Het is begin september en er waait al een gure herfstwind over de landbouwvelden van Saint-Pierre-Brouck, een gehucht in Frans-Vlaanderen op 20 kilometer van de Westhoek. In het negen hectare grote veld maalt een landbouwmachine van het Nederlandse merk Ploeger langzaam rondjes. Ze plukt bonen uit de grond. Per hectare heeft het voertuig twee uur nodig, goed voor 12 ton bonen per hectare. "2018 was een relatief slecht oogstjaar door de droogte. 2019 zal opnieuw niet goed zijn, alweer door het droge weer. We verwachten slechts 70 procent van de gemiddelde jaaropbrengst voor bonen", schat Marc Wullen.

We trokken samen met de zaakvoerder van het bedrijf Wullen uit Leisele (Alveringem), op een steenworp van de Franse grens, en Antoine Theijs, technisch expert bij Nationale Centrale Landbouw-Service, de Noord-Franse velden in. Marc Wullen is een Belgische loonwerker. Loonwerkers oogsten voor rekening van landbouwers of voor de voedingsbedrijven die de landbouwproducten verwerken. Ze hebben een voertuigenpark dat ze inzetten op diverse landbouwterreinen. Voor boeren is de aanschaf van een eigen voertuigenpark vaak te duur, gezien hun beperkte grootte. Het gemiddelde landbouwareaal in Vlaanderen is 26 hectare, in Wallonië 57 hectare.

De geoogste boontjes in Saint-Pierre- Brouck worden in zware en metershoge containers geladen en na transport verwerkt tot diepvriesgroenten in een fabriek in het 10 kilometer verder gelegen Esquelbecq. "We worden betaald in functie van de bonenopbrengst per ton", duidt de 65-jarige Wullen, die samen met zijn dochter Annelies (34) en zijn schoonzoon Bart Decorte (37) het bedrijf leidt. "Voor bonen is ons inkomen dus afhankelijk van het klimaat. In landbouwvelden waar bijvoorbeeld een irrigatiesysteem werd geïnstalleerd, is het rendement veel hoger. Maar er is ook een tweede manier van vergoeding: per hectare. Die prijzen worden vastgelegd voor een periode van vijf tot zeven jaar en houden rekening met de schommelende energieprijzen." Want de Ploeger-landbouwmachine slurpt 20 tot 25 liter diesel per uur. De opbrengst per hectare verschilt nauwelijks van die van twintig jaar geleden, terwijl de prijs van de landbouwmachines is verdubbeld. Bovendien daalt het aantal boeren. Wie blijft boeren, wordt wel groter en professioneler.

© Emy Elleboog

Zombiebedrijven

Loonarbeid is een wereld apart. De beroepsvereniging Nationale Centrale Landbouw-Service telt 1160 bedrijven die loonwerk doen en zijn geregistreerd bij het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid. Maar loonwerk is zeer divers. Tijdens ons bezoek aan de kantoren van Wullen in Leisele rijdt een tractor af en aan, met achteraan een laadwagen met een container. Die is gevuld met zand voor grondverstevigingswerken. Loonwerk blijft niet bepekt tot landbouw. Groendiensten en bouw- en wegenwerken zijn sinds de jaren negentig een aanvulling op het gamma. De landbouw behelst onder meer aardappels en bieten rooien, hooi en strobalen persen, en gewasbeschermingsmiddelen besproeien. Het meest gezaaide en geoogste product is graan. Ook groenten zoals bonen, erwten, spinazie en wortelen zijn belangrijk, en voor rekening van de West-Vlaamse cluster van diepvriesgroentemaker, zoals Ardo, Greenyard en Horafrost.

© Emy Elleboog

Bemesten is een vak apart. Een van de grootste loonwerkers, en een specialist in mest, is Broeckx uit Bree. Net als Wullen is het een familiebedrijf, en een van de weinige bedrijven met een solide balans. De sector telt behoorlijk wat zombiebedrijven. Loonwerk is bijzonder kapitaalintensief, met grote machines die al gauw een half miljoen euro kosten. Die machines worden in vijf tot zeven jaar afgeschreven. De meeste loonwerkers hebben zware leasing- en andere bankschulden op hun balansen, slechts matig gecompenseerd door een zwakke solvabiliteit en een geringe liquiditeit. De afschrijvingen snijden vaak ruim de helft van de brutomarge weg - in de jongste balans van Wullen liefst twee derde. Daarbij komen de hoge brutolonen. Wat rest is een mager bedrijfswinstcijfer. Daar moeten dan nog eens de financiële lasten af.

© Emy Elleboog

"De voertuigen zijn duur. Ze moeten dus maximaal worden benut", zegt Antoine Theijs van Nationale Centrale Landbouw-Service. "Een landbouwer gebruikt een tractor gemiddeld 500 uren per jaar. Bij een loonwerker is dat 1000 tot 1200 uren. Bovendien zijn loonwerkers goed voor de helft van de omzet in nieuwe landbouwvoertuigen. Ze kopen ook vaker de duurdere en technologisch nieuwere voertuigen."

