard Hughes Medical Institute, waar ze veel flexibiliteit krijgen in hun onderzoeksagenda en veel tijd om onderzoeken uit te voeren, vergeleken met onderzoekers met vergelijkbare prestaties die door een standaard NIH-programma worden gefinancierd. Uit de studie bleek dat onderzoekers van Howard Hughes meer risico's namen. Als gevolg daarvan produceerden zij bijna twee keer zoveel werk met veel citaten, en een derde meer flops (artikelen met minder citaten dan hun eerdere minst geciteerde werk). Die resultaten zijn wellicht moeilijk elders te reproduceren. Onderzoekers aan het Howard Hughes Institute worden geselecteerd op eigenschappen die erop wijzen dat zij in een flexibele omgeving zullen gedijen. Maar de kloof is groot genoeg om aan te geven dat ook anderen baat kunnen hebben bij meer vrijheid. Ondanks de onzekerheid over hoe wetenschappelijk onderzoek het best kan worden gefinancierd, zijn economen van twee dingen overtuigd. Het eerste is dat een uniforme aanpak niet het juiste antwoord is, zegt Heidi Williams van de Stanford University. De Darpa-modellen, de door nieuwsgierigheid gedreven methode van het Howard Hughes Medical Institute en zelfs het uitdelen van subsidies via loting, zoals de Nieuw-Zeelandse Raad voor Gezondheidsonderzoek heeft geprobeerd, hebben allemaal hun nut. Evaluatie ervan kan vervolgens kennis opleveren over wat werkt, zegt de econoom Matt Clancy. Het tweede is dat de uitbarsting van experimenten moet doorgaan. De baas van het NSF, Sethuraman Panchanathan, is het daarmee eens. Hij wil projecten met sterk wisselende beoordelingen herbekijken, want dat is een mogelijke aanwijzing voor onorthodoxe zaken. Hij is ook geïnteresseerd in een financieringsmechanisme in de stijl van Willy Wonka, het 'gouden ticket', waarmee één enkele beoordelaar een project kan steunen, zelfs als zijn of haar collega's het er niet mee eens zijn. Matt Clancy merkt op dat veel risicokapitaalpartnerschappen zo'n beleid voeren, omdat zij voorrang geven aan de voordelen van langetermijnprojecten in plaats van aan het minimaliseren van mislukkingen. Tot dusver is er weinig bewijs dat gouden tickets tot gouden resultaten leiden. Des te meer reden om het te proberen.