Exact een jaar geleden legde Philip Soubry als eerste Belg een positieve coronatest af. Hij was kort voordien teruggekeerd uit China.
...

Het afgelopen jaar was voor de ouderenzorg bijzonder dodelijk. Covid-19 maaide een kleine 15.000 bewoners weg in de Belgische woon-zorgcentra. Paradoxaal genoeg biedt dat een adempauze in de race om voldoende capaciteit op te bouwen om de vergrijzingsgolf het hoofd te bieden. Tegen 2030 komen in ons land 42.000 85-plussers bij. Toch zal het in de residentiële ouderenzorg allicht nooit meer business as usual zijn. Auteur en gerontoloog Peter Janssen lanceerde in de media zelfs de provocerende stelling dat we beter af zijn zonder woon-zorgcentra. Hij vindt ze te duur en een aanslag op de fundamentele mensenrechten van senioren. Iedereen kent wel een oude tante die beweert dat ze liever doodgaat dan te verhuizen naar een rusthuis. Voor de pandemie was dat ook al zo, maar covid-19 heeft verduidelijkt dat de woon-zorgcentra toe zijn aan een ommezwaai. "Maar ze afschaffen lijkt me niet zo'n goed idee", zegt professor Chantal Van Audenhove (KU Leuven). "Ik begrijp dat mensen niet naar een woon-zorgcentrum willen. Ze willen in hun eigen huis en in hun eigen sociale context blijven wonen. Maar zorg krijgen in hun thuisomgeving is soms gewoon niet meer haalbaar." De gemiddelde verblijfsduur in een woon-zorgcentrum is de jongste jaren gekrompen tot achttien maanden. Tegelijk neemt de zorgbehoevendheid van de bewoners toe. Van de 80.000 mensen in de Vlaamse woon-zorgcentra hebben 63.000 ouderen heel zware zorg nodig. Het aantal bewoners met dementie is gestegen tot meer dan een derde. Dat maakt dat de sector, ondanks een budgettaire inhaalbeweging van 500 miljoen euro in de vorige regeerperiode, klaagt over onderfinanciering. Een paar weken voordat de eerste coronapatiënt in ons land opdook, stuurde Zorgnet-Icuro nog een brief naar de Vlaamse regering met de vraag iets te doen aan de onderfinanciering. "Intussen is er wel extra budget bij gekomen, maar dat volstaat niet", zegt Margot Cloet, gedelegeerd bestuurder van Zorgnet-Icuro. "We vragen een rechtvaardige financiering om kwaliteit te kunnen garanderen. Covid-19 heeft zichtbaar gemaakt dat je die met een krappe financiering niet voldoende kwaliteit kunt bieden." Van Audenhove hoopt wel dat covid-19 voor een momentum zorgt om goed na te denken over de toekomst van de zorg. Dat vinden ook de koepelorganisaties Zorgnet-Icuro en Vlozo. "De sector is hard getroffen", zegt Geert Uytterschaut, voorzitter van het Vlaams Onafhankelijk Zorgnetwerk (Vlozo). "We moeten daarom enkele zaken herzien. Woon-zorgcentra hebben bijvoorbeeld een stock van beschermkledij en mondmaskers nodig. Ook de architectuur houdt in de toekomst maar beter rekening met de mogelijkheid om besmette en niet-besmette bewoners bij een epidemie gemakkelijk van elkaar te kunnen scheiden." "De ouderenzorg heeft behoefte aan een transitie", vindt Cloet. "Dat was al langer duidelijk. Covid-19 heeft dat wat scherper gesteld. De transitie was voor een stuk al bezig. Mensen gaan pas naar een woon-zorgcentrum als de thuiszorg is uitgeput en de mantelzorger het niet meer aankan, maar ouderenzorg is meer dan het residentiële woon-zorgcentrum. Er zijn ook lokale dienstencentra waar mensen naartoe kunnen voor maaltijden of sociale activiteiten. Er zijn dagcentra om mantelzorgers te ontlasten, er zijn centra voor kortverblijven en je ziet steeds vaker assistentiewoningen die verbonden zijn aan een woon-zorgcentrum. Die concepten moeten wel nog meer ingang vinden." De meeste woon-zorgcentra sturen op een medische logica die ze hebben overgeërfd van de ziekenhuiswereld. Dat komt door een staaltje Belgische loodgieterij van Jean-Luc Dehaene (CD&V). Om de ziekenhuisfactuur te drukken, dokterde hij een nieuwe financiering uit voor de rusthuizen. De bedoeling was dat die minder zieke bewoners zouden doorsturen naar het ziekenhuis. De kosten voor