Op 10 en 11 december kwamen de EU-leiders samen in Brussel om zich nog eens te buigen over het geld voor de algemene begroting van de Europese Unie. De financiering van dat budget belooft geen simpele politieke klus te worden, zonder de Britten. Normaal moet er op 1 januari 2021 een nieuw eigenmiddelenbesluit (EMB) in voege treden, in combinatie met het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK), dat de uitgaven vastlegt voor de volgende zeven jaren. Gezien de lange onderhandelingen zullen het oude EMB en MFK nog wel een tijdje de dienst uitmaken. Uiteraard heeft dat ook te maken met de brexit-onderhandelingen en het feit dat het eigenmiddelenbesluit unaniem moet worden goedgekeurd.

De eigen middelen bestaan uit de 80 procent over te dragen opbrengsten van de douanerechten, met daarnaast 0,3 procent van de btw-ontvangsten en een heffing op het bruto nationaal inkomen (bni) van 0,65 procent in 2020. Het nieuwe eigenmiddelenbesluit heeft het ook over een toekomstige taks op wegwerpplastiek en in de digitale economie. Alleen is het niet zo duidelijk wanneer en hoe dat allemaal zal gebeuren. De begroting van 2021 wordt geraamd op 157 miljard euro aan eigen middelen en zo'n 10 miljard aan andere ontvangsten (onder meer de brexit-bijdrage van het Verenigd Koninkrijk), wat neerkomt op een budget van 166 miljard euro. Bovendien zijn er nog diverse verminderingen voorzien voor Duitsland, Denemarken, Nederland , Oostenrijk en Zweden. De reden daarvoor is hun statuut als nettobetaler aan de algemene Europese begroting.

Geen financieel succes

Zes oorspronkelijke lidstaten (België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Italië en Duitsland) betaalden in 2020 57,6 procent van de eigen middelen. In het voorstel voor 2021 stijgt dat aandeel tot 66 procent. De reden daarvoor is de brexit. Bij de drie Scandinavische leden van de Europese Unie is het aandeel gestegen van 6,5 procent in 2020 naar 7,1 procent in 2021. Spanje, Portugal en Griekenland gaan van 10,8 procent in 2020 naar een aandeel in het eigenmiddelenbesluit van 11,4 procent in 2021. Dat de West-Europese lidstaten het wegvallen van de Britse bijdrage moeten compenseren, ziet men aan het aandeel van de Benelux, dat stijgt van 9,7 procent naar 11,4 procent. De vijftien lidstaten van 1995 betaalden 90,4 procent in de begroting van 2020 en 89,5 procent in 2021.

De financiering van het EU-budget blijft een West-Europese zaak.

Dat betekent dat het aandeel in de financiering van de eigen middelen van de dertien nieuwe lidstaten van deze eeuw 9,6 procent was in 2020 en 10,5 procent in 2021. De grootste betaler uit die groep is Polen (3,7% in 2021), wat nog altijd minder is dan België (4,4% in 2021). Het aandeel van die nieuwe lidstaten situeert zich al vijftien jaar rond 10 procent. Dat wijst op het feit dat de uitbreiding geen financieel succes te noemen is.

Brits deel

Het Britse aandeel in de financiering van de Europese Unie bedroeg in 2019 nog 11,95 procent van de totale eigen middelen, of 18,5 miljard euro. Dat maakte de Britten de derde belangrijkste betaler na Duitsland en Frankrijk. Zelfs met dat bedrag, waarin de 'Britse korting' al is verwerkt, is het Verenigd Koninkrijk nog altijd een nettobetaler van ongeveer 7 miljard euro per jaar. Aan die situatie heeft de EU via haar algemene begroting nooit iets structureels gedaan. De Britse eigen middelen voor 2021 worden nog geraamd op 498 miljoen euro. Maar de ontwerpbegroting van 2021 schrijft wel 7 miljard euro in omdat het land nog verder deelneemt aan Europese projecten. Alleen is het de vraag of dat bedrag wel ooit zal worden betaald, zeker als er een harde brexit komt.

In de ontwerpbegroting van 2021 moeten de West-Europese landen meer geld op tafel te leggen. Zo wordt van Duitsland 39,7 miljard euro verwacht (+8 miljard in vergelijking met 2020), van Frankrijk 26,7 miljard (+3,5 miljard), van Italië 19 miljard euro (+2 miljard), van Spanje 13,6 miljard (+1 miljard), van Nederland 10,5 miljard (+2,3 miljard) en van België 6,9 miljard (+600 miljoen). Dat zijn de belangrijkste zes betalers aan de begroting. Het zal vooral belangrijk zijn die hogere bedragen intern verkocht te krijgen, want de coronasommen van 750 miljard euro komen daar nog eens bij. Ook de efficiëntie van de aanwending van de Europese gelden is al jaren een probleem, wat geregeld wordt beaamd door de Europese Rekenkamer. De financiering van het EU-budget blijft een West-Europese zaak. Het is maar de vraag hoelang dat politiek houdbaar blijft.

