Op 14 mei besliste de 24 leden van de executive board van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) over de nieuwe verhouding van de Special Drawing Rights- of SDR-korf. De SDR is sinds de jaren zeventig zowat de reservemunt van de wereld. Momenteel bestaat die uit vijf munten: de Amerikaanse dollar, de euro, de yen, het Britse pond en de Chinese renminbi. De korf wordt voor een periode van vijf jaar vastgelegd door de executive board van het IMF. Dat gebeurde eerder in 2006, 2011 en 2016. Vorig jaar werd beslissing met een jaar uitgesteld als gevolg van de coronapandemie.

In de executive board zit een vertegenwoordiger van de Verenigde Staten, Duitsland, Japan, China, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Russische federatie en Saudi-Arabië. De overige zestien zetels worden verdeeld over de andere landen, die moeten zorgen dat ze groepen vormen. De drie Benelux-landen vormen zo'n groep, naast Andorra, Armenië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Cyrus, Georgië, Israël, Moldavië, Montenegro, Noord-Macedonië, Roemenië en Oekraïne. De door België en Nederland geleide groep heeft het op drie na hoogst aantal stemmen: 5,47 procent. China heeft 6,08 procent, Japan 6,15 procent en de Verenigde Staten 16,51 procent. Zowat alle belangrijke beslissingen moeten worden genomen met een meerderheid van 85 procent van de stemmen, waardoor de Verenigde Staten de facto een vetorecht hebben met hun aandeel in de stemmen.

De eurozone staat voor heel zware uitdagingen.

Twee parameters zijn de basis om die politiek-economische beslissingen te nemen: het aandeel van het land in de wereldhandel en het gebruik van de munt (dollar, euro, pond, renminbi of yen) in het mondiale financiële verkeer. De executive board heeft op 14 mei beslist dat de Amerikaanse dollar toonaangevend blijft en stijgt tot een aandeel van 43,38 procent in de SDR-korf voor de periode vanaf 1 augustus 2022 tot en met juli 2027 (in 2016: 41,73% en in 2011 41,9%). De Chinese munt was in 2016 de nieuwkomer met een aandeel van 10,92 procent, dat nu stijgt tot 12,28 procent. De drie munten die inleveren, zijn de euro, met nog een aandeel van 29,31 procent (in 2016 nog 30,93% en in 2011 37,4% ); het Britse pond, met 7,44% (in 2016 8,09% en in 2011 11,3% ); en de Japanse yen, met 7,59% (in 2016 8,33% en in 2011 9,4%).

Terwijl de Amerikaanse en de Chinese munt hun aandeel zien toenemen, is vooral de euro de verliezer door de jaren heen. Als je de euro en het pond - de twee Europese munten - optelt, hebben die samen een aandeel van 36,9 procent, tegenover nog 39 procent in 2016 en zelfs 48,7 procent in 2011. Het valt op dat het verlies van die twee munten ongeveer overeenkomt met het aandeel van de renminbi. De beslissing van het IMF illustreert goed de nieuwe economische en financiële krachtsverhoudingen in de wereld.

De euro is de laatste jaren fors in waarde gedaald. Dat heeft gevolgen voor de import van producten. De eurozone is er ook nooit in geslaagd een groot financieel centrum te vestigen zoals Londen en New York, alle grondstoffen worden nog altijd uitgedrukt in dollar en de toonaangevende beurzen bevinden zich in New York. Er bestaat ook geen toonaangevend Europees ratingbureau. Dat de euro zwak is, merken de Europese burgers als ze wisseloperaties doen met andere munten. Daarmee lijkt de Europese Centrale Bank (ECB) te kiezen voor een zwakke munt zoals vroeger de Zuid-Europese landen.

De slotsom is dat de euro verder zakt naar een zwakke munt, en dat in een periode van torenhoge inflatie met een aankomende rentestijging. Kortom: de eurozone staat voor heel zware uitdagingen.

