De loonkostenhandicap is halfdood, maar de overleghandicap is springlevend. Die conclusie trek ik uit het jongste rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). De raad meldt dat de ontsporing van de Belgische loonkosten tegenover onze belangrijkste drie buurlanden die zich heeft voltrokken sinds 1996, is goedgemaakt.
...

De loonkostenhandicap is halfdood, maar de overleghandicap is springlevend. Die conclusie trek ik uit het jongste rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). De raad meldt dat de ontsporing van de Belgische loonkosten tegenover onze belangrijkste drie buurlanden die zich heeft voltrokken sinds 1996, is goedgemaakt. Opluchting bij wie competitiviteit en werkgelegenheid genegen is. Dank aan de eenmalige indexsprong, de aangehouden loonmatiging en de stijgende lonen in Duitsland. De media brachten met triomf verslag uit van die loonkostencorrectie. Ten onrechte. De loonkostenhandicap van vóór 1996 is niet verrekend. Hetzelfde rapport onderstreept hoe de arbeidsproductiviteit in België achteroploopt. De productiviteitswinst leidt hier ook tot minder banencreatie, vooral in de industrie, terwijl er meer banen bij komen in sectoren met weinig productiviteitsgroei - vooral banen van de gesubsidieerde soort. Daarbovenop leert de CRB dat de taxshift de totale sociale bijdragen in de privésector nauwelijks met 2,5 procent heeft verminderd. De loonlasten blijven dus bijzonder zwaar wegen op onze werkgelegenheid. De loonontwikkeling is structureel precair. Sinds de wet van 1996 moeten tweejaarlijkse loonnormen de loonstijgingen preventief in de pas houden. Die normen zijn uitgevaardigd, maar de ontsporing is toch gebeurd. Tegelijk missen we een gezonde intieme band tussen productiviteit en loongroei - de essentie van elke loonkostenvraag. De verantwoordelijkheid voor dat alles ligt bij de leden van de CRB zelf: de sociale partners. Normen die de maximale loongroei bepalen voor de hele economie zijn draconisch looncentralisme. Het is onzinnig één loonnorm voor de hele privésector op te leggen. Niet alle regio's, sectoren en bedrijven zijn even productief. Niet alle regio's, sectoren en bedrijven zijn even competitief of even blootgesteld aan de internationale loonkostenconcurrentie. Loonnormen zijn artificiële loonmatiging voor waar het goed gaat. Natuurlijk moeten de loonnormen vermijden dat de loonkosten uit de pan rijzen, tegen een achtergrond van indexeringen en baremaverhogingen die in onze buurlanden niet of minder bestaan.Maar wie onderhandelt over die automatische loonsverhogingen? Inderdaad, de sociale partners. En wie moet de maximale loonnorm bepalen? Inderdaad, de sociale partners. België doet dus aan loonmatiging door sociaal overleg om loonontsporing door sociaal overleg te compenseren. Dat heet overlegsurrealisme. Onze loonkostenhandicap is dus een overleghandicap. De sociale partners die klagen over de zwakke link tussen productiviteit, banen en lonen, klagen over zichzelf. De sociale partners die loonmatiging moeten opleggen, matigen zichzelf. Continu palaveren over loonkosten monopoliseert aandacht en zaait verdeeldheid. Er hangt een permanente wolk boven het interprofessioneel overleg. Van dat overleg mogen we meer ambitie en minder gehannes verwachten. Als bedrijfssectoren geen visie kunnen ontwikkelen waarin automatische loonsverhogingen worden vermeden als de economische situatie dat vergt, is er maar één alternatief voor centralistische looncontrole: decentraliseren. Verleg het zwaartepunt van loononderhandelingen naar de bedrijven, of laat minstens toe dat bedrijven via overleg eigen minimumlonen kunnen kiezen - lagere of hogere. Decentraliseren is overal in Europa aan de orde als een methode om van sociaal overleg een hefboom in plaats van een obstakel voor verandering te maken. Niet in België. Vakbonden zijn ertegen, omdat het hun politieke rol verkleint en de loonverschillen op de arbeidsmarkt vergroot. Werkgevers zijn ertegen, omdat het meer inspanning en meer conflict betekent. Hun organisaties vinden elkaar in een comfortabele, vrijwel politieke status. Zolang dat status quo blijft, zal de loonkostenhandicap nooit definitief verdwijnen en zal loon naar werk in België alleen voor zelfstandigen bestaan.