Jeroen Piqueur werd vervolgd voor feiten tussen augustus 2007 en oktober 2013, voorafgaand aan het faillissement van de Optima Bank. Het gaat onder meer om niet-aangifte aan de inkomstenbelasting van roerende inkomsten op Luxemburgse en Monegaskische rekeningen. Die stonden op naam van offshorestructuren, terwijl Piqueur ervan de begunstigde was. Voor de inkomstenjaren 2006 tot en met 2012 ging het volgens de speurders over 1,5 miljoen euro aan roerende inkomsten.

Piqueur kreeg van het hof van beroep vier maanden effectieve celstraf, een geldboete van 1,5 miljoen euro en 2,3 miljoen euro verbeurdverklaring opgelegd. De voormalige Optima-topman tekende cassatieberoep aan, maar met de uitspraak van het Hof van Cassatie is hij nu definitief veroordeeld. Zijn advocaat Hans Rieder bevestigt het arrest van Cassatie, maar hij geeft geen commentaar.

Vrij onder voorwaarden

Jeroen Piqueur zelf is vrij onder voorwaarden in het onderzoek naar de Optima Bank en mag in het kader daarvan nog altijd niet met de pers praten. Hij gaf volgens het openbaar ministerie ook een bedrag van 19,9 miljoen euro aan voorschotten op een liquidatiebonus van een offshorevennootschap niet aan. Het geld zou gebruikt zijn om de aankoop van zijn jacht Rubeccan te financieren. Piqueur had in de gezamenlijke aangifte met zijn echtgenote melding moeten maken van de buitenlandse rekeningen, oordeelt het Hof van Cassatie. 'Wegens zijn professionele staat van dienst had de eiser (Piqueur, nvdr.) een bijzondere kennis van offshore constructies en daaraan verbonden buitenlandse rekeningtegoeden, alsmede beschikte (hij) over de beste raadgevers, zodat hij niet kan voorhouden verkeerd te zijn geadviseerd en te goeder trouw aan fiscale optimalisatie te hebben gedaan', luidt het.

Piqueur heeft 'met bedrieglijke intentie ervoor geopteerd om ontoelaatbaar en strafwaardig fiscaal frauduleus gedrag aan de dag te leggen', stelt het arrest. 'De eiser werd duidelijk gedreven door de bedrieglijke intentie zichzelf te verrijken en er evenzeer bedrieglijk intentioneel voor lief bijnam de fiscale openbare orde te schaden en de maatschappij te bruuskeren door categoriek te weigeren de door hem verschuldigde fiscale lasten te dragen.'

Volgens zijn verdediging was de strafvordering onontvankelijk op basis van de gevolgde procedure door de BBI (Bijzonderde Belastingsinspectie), maar ook dat verwerpt Cassatie. Omdat 'er geen elementen in het strafdossier zijn die aantonen dat ten aanzien van de eiser enige dwang werd gebruikt om gegevens te verkrijgen en er geen sprake is van list of leugen' en 'er geen misleidende belofte van de belastingadministratie is die de eiser heeft overgehaald de dading te sluiten of de regularisatieaanvraag in te dienen'. Het Hof van Cassatie oordeelt ook dat de BBI nooit de belofte deed hem niet te vervolgen voor de fiscale misdrijven.