Een overheid investeert niet om winst te maken, maar om gemeenschapsgoederen te creëren. Dat is een duidelijke definitie. De praktijk is dat helaas minder. Want welke gemeenschapsgoederen verdienen prioriteit?
...

Een overheid investeert niet om winst te maken, maar om gemeenschapsgoederen te creëren. Dat is een duidelijke definitie. De praktijk is dat helaas minder. Want welke gemeenschapsgoederen verdienen prioriteit? De vraag rijst eens te meer, nu de stad Gent meerderheidsaandeelhouder wordt van het voetbalgedeelte van de Ghelamco Arena, het stadion van landskampioen AA Gent. Alles samen pompt de stad bijna 25 miljoen euro in het gebouw. Geld dat volgens critici beter was besteed aan onderwijs of andere sociale behoeften, dan aan een grasmat en sierlijk beton voor zwaarbetaalde voetballers.Het is een moeilijke, en in se eindeloze discussie. Levert de investering in het Brugse Concertgebouw een hoger maatschappelijk rendement op dan die in een nieuw voetbalstadion? Trek je een lijn tussen amateur- en profsporten, of trek je die tussen profvoetbal en andere profsporten als basketbal, volleybal of wielrennen? Het zijn vragen die een maatschappelijk debat verdienen. Transparantie is daarbij een noodzaak. Gent lijkt daar beter te scoren dan het schimmenspel dat rond andere voetbalstadia wordt opgevoerd. Dat de stad eigenaar zou worden én geld zou investeren, stond al in 2004 in De Standaard. De precieze constructie stond in 2008 in Trends. Had AA Gent zijn stadion kunnen bouwen zonder overheidssteun? Achteraf bekeken misschien wel. Want in tegenstelling tot een zwembad of museum kan een voetbalstadion flink geld opbrengen. Op voorwaarde dat alles goed gaat én er sportieve successen worden geboekt. Clubs als SK Beveren en FC Dender verslikten zich in de bouw van tribunes die na de degradatie onbetaalbaar werden. AA Gent is anno 2015 een winstgevende modelclub, die autochtone en allochtone Gentenaars verbindt in het Buffalo-gevoel, en met de kampioenenviering op de Leie zorgde voor een staaltje onbetaalbare citymarketing. Privépartner Ghelamco verdient een aardige duit aan de uitbating van de commerciële activiteiten, die op hun beurt voor flink wat jobs hebben gezorgd. Elk van die parameters was twaalf jaar geleden echter op zijn minst onzeker. Als het huidige succes één ding bewijst, dan is het dat de overheid, de privépartners én de clubs duidelijke afspraken moeten maken en hun eigen rol moeten definiëren.