Carsten Brzeski volgt als hoofdeconoom van ING Research vanuit Frankfurt de Duitse economie en politiek van dichtbij. Hij is verbaasd over het lage niveau van de aanloop naar de verkiezingen.
...

Carsten Brzeski volgt als hoofdeconoom van ING Research vanuit Frankfurt de Duitse economie en politiek van dichtbij. Hij is verbaasd over het lage niveau van de aanloop naar de verkiezingen. "Het is bijna schrikbarend. Pas sinds vorige week sijpelt er ook wat inhoud in het debat. Aanvankelijk ging het alleen over personen, over de eigenschappen en de misstappen van de Spitzenkandidat van elke partij. Duitsland lijkt op zoek naar een crisismanager, die de problemen op korte termijn kan beheren, zoals de recente overstromingen. Maar niemand zet in op de grote vraagstukken op lange termijn. Merkel heeft nooit op zo'n manier op lange termijn gewerkt. De Duitsers houden niet van verandering. In het algemeen gaat het ook goed met hun maatschappij en economie. De Duitsers willen helemaal geen bocht in het beleid, maar tegelijk zijn ze de grote coalitie van de christendemocraten (CDU) en de socialisten (SPD) een beetje moe." CARSTEN BRZESKI. "Wellicht zijn voor de eerste keer drie partijen nodig om een meerderheid te vormen. Het is op dit ogenblik heel lastig om te zeggen welk beleid dat gaat opleveren. Er zijn te veel onzekerheden. Olaf Scholz, de kopman van de sociaal-democratische SPD en de huidige vicekanselier, ligt op kop in de peilingen, maar toch is de kans klein dat de SPD in de volgende regering zit. Ik zie de CDU niet als kleinere partner in een regering met de SPD stappen. Een coalitie tussen de liberalen, de SPD en de groenen is ook weinig waarschijnlijk, omdat hun programma's te ver uit elkaar liggen. Olaf Scholz kan alleen kanselier worden in een heel linkse coalitie, maar dat is in Duitsland veeleer onwaarschijnlijk. Een andere mogelijkheid, maar dan zonder de SPD, is een Jamaica-coalitie, bestaand uit de CDU, de groenen en de liberalen. "Er is maar één gemeenschappelijk standpunt dat alle partijen verbindt: ze pleiten allemaal voor meer overheidsinvesteringen. De verschillen zitten in de omvang van de investeringen en de manier waarop ze gefinancierd worden. De conservatieven willen de investeringen betalen met besparingen elders, of ze redeneren à la Trump dat de extra economische groei voor extra inkomsten zal zorgen. De linkse partijen willen het geld wegsnoepen bij de rijken en de sterke schouders." BRZESKI. "Voor een deel wel. De verplichting om de begroting in evenwicht te houden, de zogenoemde schwarze Null, staat nog altijd in de grondwet. Om de grondwet te veranderen heb je een tweederdemeerderheid in het parlement nodig. De kans dat dat gebeurt, is nihil. De wet laat wel een beetje flexibiliteit toe, in functie van de conjunctuur. In een crisis zoals vandaag mag de Duitse federale regering een fors tekort boeken, mits er een plan wordt opgesteld om dat tekort in de volgende twintig jaar opnieuw weg te werken. De vraag is nu of de Duitse politici elk jaar een excuus moeten zoeken om de schwarze Null te negeren. Je kunt een elegante oplossing vinden door een 'Duitslandfonds' op te richten dat buiten de begroting wordt gehouden. De regering zou een potje van bijvoorbeeld 500 miljard euro opzij kunnen zetten om te investeren in het klimaat en de digitalisering. Dat kan een trucje zijn om de schuldenrem te omzeilen. "Duitsland zal dus meer investeren, maar de kans is klein dat het zal ijveren voor soepelere Europese begrotingsregels. Wat de volgende regering in eigen land gaat doen, zal ze niet zo snel toestaan in Europa. Een heel linkse coalitie van de SPD, de groenen en Die Linke zou een versoepeling van het groei- en stabiliteitspact genegen zijn, maar in alle andere constellaties heeft de conservatieve visie de bovenhand. Dat betekent een snelle terugkeer naar gezonde overheidsfinanciën, de schuldenrem en een strakke toepassing van de Europese regels. Zelfs de groenen kunnen hun pleidooi voor een soepeler begrotingsbeleid overboord gooien zodra ze in de federale regering zitten. Een meerderheid van de Duitsers staat achter de visie van de conservatieve partijen. Ja, Duitsland moet zelf meer investeren, maar er is de angst dat de zuidelijke eurolanden het geld zullen verkwisten. Bij de Duitsers leeft de veronderstelling dat zij als enigen in Europa goed met geld kunnen omgaan. 