Alle Europese bedrijven registreren hun broeikasuitstoot jaarlijks in het European Pollutant Release and Transfer Register (E-PRTR) van het Europees Milieuagentschap. Omdat de Belgische industrie en energieproductie goed zijn voor bijna de helft van de CO2-uitstoot in ons land, dook Trends in hun emissiecijfers.
...

Alle Europese bedrijven registreren hun broeikasuitstoot jaarlijks in het European Pollutant Release and Transfer Register (E-PRTR) van het Europees Milieuagentschap. Omdat de Belgische industrie en energieproductie goed zijn voor bijna de helft van de CO2-uitstoot in ons land, dook Trends in hun emissiecijfers. Tussen 2009 en 2019 stootten de Belgische grote bedrijven 529 miljoen ton CO2 uit. Een vijfde daarvan staat op het conto van de staalproducent ArcelorMittal. Die stootte in die periode gemiddeld 9,7 miljoen ton CO2 per jaar uit. Het nummer twee is de energieproducent Electrabel, het huidige Engie. Die stootte de helft minder uit. De top tien van grootste uitstoters is goed voor 68 procent van de totale geregistreerde CO2-uitstoot in België tussen 2009 en 2019. De meest vervuilende sectoren zijn de staalindustrie, de petrochemie, de energieproducenten en de cementsector. De CO2-uitstoot is de afgelopen tien jaar gestaag gedaald. Omdat 2009 door de financiële crisis geen representatief jaar is, nemen we 2010 als basis. Dan zien we dat de totale uitstoot negen jaar later 20 procent lager lag, goed voor een daling van 2 procent per jaar. Tussen de ongeveer tachtig bedrijven die Trends onder de loep nam, zijn grote verschillen in de uitstootevolutie. De chemiereus Ineos heeft bijvoorbeeld veel overnames gedaan in ons land en verdubbelde daarmee zijn uitstoot. Het Britse oliebedrijf BP schroefde zijn productie terug en deed daarmee zijn uitstoot met meer dan een derde dalen. Een belangrijke kanttekening bij die algemene daling van 20 procent is dat de industriële productie in dezelfde periode met 20 procent is gestegen, volgens de OESO. De daling is te danken aan de almaar stijgende efficiëntie van onze industrie. Die continue zoektocht om meer te produceren met minder grondstoffen en energie heeft van het Belgische industriële apparaat een van de meest performante ter wereld gemaakt. ArcelorMittal Gent is daar een goed voorbeeld van. "Ons staal is 20 tot 30 procent groener dan het gemiddelde staal uit de rest van de wereld", stelt Manfred Van Vlierberghe, de CEO van de Belgische tak van de staalproducent. "Per ton staal stoten wij 1,7 ton CO2 uit, terwijl dat elders 2 ton of meer is." De staalreus wil zijn productie in ons land nog verder vergroenen (zie kader onderaan De vergroening van de grootste uitstoters). Hetzelfde geldt voor de chemiecluster in Antwerpen. "Daar is de jarenlange doorgedreven optimalisatie van de productieprocessen een troef", zegt Els Brouwers, de directeur energie en klimaat bij essenscia, de Belgische koepelorganisatie voor de chemiesector. "Doordat alle bedrijven er op een zakdoek zitten, kun je reststromen en restwarmte met elkaar delen. Zo worden grondstoffen en energie optimaal benut." Als voorbeeld geeft ze het stoomnetwerk Ecluse, waarmee de stoom van afvalverbrandingsovens wordt gebruikt in de productieprocessen van de omliggende chemiebedrijven. Dankzij zulke innovaties is de uitstoot van broeikasgassen in de chemiesector in Vlaanderen sinds 2005 met ruim een kwart gedaald. Maar die efficiëntiewinsten botsen op hun limieten. De emissiereducties die ze de industrie brachten, zijn niet voldoende om de Europese klimaatdoelstellingen te halen. Tegen 2030 moet de uitstoot 55 procent zakken en tegen 2050 moeten we koolstofneutraal zijn. Dat zal van onze industrie en energieproducenten een grote inspanning vergen. Ze zullen daarvoor uit een ander vaatje moeten tappen. "De processen zijn in grote mate geoptimaliseerd, waardoor het rendement van bijkomende investeringen in uitstootreductie steeds kleiner wordt", stelt Tomas Wyns, onderzoeker klimaat en duurzame ontwikkeling aan de VUB. "Als we in de industrie de uitstoot radicaal willen terugdringen, moeten we vooral naar doorbraaktechnologieën kijken." Een voorbeeld daarvan is de proefinstallatie Leilac van de cementproducent CBR in Lixhe. Daarin test het bedrijf een potentieel baanbrekende technologie om CO2 op te vangen tijdens de productie van cement. Er is een verschuiving van het zoeken naar efficiëntiewinsten in de bestaande processen naar de transformatie van die processen, zegt ook Pieter-Willem Lemmens, klimaat- en energiespecialist bij het studiebureau Climact. "Bedrijven hebben door dat het de overheden menens is met het klimaatbeleid. Er zijn steeds meer transformatieprojecten en nieuwe technologieën. De bedrijven beconcurreren elkaar ook sterk voor de publieke middelen die daarvoor zijn vrijgemaakt", zegt hij. Een andere prikkel is de prijs van CO2 die via het Europese emissiehandelssysteem wordt bepaald. Elk jaar daalt het aantal verhandelbare uitstootrechten, waardoor de CO2-prijs vroeg of laat hoog genoeg zal zijn om de nieuwe technologieën rendabel te