De grootste loonwerker van het land is Loonbedrijf Weltjens Bocholt. Het familiebedrijf leed verlies van 2016 tot 2018 en had aan het einde van vorig boekjaar een overgedragen verlies van 2,3 miljoen euro. In zijn verslag van de raad van bestuur van half juni maakte Weltjens zich sterk dat 2019 weer winstgevend wordt. De banken hebben bijkomende leningen toegekend. "In het verleden was Crelan de grootste kredietverschaffer van loonwerkers", zegt Antoine Theijs. "Dat is steeds minder zo. Loonwerk is kapitaalintensief en dat vinden banken interessant. Toch is Crelan nog altijd belangrijk, onder meer via opleidingen en studies. Crelan is de marktleider in Wallonië. In Vlaanderen is dat KBC. De producenten van landbouwvoertuigen hebben soms ook hun eigen interne bank."

© Emy Elleboog

Al in 2012 legde Crelan de vinger op de wonde met een enquête bij de loonwerkers. 29 procent van hen had financiële problemen. "Dat kwam vooral door laattijdige en openstaande betalingen van de klanten, de landbouwers dus", duidt Antoine Theijs. "De financiële toestand van de landbouwers is ook niet rooskleurig. De facturen van de loonwerker worden vaak pas betaald na de uitbetaling van de Europese premies en subsidies aan de landbouwers."

Frankrijk als redmiddel

Solide balansen zijn schaars in de sector. Wullen is een witte raaf met een solvabiliteit van bijna de helft, een stevige cashpositie en een vrij beperkte financiële schuld. De onderneming kon zelfs een dividend van 30.000 euro uitkeren. Jaarlijks investeert ze een half miljoen euro in nieuwe voertuigen. "Wij halen een gezonde cashflow. Maar sommige collega's investeren roekeloos", zucht Marc Wullen. "Wij zijn een atypisch loonbedrijf. Te veel concurrenten doen van alles een beetje en een beetje van alles. Wij hebben ons gespecialiseerd in erwten en bonen, voor de diepvriessector. Bovendien zijn wij steeds dieper Frankrijk in getrokken. Het land betekent vandaag vier vijfde van onze omzet. Franse loonwerkers komen niet zo gauw naar Vlaanderen. De taal blijft een drempel. En blijkbaar kunnen internationale spelers weinig verdienen in België. Tien jaar geleden kregen we concurrentie uit Nederland, maar die is weer verdwenen."

MARC WULLEN (rechts Antoine Theijs) "Wij halen een gezonde cashflow. Maar sommige collega's investeren roekeloos." © Emy Elleboog

Wullen werkt op 4000 hectare landbouwgrond, met voertuigen die in de oogstperiode de klok rond en zeven dagen op zeven aan de slag zijn. In maart start het zaaiseizoen, het oogstseizoen loopt tot in november. Rond Kerstmis en Nieuwjaar volgt even een stille periode. Maar in de wintermaanden worden de voertuigen klaargemaakt voor de komende teelt. "Dat materiaal moet piekfijn in orde zijn. Het wordt heel intensief gebruikt. Onze chauffeurs en mechanici onderhouden de voertuigen zeer nauwgezet." De veertig werknemers in het piekseizoen zijn vooral Noord-Fransen, want het arbeidsreservoir in West-Vlaanderen is zo goed als uitgeput.

Ondanks de gezonde cijfers, toont ook Wullen de fundamentele zwaktes van het zakenmodel achter het loonwerk. In de hangars staan tien Ploeger-machines voor de erwtenoogst, goed voor een half miljoen euro per stuk, roerloos. En dat blijft zo tot in juni, wanneer de erwten worden geoogst. Slechts twee maanden per jaar, van begin juni tot begin augustus, worden de voertuigen gebruikt.

Minder niche, minder winsten

Het voertuigenpark van Annie Van Landuyt is nog veel uitgebreider. Ook bij de zaakvoerster van Agri-Minon in Braine-le-Château staan de hangars vol met materiaal dat slechts enkele dagen per jaar wordt benut. Acht grote voertuigen van New Holland bijvoorbeeld, in Zedelgem gebouwd, maar slechts tien dagen per jaar in gebruik om graan te oogsten. Tijdens ons bezoek wordt maïs geoogst op de heuvels boven het Kanaal van Brussel-Charleroi. De vier voertuigen voor de suikerbietenoogst gaan weldra uit de stal, want oktober is de oogstmaand. Een ander voertuig wiedt onkruid in biologische landbouwgrond. Een ingebouwde camera, gestuurd via artificiële intelligentie, detecteert wat moet worden gewied.

© Emy Elleboog

Het zakenmodel van Annie Van Landuyt (60), die samen met haar zoon Guillaume Agneessens (29) het bedrijf leidt, is anders. "We leveren veel diensten aan landbouwers: van zaaien, mesten, onderhoud van de bermen en de hagen, tot oogsten en voedertransport. In de winter strooien we zout op de parkings van supermarkten. Dat maakt ons klantenbestand heel divers. Bij sommigen oogsten we amper 2 hectare, bij onze grootste klant is dat 130 hectare." De betaling gebeurt per uur of per hectare. "Gelukkig worden we steeds meer per uur betaald, omdat het werk in functie van de oogst kan variëren."

Dat uitgebreide dienstenpakket zorgt weliswaar voor een minder solide balansstructuur. Agri-Minon had in zijn jongste boekjaar een balanstotaal van 2,65 miljoen euro, grotendeels machines en uitrusting. Aan de passiefkant staan veel financiële schulden, en een geringe solvabiliteit.

© Emy Elleboog
© Emy Elleboog