'Als we de regels versoepelen, krijgen we een onverantwoord beleid in Europa', zo denken de Duitsers." BRZESKI. "De CDU en de SPD zeggen duidelijk dat dit een eenmalig en geen permanent instrument is. De groenen zijn wel voor een permanent herstelfonds, met een uitbreiding van de Europese begroting en meer Europese belastingen. Een linkse coalitie zou die ideeën genegen kunnen zijn, maar een coalitie rond het centrum zal de eerder conservatieve Duitse lijn volgen." BRZESKI. "De Duitse consument zal zich nooit bezondigen aan bestedingen gebaseerd op krediet, zoals bijvoorbeeld het geval is in de Verenigde Staten. Een derde van Duitsers heeft geen spaargeld, maar heeft ook amper schulden. De hogere inflatie teert intussen in op de lonen en het spaargeld. Tel daarbij de nulrente op spaargeld. Er moet dus meer worden gespaard om de koopkracht van de spaarreserves op peil te houden. Duitsland heeft ook een pensioenprobleem, wat amper ter sprake komt in het verkiezingsdebat. Alle politici proberen dat thema te vermijden. 'Maakt u zich geen zorgen, uw pensioen is veilig', verkondigen ze. Maar de babyboomers gaan de komende jaren met pensioen, waardoor steeds minder werkende mensen voor steeds meer gepensioneerde mensen moeten instaan. Dat prikkelt de mensen om nog meer te sparen. Een herbalancering van de Duitse economie lukt dus alleen via meer overheidsinvesteringen." BRZESKI. "Toch niet voor 26 september. In een vergrijzend land maken de gepensioneerden een belangrijk deel van het kiespubliek uit. Niemand durft die rauwe realiteit op tafel te leggen. Ook in de klimaatdiscussie worden lastige vragen als 'wie gaat dit betalen?' vermeden. Er wordt steevast de suggestie gewekt dat er verandering mogelijk is zonder dat er een prijskaartje aan hangt." BRZESKI. "Sinds 2018 laat de Duitse industrie van haar pluimen. Eerst werd de belangrijke autosector geteisterd door het dieselschandaal, nu moet die door de transitie naar elektrificatie. Heel de industrie kampt met de toenemende concurrentie van China, dat steeds meer zelf wil produceren wat het nu invoert uit Duitsland. De wereldeconomie verschuift ook meer van industrie naar diensten, maar die transitie heeft Duitsland een beetje gemist. Dat is helaas geen punt van discussie in het verkiezingsdebat. Wat kan de politiek daaraan doen? In Duitsland is het traditie dat de politiek en het zakenleven vrij strikt gescheiden blijven. Aan de linkerkant rijpt het idee dat de overheid toch meer moet sturen en ook strategische beslissingen moet nemen, zoals in welke sectoren geïnvesteerd moet worden." BRZESKI. "Ja, de Duitse economie is flexibel, maar ze is groot en reageert traag. Het duurt dus een tijdje voor ze zich aanpast. De afgelopen jaren was de arbeidsmarkt verrassend sterk, doordat bedrijven lang vasthouden aan hun werknemers, uit vrees voor schaarste aan geschoold personeel. Vooral de instroom in technische beroepen, traditioneel een sterk punt van Duitsland, is de voorbije jaren minder geworden. Duitsland is minder sterk in onderwijs en opleiding, wat toch een handicap is als je door een veranderingsproces moet." BRZESKI. "De regering krijgt te weinig lof en krediet voor het beheer van de coronacrisis. De overheidssteun kwam extreem snel en was royaal. De meeste Duitsers stonden achter dat crisismanagement. Maar ondanks die grote steun is de Duitse economie niet mijlenver vooruit gaan lopen op de buurlanden. Dat komt omdat de steun te weinig is doorgedrongen tot bij de mensen en de bedrijven. De administratie werkte te daarvoor te stroef." BRZESKI. "Merkel was een uitstekende crisismanager, maar economisch geen visionair. Duitsland sloeg zich altijd heel snel door een crisis. In het eerste deel van haar regeerperiode ging het economisch steeds beter, maar Merkel kon toen nog voortsurfen op de economische hervormingen van haar voorganger Gerhard Schröder (SPD). Dat was het Wirschaftswunder 2.0. De jongste vijf jaar vertoonde Duitsland op het hoge beleidsniveau een stilstand, bij gebrek aan durf en visie. Intussen heb je natuurlijk een stevige portie crisissen gekregen: Griekenland, de euro, de vluchtelingen, corona. Omdat Merkel het land goed door die crisissen loodste, heeft ze een positieve bijdrage geleverd aan de Duitse economie. Dus als ik het economische palmares van Merkel opmaak, dan zeg ik: goed gedaan, maar de jongste vijf jaar zat er meer in." BRZESKI. "Het ideale beleid staat uit investeren, investeren, investeren, met een plan van minimaal vijf jaar. De schuldenrem kun je niet oplossen, dus zet buiten de begroting een potje opzij. Het gaat niet alleen om de klimaattransitie of infrastructuur, maar ook om investeringen in een digitale overheid. Je kunt de grootste ideeën in Berlijn hebben, als er pakweg in Nordrhein-Westfalen nog gewerkt wordt een faxmachine en met stempels, dan gaat het niet snel genoeg."