Wie met de trein naar Luik reist, komt aan in het station Luik-Guillemins, een indrukwekkend gebouw van de Spaanse architect Santiago Calatrava dat tien jaar geleden werd ingehuldigd. Enkele honderden meters verderop ligt de Maas. Fietsers en voetgangers kunnen de rivier oversteken via de Passerelle La Belle Liégeoise en komen dan terecht in het Parc de la Boverie, op het eilandje Outremeuse.
...

Wie met de trein naar Luik reist, komt aan in het station Luik-Guillemins, een indrukwekkend gebouw van de Spaanse architect Santiago Calatrava dat tien jaar geleden werd ingehuldigd. Enkele honderden meters verderop ligt de Maas. Fietsers en voetgangers kunnen de rivier oversteken via de Passerelle La Belle Liégeoise en komen dan terecht in het Parc de la Boverie, op het eilandje Outremeuse. "Dit was een van de belangrijkste locaties van de wereldtentoonstelling van 1905", vertelt Alain Delaunois, wetenschappelijk medewerker van de stedelijke musea van Luik. "Het Museum voor Schone Kunsten is het enige overblijfsel dat na de tentoonstelling overbleef. Het diende als expositie- en feestpaleis, later als museum voor de collecties Waalse kunst. Van 1980 tot 2013 was dit het Museum voor moderne en hedendaagse kunst (MAMAC), maar het gebouw verkeerde tegen die tijd in een jammerlijke staat. Het voldeed niet meer aan de normen voor een hedendaags museum. Bovendien waren er problemen met de veiligheid en de brandveiligheid." Eind jaren tachtig was het Luikse stadsbestuur compleet berooid. Het torste een schuldenberg van 850 miljoen frank. Om snel 40 miljoen te cashen, stelde een van de schepenen voor La famille Soler te verkopen. "Dat is een vroeg meesterwerk van Pablo Picasso uit 1903 en een van de meest waardevolle stukken van onze collectie", zegt Delaunois. "Sommige bezoekers komen enkel en alleen voor dat werk naar Luik. Het voorstel om het te verkopen was eerder een noodkreet dan een ernstige overweging. Zwans, zoals ze in Brussel zeggen. Bovendien behoort het werk toe aan de gemeenschap. Je kan het niet zomaar verkopen." Ook al wogen de jaren negentig zwaar voor de stad en haar inwoners, de Picasso bleef in Luik. Gespijsd met federale en Europese tegemoetkomingen ondergaat de stad sinds het begin van de jaren 2000 een ingrijpende herontwikkeling. Getuigen zijn het stationsgebouw, de voetgangersbrug en het compleet vernieuwde museum, dat werd omgedoopt in La Boverie. "De stad liet het gebouw compleet renoveren, zodat het voldoet aan de hedendaagse energienormen", blikt Delaunois terug. "Daarnaast was er ruimte voor uitbreiding. De kelders werden anderhalve meter dieper uitgraven, zodat de ondergrondse vertrekken hoger werden. Sindsdien benutten we die als expositieruimte voor onze permanente collectie en voor onze galérie noire. Daar stallen we werken uit die bijzonder gevoelig zijn voor licht, vocht en stof. Ze worden verlicht met koud licht. Dat floept pas aan als er een bezoeker passeert." "We kregen er ook een heel nieuwe vleugel bij. Die is ontworpen door de Franse architect Rudy Ricciotti, de man die zijn strepen verdiende met het ontwerp van het Musée des Civilisations de l'Europe et de la Méditerranée (MuCEM) in Marseille. Het ontwerp was Frans, maar de uitvoering gebeurde door Belgische aannemers. De kosten liepen op tot 23,5 miljoen euro, niet abnormaal voor een project van deze omvang." De nieuwe vleugel van Ricciotti is een enorme glazen box van 1000 vierkante meter die over de Maas lijkt te zweven. "Van meet af aan was het de bedoeling dat het Musée de La Boverie meer zou zijn dan een onderkomen voor de permanente collecties van de stad", vertelt Delaunois. "We willen het voortouw nemen in de culturele dynamiek van Luik. We fungeren als een soort etalage voor hedendaagse kunstenaars en stallen hier uiteenlopende culturele projecten uit, in de brede zin van het woord. Ook geschiedenis kan hier een plek krijgen. Dat deden we twee jaar geleden bijvoorbeeld met een tentoonstelling over de industriële pionier John Cockerill." "Onze inrichtende macht, de stad Luik, hecht bijzonder veel waarde aan toegankelijkheid. We willen de barrières om hier over de vloer te komen zo laag mogelijk houden. Enerzijds door ons niet elitair te profileren, daarvoor hebben we bijvoorbeeld strips opgenomen in onze collectie. Anderzijds zijn onze tarieven laag. Een ticket voor de huidige tentoonstelling kost 10 euro, dat is een kleine helft van wat je in Brussel zou betalen voor een expo met zulke grote namen. Werklozen betalen 8 euro, 'behoeftigen' ( article 27) betalen maar 1,25 euro. Voor een gratispolitiek kiezen we doelbewust niet. Onze bezoekers moeten beseffen dat cultuur geld kost. Alleen jongeren onder de 26 jaar mogen gratis binnen, uniek in België." Het museum heeft een unieke samenwerking gesloten met het Louvre in Parijs. "We zijn geen dependance van