De Amerikaanse overheid beslist momenteel welke diensten de mededingingsonderzoeken naar onder meer Apple, Google en Facebook zullen voeren. De techreuzen vrezen het ergste, want ze weten heel goed dat Microsoft zo van zijn troon werd geduwd. Ongeveer twintig jaar geleden openden zowel de Europese als de Amerikaanse overheid onderzoeken naar Microsoft wegens machtsmisbruik. De softwarereus werd onder meer aangeklaagd voor de manier waarop hij toen de pionier Netscape kapot kneep door het eigen Internet Explorer als standaardbrowser te installeren op zijn dominante Windows-besturingssysteem. Het was het begin van een juridische uitputtingsstrijd waarin Microsoft heel even vreesde in stukken te worden gehakt door de Amerikaanse overheid, zoals eerder het te dominante Standard Oil en de telecomreus AT&T. Uiteindelijk kwam Microsoft er vanaf met enkele zware boetes, maar het moest wel toestaan dat onafhankelijke toezichthouders in het bedrijf over de strategie mochten meebeslissen.

Twintig jaar na datum leidt de zaak nog altijd tot verhitte discussies. Voorstanders vinden dat de harde aanpak van Microsoft meer dan rendeerde. De Amerikaanse overheid keek na de veroordelingen in het Netscape-dossier over de schouder mee. Microsoft durfde door die interne schoonmoeders niet meer opnieuw zijn marktmacht te gebruiken om kleinere concurrenten de pas af te snijden. Samen met de dreiging tot nieuwe miljardenboetes leidde dat tot de doorbraak van Google en nieuwe mobiele besturingssystemen.

Tegenstanders vonden de onderzoeken en juridische veldslagen een enorme verspilling van tijd en geld. De markt deed Microsoft sowieso een toontje lager zingen. Gebruikers kozen massaal voor Googles zoekmachine en Apple kon een beter besturingssysteem voor smartphones leveren omdat het zowel hardware- als software-expertise had. Google kon zijn gratis Android-systeem terugverdienen via mobiele advertenties en extra data over gebruikers. Microsoft was telkens tot een bijrol gedegradeerd.

Genoeg stokken om de honden te slaan

Beide kampen hebben goede argumenten, maar voorstanders van een streng concurrentiebeleid hebben nu de wind mee. De techgiganten hebben er de voorbije jaren een potje van gemaakt. Facebook bleek bijzonder roekeloos om te springen met de privacy van zijn 1,5 miljard dagelijkse gebruikers. Bij de overname van WhatsApp brak het ook de belofte de data van de berichtendienst apart te houden van Facebook. Apple misbruikt zijn populaire appstore om de apps van Spotify, Amazon en andere concurrenten minder gebruiksvriendelijk te maken. Google pushte dan weer zijn inferieure prijsvergelijker in zijn zoekresultaten en onder druk van Europees commissaris Vestager moet het minder strikte voorwaarden opleggen aan smartphonefabrikanten voor het gebruik van het Android-besturingssysteem.

De techgiganten moeten op korte termijn rekening houden met miljardenboetes. Er zijn heel veel onderzoeken naar misbruik van de marktmacht mogelijk. Op lange termijn wordt het vooral uitkijken hoe de Verenigde Staten en Europa het techlandschap hertekenen. Dat zullen ze vooral doen door de giganten te verbieden in naburige sectoren actief te zijn. Het is heel goed mogelijk dat Google zijn zelfrijdende auto's moet afstoten of Facebook geen internetprovider mag worden. Die beslissingen, waarbij giganten als een boom worden gesnoeid om andere bedrijven in hun schaduw te laten groeien, hebben in het verleden al gewerkt om nieuwe sectoren mogelijk te maken.

De kwalijke erfenis van AT&T

Een van de bekendste voorbeelden heeft de basis gelegd voor het succes van de techindustrie. De telecomgigant AT&T was vanaf het einde van de negentiende eeuw de Google van zijn tijd. De gigantische winsten van zijn feitelijke monopolie in het Amerikaanse telefoonverkeer werden deels geïnvesteerd in enorme onderzoekslabo's. Onderzoekers aan de fameuze Bell Labs ontwikkelden onder meer de transistor, de voorloper van de moderne computerchip, en het eerste besturingssysteem voor computers. Zowel de technologie achter de transistor als het Unix-systeem moest onder druk van de Amerikaanse overheid worden vrijgeven in de jaren vijftig en zestig. Dat had enorme gevolgen. De transistor werd verder ontwikkeld in Silicon Valley en leidde uiteindelijk tot de creatie van de chipgigant Intel. Het vrijgeven van Unix zorgde ervoor dat verschillende softwarespelers ontstonden die besturingssystemen ontwikkelden. De software van Apple is nog altijd gebaseerd op de Unix-architectuur.

De Amerikaanse overheid was daarmee geslaagd in haar opzet. Het was bang dat AT&T de halfgeleider- en de software-industrie zou domineren. In combinatie met zijn monopolie in de telecom zou AT&T veel te machtig worden. Net zoals nu met China waren de Verenigde Staten bang dat de Sovjet-Unie haar technologische achterstand in een voorsprong had omgebogen. Bovendien waren er aanwijzingen dat oppermachtige bedrijven als AT&T ook nefast waren voor innovatie, ondanks al hun enorme investeringen in onderzoek en ontwikkeling. In het boek The Master Switch beschrijft de techcriticus Tim Wu hoe AT&T al in de jaren dertig het antwoordapparaat had uitgevonden. De telecomgigant wou dat niet commercialiseren uit vrees dat mensen minder zouden bellen en zweeg de uitvinding dood.

Uit eigenbelang hield AT&T zo een innovatiegolf tegen, want voor het antwoordapparaat had het ook een revolutionaire technologie ontwikkeld: het opslaan van data op magnetische tape, zeg maar de voorloper van de harde schijf. De technologie zou pas weer op de voorgrond komen tijdens de wapenwedloop tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De echte inzet van de strijd tussen de concurrentiewaakhonden en de techgiganten is dus niet de mogelijke miljardenboetes of Facebook dat pakweg WhatsApp of Instagram moet afsplitsen, maar hoe de dynamiek van de techsector gevrijwaard blijft.

De voorbije 25 jaar kende de techsector, in het bijzonder in de Verenigde Staten, een ongeziene bloei. En dat komt deels omdat de techreuzen niet op hun prestaties uit het verleden kunnen teren en zich moeten reppen om kleinere, maar innovatieve spelers af te houden. De concurrentiewaakhonden zijn er zich duidelijk steeds meer van bewust dat dat fragiele evenwicht verstoord is en dat de volgende Mark Zuckerberg minder kans heeft om uit te groeien tot een nieuwe techtitaan.