Op 14 mei besliste de 24 leden van de executive board van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) over de nieuwe verhouding van de Special Drawing Rights- of SDR-korf. De SDR is sinds de jaren zeventig zowat de reservemunt van de wereld. Momenteel bestaat die uit vijf munten: de Amerikaanse dollar, de euro, de yen, het Britse pond en de Chinese renminbi. De korf wordt voor een periode van vijf jaar vastgelegd door de executive board van het IMF. Dat gebeurde eerder in 2006, 2011 en 2016. Vorig jaar werd beslissing met een jaar uitgesteld als gevolg van de coronapandemie.In de executive board zit een vertegenwoordiger van de Verenigde Staten, Duitsland, Japan, China, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Russische federatie en Saudi-Arabië. De overige zestien zetels worden verdeeld over de andere landen, die moeten zorgen dat ze groepen vormen. De drie Benelux-landen vormen zo'n groep, naast Andorra, Armenië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Cyrus, Georgië, Israël, Moldavië, Montenegro, Noord-Macedonië, Roemenië en Oekraïne. De door België en Nederland geleide groep heeft het op drie na hoogst aantal stemmen: 5,47 procent. China heeft 6,08 procent, Japan 6,15 procent en de Verenigde Staten 16,51 procent. Zowat alle belangrijke beslissingen moeten worden genomen met een meerderheid van 85 procent van de stemmen, waardoor de Verenigde Staten de facto een vetorecht hebben met hun aandeel in de stemmen. Twee parameters zijn de basis om die politiek-economische beslissingen te nemen: het aandeel van het land in de wereldhandel en het gebruik van de munt (dollar, euro, pond, renminbi of yen) in het mondiale financiële verkeer. De executive board heeft op 14 mei beslist dat de Amerikaanse dollar toonaangevend blijft en stijgt tot een aandeel van 43,38 procent in de SDR-korf voor de periode vanaf 1 augustus 2022 tot en met juli 2027 (in 2016: 41,73% en in 2011 41,9%). De Chinese munt was in 2016 de nieuwkomer met een aandeel van 10,92 procent, dat nu stijgt tot 12,28 procent. De drie munten die inleveren, zijn de euro, met nog een aandeel van 29,31 procent (in 2016 nog 30,93% en in 2011 37,4% ); het Britse pond, met 7,44% (in 2016 8,09% en in 2011 11,3% ); en de Japanse yen, met 7,59% (in 2016 8,33% en in 2011 9,4%).Terwijl de Amerikaanse en de Chinese munt hun aandeel zien toenemen, is vooral de euro de verliezer door de jaren heen. Als je de euro en het pond - de twee Europese munten - optelt, hebben die samen een aandeel van 36,9 procent, tegenover nog 39 procent in 2016 en zelfs 48,7 procent in 2011. Het valt op dat het verlies van die twee munten ongeveer overeenkomt met het aandeel van de renminbi. De beslissing van het IMF illustreert goed de nieuwe economische en financiële krachtsverhoudingen in de wereld. De euro is de laatste jaren fors in waarde gedaald. Dat heeft gevolgen voor de import van producten. De eurozone is er ook nooit in geslaagd een groot financieel centrum te vestigen zoals Londen en New York, alle grondstoffen worden nog altijd uitgedrukt in dollar en de toonaangevende beurzen bevinden zich in New York. Er bestaat ook geen toonaangevend Europees ratingbureau. Dat de euro zwak is, merken de Europese burgers als ze wisseloperaties doen met andere munten. Daarmee lijkt de Europese Centrale Bank (ECB) te kiezen voor een zwakke munt zoals vroeger de Zuid-Europese landen.De slotsom is dat de euro verder zakt naar een zwakke munt, en dat in een periode van torenhoge inflatie met een aankomende rentestijging. Kortom: de eurozone staat voor heel zware uitdagingen.