Parijs zoals het Louvre-Lens", benadrukt Delaunois. "Evenmin hebben we het merk Louvre gekocht, zoals ze in Abu Dhabi hebben gedaan. Ons partnerschap bestaat erin dat we samen met de Parijzenaars tentoonstellingen maken. Het is een mooi visitekaartje als je het Louvre op je affiche kunt zetten, zowel voor de bezoekers als voor andere musea. Sinds de samenwerking krijgen we veel gemakkelijker toegang tot de Franse en buitenlandse musea om werken uit te lenen. Ook omgekeerd. Sinds de heropening ontvingen we een vijfde tot een kwart meer aanvragen om stukken uit te lenen." Op de heropeningstentoonstelling Plein Air in 2016 hingen topwerken uit Parijs en andere buitenlandse musea. Het Louvre hielp La Boverie ook bij de ontsluiting en de scenografie van haar vaste collectie. De Luikenaars betalen daarvoor jaarlijks 50.000 euro. Vorig jaar was er de gezamenlijke tentoonstelling Viva Roma! En volgend jaar zou een derde tentoonstelling met het Louvre worden georganiseerd, maar daarover zijn de violen nog niet gestemd. Volgens Delaunois zit er geen haar in de boter. "De samenwerking verloopt zoals het hoort. En van het typisch Parijse dedain over les petits Belges mogen we niet klagen. Er zijn plannen voor een vierde en vijfde tentoonstelling de komende jaren. De cultuur in Franstalig België sluit bovendien nauw aan bij die in Frankrijk. Kanal in Brussel volgde ons voorbeeld en sloot een overeenkomst met het Centre Pompidou." Dat het Louvre buiten zijn muren treedt, legt La Boverie geen windeieren. In bijna drie jaar telde de instelling 400.000 bezoekers. "De helft daarvan komt uit Wallonië", duidt Delaunois. "10 procent komt uit Vlaanderen. Uit Frankrijk, Nederland en Duitsland komt telkens 7 procent van de bezoekers. En de Brusselaars? Tja, die zijn goed voor 7 à 10 procent. In de ogen van onze vrienden uit de hoofdstad blijven we een beetje le bout du monde, vrees ik. Ze halen hun neus op voor wat in de provincie gebeurt. Of misschien zijn ze stiekem wel jaloers op onze infrastructuur." Met La Boverie beschikt Luik over een kunstmuseum op maat van de eenentwintigste eeuw. Het is een waardige tegenhanger voor het MAC's, het museum voor hedendaagse kunst op de terreinen van de voormalige mijn van Hornu in de buurt van Bergen. Dat is ook lokale mecenassen niet ontgaan. "Sinds de heropening hebben we een aantal mooie werken verworven dankzij gulle gevers", vertelt Delaunois. "Twee werken van Kazimir Malevitsj kregen we voor tien jaar in bruikleen van een anonieme schenker. Alleen de notaris weet wie hij of zij is. Wij weten niet meer dan dat het om authentiek werk van de Russische abstracte kunstenaar gaat." Voor de jongste tentoonstelling Liège. Chefs-d'oeuvre, waarvan Delaunois een van de curators is, richt La Boverie de schijnwerpers op zijn belangrijkste en grootste stukken. "Daarvoor hebben het hele museum leeggehaald, ook de permanente collectie die normaal uit een honderdtal stukken bestaat. Samen met mijn collega's van het wetenschappelijk team maakten we een strenge selectie van 250 opmerkelijke werken. Sommige tonen we voor het eerst sinds de heropening, andere hebben een restauratie ondergaan." Als de bezoeker binnenkomt, staat hij oog in oog met een portret van Napoleon Bonaparte van Jean-Dominique Ingres en een oude tuinman van Emile Claus. "Bonaparte is gekleed in fluwelen ceremoniekledij", beschrijft Delaunois. "Hij straalt een en al macht uit. Door een raam op de achtergrond zie je onze Sint-Lambertuskathedraal. Een pure leugen, want het gebouw was toen al verwoest. Het portret van de toekomstige keizer contrasteert enorm met dat van een anonieme landman. In een prachtig licht komt hij barrevoets en met een bloempot in zijn verweerde handen naar binnen. Een extreem realistisch werk." Verderop is de tentoonstelling chronologisch opgebouwd. De bezoeker maakt een reisje door de kunstgeschiedenis, van de renaissance tot het einde van de vorige eeuw. Van grote doeken van de Luikse homo universalis Lambert Lombard tot de intieme mobiles van Pol Bury. Uiteraard zijn er flink wat Luikse en Belgische kunstenaars te zien, maar ook werk van onder meer Dirk Hals, Claude Monet, Fernand Léger en Oskar Kokoschka. De collectie van La Boverie is niet voor elke periode even sterk. Dat het museum over grote namen uit het interbellum beschikt, heeft het te danken aan een geslepen aankoop in 1939. "We waren aanwezig op de naziveiling bij Galerie Fischer in Lüzern", vertelt Delaunois. "Daar gingen moderne meesterwerken uit Duitse musea onder de hamer die de nazi's als entartete Kunst bestempelden. De toenmalige hoofdconservator sloot een deal met zijn collega's van de musea voor schone kunsten in Brussel en Antwerpen, zodat de prijs niet te hoog werd opgedreven. Zo verwierven wij La famille Soler, naast topstukken van Paul Gauguin, Marc Chagall en James Ensor."