de medische omkadering van een bed in zo'n rust- en verzorgingstehuis bleven ver beneden de kostprijs van een verblijf in het ziekenhuis. Dat leek aanvankelijk een briljante besparingsoperatie, maar vandaag zet de stijgende zorgbehoevendheid van de bewoners van woon-zorgcentra de betaalbaarheid van de ouderenzorg onder druk. Het gevolg is dat de woon-zorgcentra voortdurend kostenbesparingen zoeken via schaalvergroting. Dat verklaart ook waarom het gemiddelde aantal bedden per woon-zorgcentrum de jongste jaren is toegenomen. Sinds het coronavirus door de ouderenzorg raast, wint het concept van een kleinschaliger ouderenzorg terrein. Dat is niet nieuw. Er lopen al decennialang experimenten met alternatieve woonvormen voor ouderen. Die hanteren niet de medische ziekenhuislogica, maar zetten in op een huiselijker woonvorm. 'Kleinschalig genormaliseerd wonen' is de vakterm. De Wingerd in Leuven en Huis Perrekes in Geel passen het concept al meer dan 35 jaar toe (zie kader Pioniers in kleinschaligheid). Het komt erop neer dat de zorg en het leven van de bewoners worden georganiseerd in de huiselijke context van een normale woning. Zo'n acht residenten wonen samen in één huis, met een handvol vaste begeleiders. Finaal zou die aanpak niet duurder zijn. Van Audenhove: "Die alternatieven zijn al langer beschreven, maar nu lijkt er wel een momentum te ontstaan. De negatieve beeldvorming die ontstaan is tijdens de crisis, zal de sector en de overheid dwingen de goede praktijken naar voren te schuiven als de norm. Een sterke aansturing, duidelijk leiderschap en een persoonsgerichte visie op de kwaliteit van het leven en de zorg staan daarbij centraal." Toch hoeven schaalvergroting en kleinschaligheid niet lijnrecht tegenover elkaar te staan. "Schaalvergroting is een middel om een doorgedreven professionalisering na te streven", zegt Cloet. "Voor mij is dat iets anders dan een commercialisering. Je kunt perfect een bewoner decentraal benaderen en tegelijk enkele zaken bundelen in de omkadering om schaalvoordelen te genereren."Ook Geert Uytterschaut van de vereniging van private woon-zorgcentra vindt kleinschaligheid geen absoluut kwaliteitscriterium. "Een virus houdt geen rekening met kleinschaligheid", zegt hij. "Er zal altijd behoefte zijn aan de efficiëntiewinst van schaalvoordelen. Kleinschaligheid kan ook passen in een groter geheel." Corona heeft het personeelsprobleem in de ouderenzorg wellicht vergroot. De sector heeft al jaren moeite met het vinden van voldoende verzorgend personeel. De arbeidsomstandigheden zijn nu eenmaal niet zo gunstig. Bovendien is er een imagoprobleem. "En dat is een misvatting", vindt Van Audenhove. "Het vereist competenties om mensen in hun laatste levensfase en hun familieleden te begeleiden. Het is heel waardevol werk en tegelijk ook teamwerk in goede samenwerking met de thuiszorg en de huisartsen. De beeldvorming zou moeten worden bijgestuurd." "Het vinden van voldoende verpleegkundigen blijft een probleem", zegt ook Uytterschaut. "Daarom hebben we een voorstel gelanceerd om minder verpleegkundigen in de normen voor woon-zorgcentra op te nemen en het vrijgekomen budget te gebruiken om meer mensen met andere diploma's aan te werven. Op die manier slaan we twee vliegen in één klap. De aanwezige verpleegkundigen kunnen meer focussen op hun verpleegkundige taken, terwijl er meer handen beschikbaar zijn om taken in de gang en de kamer over te nemen. Om gordijnen te openen heb je geen verpleegkundige nodig. Met evenveel budget kunnen we hen vervangen door ander personeel dat de woonomstandigheden verbetert." Is het dan tijd om het beruchte KB 78, de wet die de taakverdeling tussen de verzorgenden en de verpleegkundigen regelt, open te breken? "Wat ons betreft wel", zegt Uytterschaut. "Die wet is niet meer aangepast aan de behoefte en de realiteit op het terrein. De herziening van de taken moet deel uitmaken van elke reorganisatie van de ouderenzorg."