Dit is het tweede deel van een reeks over de lessen die Vlaanderen kan trekken uit het succes van Carnegie Mellon University. Volgende week verschijnt de laatste aflevering, over een Belgische hoogleraar die zijn bedrijf heeft verkocht voor 250 miljoen dollar. Lees alvast ook het eerste deel: De transformatie van Pittsburgh: Steel City als uitdager van Silicon Valley
...

Professor Tuomas Sandholm heeft een comfortabel maar bescheiden kantoor bij Carnegie Mellon University in Pittsburgh, met de klassieke kasten vol boeken en enkele diploma's aan de muur. Het enige wat uit de toon valt, is de microfoon op zijn bureau, die uit een radiostudio lijkt te komen. "Ik spendeer veel tijd aan conferencecalls. Mensen kunnen mij daardoor beter verstaan. Met mijn Finse accent hebben ze het al moeilijk genoeg mijn Engels te begrijpen", zegt Sandholm. De naar de Verenigde Staten geemigreerde hoogleraar heeft niet alleen veel verantwoordelijkheden op de universiteit, hij runt ook drie bedrijven die zijn onderzoek naar artificiële intelligentie toepassen in het dagelijkse leven. Een eerder verkocht bedrijf is gespecialiseerd in geautomatiseerde veilingprocedures. Het verwerkte voor 60 miljard aan transacties, van goederenvervoer tot offertes voor juridisch advies. Bij Carnegie Mellon is Sandholm lang niet de enige ondernemende onderzoeker. De universiteit behoort bij de beste presterende instellingen ter wereld die toepassingen uitwerken voor hun wetenschappelijk onderzoek. Intern wordt dat beleid samengevat als '5 procent en ga in vrede': Carnegie Mellon krijgt een participatie van 5 procent in elk bedrijf dat wordt opgericht met onderzoek en technologie die de universiteit heeft gefinancierd. De randvoorwaarden kunnen verschillen van geval tot geval, maar iedereen krijgt dezelfde behandeling. "In de achttien jaar dat ik hier werk, heb ik het beleid enkel zien verbeteren. Door die standaardregeling kun je hier in heel korte tijd een spin-off opstarten. De universiteit is terecht van mening dat het financieel beter rendeert participaties te nemen dan licenties op technologie te verkopen", zegt Sandholm. Sandholm en zijn collega's zijn niet alleen uit op financieel rendement. Zijn vakgroep heeft bijvoorbeeld een non-profitorganisatie opgezet, die met een algoritme nierpatiënten een geschikte donor helpt te vinden. "Je wilt bijvoorbeeld een nier afstaan aan een vriend of een familielid, maar je bloedtype en andere parameters zijn niet compatibel", legt Sandholm uit. "Ons algoritme maakt het gemakkelijker goede paren te maken, door een lange en vaak complexe ruilketting te maken met donoren. Je staat nog altijd je nier af, maar die komt bij iemand anders terecht en in ruil staat een onbekende donor zijn nier af aan je vriend of je familielid." Libratus is wellicht Sandholms bekendste realisatie. Die robot verslaat de beste pokerspelers ter wereld. "Ik begrijp dat mensen daar het nut niet van inzien, maar het gaat om de complexiteit van het probleem. De software moet beslissingen nemen op basis van onvolledige informatie en de acties van andere partijen interpreteren, zoals in het dagelijkse leven bijna voortdurend gebeurt. De principes en de algoritmes achter Libratus hebben dus veel meer toepassingen." Dankzij Sandholm en nog een paar honderd andere collega's stond Carnegie Mellon begin dit jaar op de eerste plaats in de invloedrijke ranking van het US News & World Report, dat de beste opleidingen in artificiële intelligentie in de Verenigde Staten oplijst. Bij Carnegie Mellon zijn ze trots op die eerste stek, onder meer omdat ze eindigen vóór de beter gefinancierde rivalen MIT in Boston en Stanford in Silicon Valley. Carnegie Mellon heeft een budget van ongeveer 1,3 miljard dollar, terwijl het MIT dubbel zoveel kan uitgeven en Stanford zelfs vier keer zoveel. Bovendien hebben die twee instellingen veel meer financiële reserves. Carnegie Mellon speelt enkele klassen hoger dan de Vlaamse universiteiten, maar toch kan het een goed voorbeeld zijn, vindt Danielle Raspoet van de Vlaamse Adviesraad voor Innoveren & Ondernemen (VARIO), die Carnegie Mellon onlangs bezocht als lid van een Vlaamse delegatie (zie kader Intussen in Vlaanderen). "Carnegie Mellon werkt heel interdisciplinair. Bij ons zijn de schotten tussen de verschillende onderzoeksgroepen een stuk hoger, wat het wetenschappelijk onderzoek kan vertragen. Daarnaast viel mij vooral de wisselwerking tussen de universiteit en de privésector op." "Hoogleraren en onderzoekers kunnen een start-up beginnen of even bij Google of andere techbedrijven werken en terugkeren, zonder voor hun academische carrière te vrezen", weet Raspoet. "Bij ons heeft dat vaak een negatieve impact op de academische carrière. Wellicht zijn we in Vlaanderen daar iets te terughoudend in. Wij zijn zelfs al bang van de schijn van een belangenconflict. De verbetering van de interdisciplinariteit en de wisselwerking met de privé hoeven ons model met een focus op democratisch onderwijs niet in de weg te staan. In de internationale rankings scoort Vlaanderen overigens zeer goed, en dat met beperkte budgetten." De toplui van Carnegie Mellon gaven toe dat hun koppositie in artificiële intelligentie voor een stuk toeval is. Twee van de vier onderzoekers die in de jaren vijftig de eerste software voor kunstmatige intelligentie schreven, waren verbonden aan Carnegie Mellon. Maar dat is slechts een deel van het verhaal. Carnegie Mellon is een mooie case van hoe een instelling het maximum haalt uit een gelukstreffer en vooruitziend investeert in beloftevolle technologie. De koppositie in artificiële intelligentie is ook het gevolg van zware investeringen. Ondernemer Andrew Carnegie stichtte in 1900 in Pittsburgh een technische hogeschool voor ingenieurs. De steenrijke familie Mellon richtte enkele decennia later een onafhankelijk onderzoeks- en ontwikkelingslab op. Die instellingen fuseerden eind jaren zestig tot de Carnegie Mellon University, die voortbouwde op de rijke traditie van excellentie in technologisch onderzoek. Carnegie Mellon legt niet alle eieren in dezelfde mand. Naast het toegepaste onderzoek van de universiteit is er ook de spin-off National Robotics Engineering Center (NREC). Dat lab ontwikkelt robots voor derden, onder meer voor het Amerikaanse leger en grote industriële bedrijven. In de wijk rond de NREC heeft zich een twintigtal roboticaspelers gevestigd, waaronder Uber en Apple. Dat doen ze deels om talent weg te kapen. De spin-off heeft een enorme voorsprong in zelfrijdende auto's. In het lab staat onder meer een zelfrijdend en gepantserd transportvoertuig van het Amerikaanse leger en een zelfrijdend landbouwvoertuig. Jeff Legault, die verantwoordelijk is voor het binnenhalen van nieuwe onderzoekscontracten voor de NREC, wijst erop dat robotica nog altijd een heel dure onderzoeksdiscipline is. "De vooruitgang over de voorbije tien jaar was enorm, maar er zijn nog veel obstakels. De onderzoekscontracten starten aan 5 miljoen dollar, gespreid over vijf jaar. Dat is een hoog bedrag, ook omdat we hier echte prototypes willen maken die direct inzetbaar zijn en een economische return kunnen opleveren."