maken. "De verscherpte klimaatdoelstellingen van de Europese Unie doen de CO2-prijs al stijgen. Dat is een prikkel voor de industrie om meer in nieuwe technologie te investeren", zegt Tomas Wyns. Het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (Vlaio) publiceerde eind vorig jaar een studie over welke doorbraaktechnologieën cruciaal zullen zijn om de industrie tegen 2050 koolstofneutraal te maken. Dat zijn er vier. Ten eerste moeten industriële productieprocessen waar mogelijk worden geëlektrificeerd en waterstof gebruiken als grondstof. Ten tweede moeten kunststoffen veel meer worden hergebruikt. Circulariteit is daarbij het sleutelwoord. De industrie moet ook meer duurzame biomassa gebruiken als grondstof voor haar producten of als energiebron voor haar processen. Ten vierde zullen de opvang en het hergebruik van CO2 onvermijdelijk zijn om de klimaatdoelstellingen te halen. De opgevangen CO2 kan dienen om ethanol of methanol mee te maken, allebei waardevolle basismoleculen in de chemie. Lees verder onder de interactieve kaart"De komende tien jaar moet vooral worden geïnvesteerd in demonstraties van die nieuwe technologieën om ze vervolgens op grote schaal uit te rollen", zegt Tomas Wyns, die de studie mee uitvoerde. "Als je een chemie- of een staalfabriek radicaal wilt veranderen, moet je zeker zijn dat zo'n nieuw productiesysteem werkt op grote schaal. Daarom zal de echte kentering er pas na 2030 komen", voorspelt hij. Die ommezwaai zal tijd vergen, zegt ook Pieter-Willem Lemmens. "Zulke demonstratieprojecten moeten enkele jaren proefdraaien voor je ze op industriële schaal kunt opzetten. Dan moet je er nog vergunningen voor krijgen en de installaties bouwen. Vanaf de planning tot een operationele installatie duurt het al gauw vijf tot tien jaar", stelt hij. Maar zelfs als die technologieën levensvatbaar en rendabel blijken, zijn we er nog niet. "Een andere belangrijke vraag is of we op tijd de logistieke netwerken, infrastructuur en hernieuwbare-energievoorziening zullen hebben om de nieuwe processen en technologieën te laten draaien", zegt Tomas Wyns. Ook de chemiesector moet op zoek naar nieuwe, klimaatvriendelijke productieprocessen, zegt Els Brouwers van essenscia. Maar een groter vraagstuk is volgens haar de energie waarop die processen draaien. "De zoektocht naar energiedragers die zo koolstofarm mogelijk zijn, is een belangrijke werf", legt ze uit. "We kunnen het klimaatprobleem ook zien als een energieprobleem. We moeten de energiedragers waarop de industriële processen draaien, omgooien naar koolstofarme varianten. Dat is al deels gebeurd met de omschakeling van steenkool en olie naar gas en elektriciteit." De klimaatomslag van de industrie zal meer energie vergen. "In ons transport of onze gebouwen moeten we energie besparen. Maar voor de chemie geldt dat minder uitstoten extra energie zal vragen. Voor alle oplossingen om die energie klimaatneutraal te maken - van circulariteit tot koolstofopvang of het gebruik van waterstof om van koolstof iets anders te maken - is alleen maar meer energie nodig. De vraag is hoe klimaatvriendelijk die zal zijn. Het succes van het klimaatbeleid hangt voor een groot deel af van de vraag of we voldoende koolstofarme energie zullen hebben tegen een competitieve prijs." Volgens Niels Smolders van Engie moeten de industrie en de energieleveranciers nog nauwer samenwerken. "Energieopwekking zou een inherent onderdeel van een industrieel productieproces moeten zijn, waarbij naast stoom en elektriciteit ook restgasverwerking, groene moleculen en CO2-oplossingen worden geleverd. Dat zal op de maat van de bedrijven moeten worden uitgewerkt." Voor Tycho Van Hauwaert, beleidsmedewerker industrie bij Bond Beter Leefmilieu, gaat de transitie veel te traag en is er geen duidelijk beleid. "De overheid en de industrie leggen niet genoeg ambitie aan de dag. Er ontbreekt een transitieplan en een industrieel kader die de ommezwaai mogelijk maken. Er is een radicale omgooi van productieprocessen nodig. We moeten inzetten op pionierbedrijven die oplossingen bieden voor de fossiele waardeketens die we nu nog hebben. Aan wie gaan de raffinaderijen in 2050 nog diesel verkopen? Ze onderschatten de klimaatproblematiek en wat die betekent voor hun productie", stelt hij. Die omschakeling hoeft niet nefast te zijn voor onze economie. Van Hauwaert: "De circulaire economie zal arbeidsintensief zijn en vereist veel nieuwe vaardigheden. Dat biedt kansen om de juiste banen en industrie hier te houden." "De industrie is nogal gauw de zondebok, maar dit gaat ons allemaal aan. Iedereen gebruikt de producten die chemiebedrijven maken", zegt Els Brouwers. "Die zullen bovendien hoognodig zijn in een klimaatneutrale economie. De industrie maakt de basismaterialen van onder meer windmolens, isolatie en zonnepanelen", voegt Manfred Van Vlierberghe van ArcelorMittal toe. "Zonder industrie is een moderne samenleving zoals de onze niet mogelijk. Het is een mythe dat een klimaatneutrale samenleving een industriearme samenleving zal zijn", besluit Tomas Wyns.