De twaalf rijkste Europese voetbalclubs die de Super League van de grond wilden krijgen, hebben duidelijk het protest tegen hun plan onderschat. Bovendien dreigde de Europese voetbalbond UEFA met de nucleaire optie: geen enkele speler van de "vuile twaalf" zou nog kunnen rekenen op een deelname aan het Europees Kampioenschap of de Wereldbeker, het summum voor elke topvoetballer. Maar hoewel de Super League er niet komt, is de geest uit de fles. In de belangrijkste Europese voetbalcompetitie, de Champions League, krijgen de afvallige topclubs nog meer een beschermde status en een nog groter deel van de koek. Ze staan onvermijdelijk een stap dichter bij de gesloten competitie die de Super League voor ogen had.
...

De twaalf rijkste Europese voetbalclubs die de Super League van de grond wilden krijgen, hebben duidelijk het protest tegen hun plan onderschat. Bovendien dreigde de Europese voetbalbond UEFA met de nucleaire optie: geen enkele speler van de "vuile twaalf" zou nog kunnen rekenen op een deelname aan het Europees Kampioenschap of de Wereldbeker, het summum voor elke topvoetballer. Maar hoewel de Super League er niet komt, is de geest uit de fles. In de belangrijkste Europese voetbalcompetitie, de Champions League, krijgen de afvallige topclubs nog meer een beschermde status en een nog groter deel van de koek. Ze staan onvermijdelijk een stap dichter bij de gesloten competitie die de Super League voor ogen had. "Die gesloten competities zijn het dominante model van zowat alle grote Amerikaanse sporten, maar daar stopt de vergelijking ook", zegt Wim Lagae, sporteconoom van de KU Leuven. "De Super League zou niet op zijn Amerikaans worden georganiseerd. Dat is het grootste misverstand van de voorbije weken. Uit de weinige details die de Super League over zijn plannen vrijgaf, bleek dat de deelnemende clubs de onderlinge solidariteit wilden afbouwen en de regels over financiële fairplay in het Europese voetbal wilden omzeilen. De rijkste clubs wilden nog rijker worden en de rest laten stikken. De NBA en andere nationale competities in de Verenigde Staten werken met een gesloten model, maar ook met een sterke herverdeling van het geld en het talent, en met andere regels, om een zo hoog mogelijk algemeen niveau te bereiken. Het is een paradox: in de meest kapitalistische economie ter wereld zijn die grote competities socialistische systemen. In Europa, met zijn sociaaldemocratische traditie, is het voetbal wild kapitalisme. De Super League zou dat niet veranderen, en ook de hervorming van de Champions League zal dat niet doen." Er is een grote solidariteit in de Verenigde Staten. De NFL, de competitie van het American football, is het meest genereus. Ze genereerde in het seizoen voor de coronacrisis een jaaromzet van 16 miljard dollar, waarvan 9,5 miljard in een gemeenschappelijke pot gaat op basis van tv-rechten, sponsors en andere nationale inkomsten. Dat geld wordt netjes verdeeld: de 32 clubs krijgen elk 296 miljoen. De rest van die 16 miljard dollar is lokale omzet die de clubs zelf genereren, vooral met de ticketverkoop. Die omzet mogen ze bijna volledig houden. Dat maakt dat er nog altijd grote verschillen tussen de teams zijn. De Dallas Cowboys zouden voor de coronacrisis per seizoen 980 miljoen dollar opstrijken, vooral omdat hun enorme stadion met 80.000 zitjes bijna altijd is uitverkocht is voor wedstrijden. Mindere goden zoals de Las Vegas Raiders en de Los Angeles Chargers zitten onder 400 miljoen dollar. Bij de NBA (basketbal), de MLB (honkbal) en de NHL (ijshockey) zijn de transfers minder groot in absolute cijfers. Maar de grootste en meest succesvolle clubs, meestal in grootsteden, staan proportioneel wel veel af aan de teams uit kleine markten, die minder lokale reclame en sponsors kunnen ronselen of minder gemakkelijk stadions kunnen vullen. "Grootschalige overkoepelende reclame en sponsorcontracten zijn zeldzaam in Europa. Vaak blijven die beperkt tot de naam, zoals de Jupiler League of de Croky Cup", zegt Lagae. "In de Verenigde Staten zijn die gemeenschappelijke deals veel beter uitgebouwd. Samen met de tv-gelden vormen ze een grotere gemeenschappelijke pot. Die solidariteit is een van de belangrijkste maatregelen om de spankracht van de competities te verzekeren. Daarnaast is er het draftsysteem: de laagst gerangschikte teams mogen voor het volgende seizoen als eerste kiezen uit de nieuwe lichting van vrije, beloftevolle spelers. Zo vinden ze de broodnodige versterking. Om de taart voor iedereen zo groot