Op 10 en 11 december kwamen de EU-leiders samen in Brussel om zich nog eens te buigen over het geld voor de algemene begroting van de Europese Unie. De financiering van dat budget belooft geen simpele politieke klus te worden, zonder de Britten. Normaal moet er op 1 januari 2021 een nieuw eigenmiddelenbesluit (EMB) in voege treden, in combinatie met het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK), dat de uitgaven vastlegt voor de volgende zeven jaren. Gezien de lange onderhandelingen zullen het oude EMB en MFK nog wel een tijdje de dienst uitmaken. Uiteraard heeft dat ook te maken met de brexit-onderhandelingen en het feit dat het eigenmiddelenbesluit unaniem moet worden goedgekeurd.De eigen middelen bestaan uit de 80 procent over te dragen opbrengsten van de douanerechten, met daarnaast 0,3 procent van de btw-ontvangsten en een heffing op het bruto nationaal inkomen (bni) van 0,65 procent in 2020. Het nieuwe eigenmiddelenbesluit heeft het ook over een toekomstige taks op wegwerpplastiek en in de digitale economie. Alleen is het niet zo duidelijk wanneer en hoe dat allemaal zal gebeuren. De begroting van 2021 wordt geraamd op 157 miljard euro aan eigen middelen en zo'n 10 miljard aan andere ontvangsten (onder meer de brexit-bijdrage van het Verenigd Koninkrijk), wat neerkomt op een budget van 166 miljard euro. Bovendien zijn er nog diverse verminderingen voorzien voor Duitsland, Denemarken, Nederland , Oostenrijk en Zweden. De reden daarvoor is hun statuut als nettobetaler aan de algemene Europese begroting. Zes oorspronkelijke lidstaten (België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Italië en Duitsland) betaalden in 2020 57,6 procent van de eigen middelen. In het voorstel voor 2021 stijgt dat aandeel tot 66 procent. De reden daarvoor is de brexit. Bij de drie Scandinavische leden van de Europese Unie is het aandeel gestegen van 6,5 procent in 2020 naar 7,1 procent in 2021. Spanje, Portugal en Griekenland gaan van 10,8 procent in 2020 naar een aandeel in het eigenmiddelenbesluit van 11,4 procent in 2021. Dat de West-Europese lidstaten het wegvallen van de Britse bijdrage moeten compenseren, ziet men aan het aandeel van de Benelux, dat stijgt van 9,7 procent naar 11,4 procent. De vijftien lidstaten van 1995 betaalden 90,4 procent in de begroting van 2020 en 89,5 procent in 2021.Dat betekent dat het aandeel in de financiering van de eigen middelen van de dertien nieuwe lidstaten van deze eeuw 9,6 procent was in 2020 en 10,5 procent in 2021. De grootste betaler uit die groep is Polen (3,7% in 2021), wat nog altijd minder is dan België (4,4% in 2021). Het aandeel van die nieuwe lidstaten situeert zich al vijftien jaar rond 10 procent. Dat wijst op het feit dat de uitbreiding geen financieel succes te noemen is.Het Britse aandeel in de financiering van de Europese Unie bedroeg in 2019 nog 11,95 procent van de totale eigen middelen, of 18,5 miljard euro. Dat maakte de Britten de derde belangrijkste betaler na Duitsland en Frankrijk. Zelfs met dat bedrag, waarin de 'Britse korting' al is verwerkt, is het Verenigd Koninkrijk nog altijd een nettobetaler van ongeveer 7 miljard euro per jaar. Aan die situatie heeft de EU via haar algemene begroting nooit iets structureels gedaan. De Britse eigen middelen voor 2021 worden nog geraamd op 498 miljoen euro. Maar de ontwerpbegroting van 2021 schrijft wel 7 miljard euro in omdat het land nog verder deelneemt aan Europese projecten. Alleen is het de vraag of dat bedrag wel ooit zal worden betaald, zeker als er een harde brexit komt. In de ontwerpbegroting van 2021 moeten de West-Europese landen meer geld op tafel te leggen. Zo wordt van Duitsland 39,7 miljard euro verwacht (+8 miljard in vergelijking met 2020), van Frankrijk 26,7 miljard (+3,5 miljard), van Italië 19 miljard euro (+2 miljard), van Spanje 13,6 miljard (+1 miljard), van Nederland 10,5 miljard (+2,3 miljard) en van België 6,9 miljard (+600 miljoen). Dat zijn de belangrijkste zes betalers aan de begroting. Het zal vooral belangrijk zijn die hogere bedragen intern verkocht te krijgen, want de coronasommen van 750 miljard euro komen daar nog eens bij. Ook de efficiëntie van de aanwending van de Europese gelden is al jaren een probleem, wat geregeld wordt beaamd door de Europese Rekenkamer. De financiering van het EU-budget blijft een West-Europese zaak. Het is maar de vraag hoelang dat politiek houdbaar blijft.