mogelijk te maken, moet de competitie spannend blijven: dat is de basisfilosofie." De NFL, de NBA, de NHL en de MLB hebben daarom ook regels voor de verloning van de spelers. De loonmassa van de spelers mag meestal maximaal de helft bedragen van een bedrag dat wordt bepaald op basis van de gemiddelde omzet per team in de competitie. Clubs die daarboven gaan, krijgen een boete. Dat knipt de vleugels van de financieel sterkste teams, al durven die dat systeem te omzeilen. In de NBA heet die boete de luxury tax. Zo moeten de Golden State Warriors dit jaar 116 miljoen dollar in de pot storten omdat de club haar loonplafond fors overschreden heeft. Dat brengt de Warriors financieel niet op de knieën: na aftrek van de gewone transfers hadden de Warriors voor de coronacrisis nog een bedrijfsresultaat van 200 miljoen dollar. "De loonplafonds zijn niet alleen bedoeld om een gelijker speelveld te creëren", zegt Lagae. "Ze zijn ook een manier om de clubs tegen zichzelf te beschermen. Het is nefast voor een competitie als clubs failliet gaan, dus proberen ze op die manier een opbod te voorkomen. In het Europese voetbal moesten de financiële-fairplayregels een soortgelijk doel dienen, maar ze hebben nog te weinig effect. Het Europese voetbal blijft kampen met een systeemfout: de clubs worden te veel gestimuleerd om geld uit te geven dat ze niet kunnen terugverdienen. Of het gaat om kampioen spelen, lucratief Europees voetbal binnenhalen of een degradatie vermijden: de grotere sportieve inzet dwingt zowat alle voetbalclubs tot overinvesteringen en grote verliezen. De spelerskernen van de Engelse Premier League zijn bijvoorbeeld zo groot en duur, dat ze de clubs gemiddeld meer dan 60 procent van hun omzet kosten. Dat is financieel niet gezond. Een gesloten competitie waarin ploegen voor langere tijd zeker zouden zijn van hun plaats, zou de voetbalclubs minder opjagen. Maar zelfs als dat verteerbaar zou zijn voor de fans, dan is het nog maar de vraag of dat wel zou passeren bij de mededingingsautoriteiten op het Europese of het nationale niveau. Een gesloten competitie is een kartel, en dat wordt hier meestal hard aangepakt." Ook zijn collega-sporteconoom Trudo Dejonghe (KU Leuven) vindt het Amerikaanse model beter: "Het is een superieur systeem. De gesloten competities zijn het logische gevolg van de veel snellere professionalisering van de sport in de Verenigde Staten. Die is er gekomen omdat de tv-rechten daar veel sneller zijn doorgebroken als voornaamste financieringsbron. In Europa is het voetbal ondanks alle professionalisering blijven vasthouden aan een structuur die meer op het lijf van amateurclubs geschreven is. Het is een mooi principe dat iedereen mag proberen te winnen, maar het staat haaks op een gezonde sporteconomie. We zouden in het profvoetbal beter evolueren naar gereguleerde en gesloten competities, ook al ligt dat gevoelig." Maar een gesloten competitie zou niet alle problemen oplossen, stelt Dejonghe. "De Super League is een verzetsdaad tegen de Europese voetbalbond UEFA. Die beheert ons profvoetbal slecht. Te veel van het geld van de tv-rechten blijft plakken. De Champions League is bovendien ook slechts goed voor 2,5 miljard, terwijl de NFL bijna aan 10 miljard zit. Het is logisch dat de grootste Europese voetbalclubs gefrustreerd naar het Amerikaanse model kijken, waar de clubs wel machtig genoeg zijn." De vraag is of ook het Amerikaanse model niet in overdrive is gegaan. Enkel rijke Amerikanen kunnen zich nog tickets veroorloven. De telecomoperatoren rekenen de steeds duurdere tv-rechten door aan hun klanten. Jonge spelers moeten zich eerst bewijzen in de fysiek slopende sportcompetities tussen de Amerikaanse universiteiten. Die laatste verdienen er miljarden mee, maar de spelers krijgen enkel een studiebeurs en wat extralegale voorwaarden. De profclubs zijn zo machtig dat ze belastingvoordelen afdwingen, of lokale overheden zover krijgen dat ze de factuur voor een nieuw stadion meebetalen. Anders zoekt het team wel andere oorden op. De NFL-club Dallas Cowboys, met een omzet van bijna 1 miljard dollar, kon bijvoorbeeld rekenen op 325 miljoen dollar belastinggeld voor de bouw van zijn nieuwe stadion. De eigenaar van de Dallas Cowboys is nochtans een ex-oliemagnaat met een vermogen van 8,7 miljard dollar. Door al die excessen omschreef de Amerikaanse sporteconoom John Vrooman de NFL en Amerikaanse andere sportcompetities als "ongereguleerde kartels met een vergunning om de fans, de spelers en de belastingbetalers uit te buiten."