Als de industriële revolutie ergens geboren is, dan wel in Coalbrookdale, een dorpje in de Engelse West Midlands. In 1709 huurde Abraham Darby, een plaatselijke koopman, er een gieterij en voedde de oven met cokeskool in plaats van houtskool. Door het gebruik van die fossiele brandstof kon hij veel goedkoper ruwijzer maken en het in potten, pannen en kookpotten gieten, het soort goedkope producten dat in de volgende drie eeuwen voor een nooit geziene stijging van de levensstandaard in de hele wereld zou zorgen.
...

Als de industriële revolutie ergens geboren is, dan wel in Coalbrookdale, een dorpje in de Engelse West Midlands. In 1709 huurde Abraham Darby, een plaatselijke koopman, er een gieterij en voedde de oven met cokeskool in plaats van houtskool. Door het gebruik van die fossiele brandstof kon hij veel goedkoper ruwijzer maken en het in potten, pannen en kookpotten gieten, het soort goedkope producten dat in de volgende drie eeuwen voor een nooit geziene stijging van de levensstandaard in de hele wereld zou zorgen. Darby's oven was niet alleen ground zero voor de industriële revolutie, maar ook voor de opwarming van de aarde. Sindsdien is de uitstoot van broeikasgassen meegestegen met de economische productie. De ovens van Engeland kregen gezelschap van door kolen aangedreven spoorwegen en door stoom aangedreven textielfabrieken, die allemaal werktuigen gebruikten die werden gegoten in gieterijen op cokes. Tussen het midden van de negentiende eeuw en de Eerste Wereldoorlog is het Britse nationale inkomen per persoon meer dan verdubbeld en de koolstofuitstoot verviervoudigd. Toen andere landen industrialiseerden, nam ook hun uitstoot toe. Nu politici bijeenzitten in het Egyptische vakantieoord Sharm-el-Sheikh, om tijdens de klimaattop COP27 de vooruitgang in de klimaatverstoring te evalueren, is er op zijn minst één reden tot optimisme: het historische verband tussen de stijgende welvaart en koolstofemissies is verbroken. Het Verenigd Koninkrijk is lid van een grote en groeiende groep ontwikkelde landen die dat verband hebben losgekoppeld. De ontkoppeling is niet bereikt door de grootschalige toepassing van hernieuwbare energie (of door het exporteren van emissies naar arme landen), maar door een verandering in de relatie tussen de economische groei en energie, die misschien wel even belangrijk is als de eerste aanzetten tot de industriële revolutie drie eeuwen geleden in Coalbrookdale. Zo'n 33 landen hebben de afgelopen jaren hun emissie verminderd en tegelijkertijd hun groei gehandhaafd. Ongeveer drie vijfde ervan is Europees, wat betekent dat het oude continent, net als tijdens de industriële revolutie, het voortouw neemt. Maar de groep omvat ook Amerika, waar de emissies tussen 2007 en 2019 met 15 procent zijn gedaald, terwijl het bruto binnenlands product (bbp) per persoon met 23 procent is gestegen, en andere landen die zich meer recentelijk hebben aangesloten. Daartoe behoren Australië, waar de uitstoot sinds het hoogtepunt in 2012 met 9 procent is gedaald, en Israël, waar de uitstoot in dezelfde periode met 12 procent is afgenomen, ook al zijn beide economieën gegroeid. Maar het zou verkeerd zijn de ontkoppeling te bestempelen als een luxe die voorbehouden is aan de meest welvarende landen. Dankzij verbeteringen op het gebied van energie-efficiëntie zijn de emissies in Oost-Europa sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie gedaald, terwijl de levensstandaard gelijkgetrokken is met die in West-Europa. Ook Argentinië, Mexico en Uruguay hebben zich bij de groep aangesloten. In Mexico is de uitstoot sinds de piek in 2012 met 16 procent gedaald. Voordat de coronapandemie de cijfers verstoorde, woonden wereldwijd ongeveer 1,2 miljard mensen in landen met dalende emissies en groeiende economieën. Territoriale emissies, die de binnenlandse productie weerspiegelen, begonnen al veel eerder te dalen. In het Verenigd Koninkrijk piekten ze in de jaren zeventig, voordat olieschokken en stakingen de industrie van het land decimeerden. Maar die daling weerspiegelde slechts het feit dat meer productie in het buitenland plaatsvond: Britse kleren werden genaaid in Dhaka, niet in Derby. De wereldwijde uitstoot verminderde dus niet. De cijfers in dit artikel zijn grotendeels afkomstig van een analyse van gegevens van het Global Carbon Project, een organisatie die toezicht houdt op broeikasgassen. Die omvatten schattingen van de emissies van import, en dus het overgrote deel van de koolstofvoetafdruk van een land. Met andere woorden: de Britse cijfers omvatten de uitstoot van geïmporteerde T-shirts die in Bangladesh zijn gemaakt. De recentere daling van de uitstoot is dus echt. Een deel van de verklaring is dat de landen waarnaar de productie vroeger is uitbesteed, nu zelf minder koolstof uitstoten, merkt Viktoras Kulionis van Pictet Asset Management op. Op een paar dozijn industrialiserende landen na, waaronder Cambodja, Mongolië en Vietnam, leidt de groei van het bbp tot minder koolstofemissies dan vroeger. In 2008 piekten de geëxporteerde emissies van China op 1,5 miljard ton kooldioxide-equivalent, waarna ze daalden tot 1 miljard in 2019, dankzij een grotere efficiëntie en een verschuiving van de uitvoer van chemicaliën en metalen naar minder koolstofintensieve elektronica. De door de OESO, de groep van meestal rijke landen, ingevoerde emissies bereikten in 2006 een piek van 2 miljard ton kooldioxide-equivalent. Sindsdien zijn ze met meer dan een derde gedaald tot 1,3 miljard. Maar de verschuiving toont vooral een omslag in de manier waarop het Westen energie gebruikt. De ontkoppeling tussen economische groei en de CO2-uitstoot kan om twee redenen plaatsvinden: ofwel omdat de productie minder energie-intensief wordt, ofwel omdat de gebruikte energie groener wordt. De afgelopen tien jaar lag vooral de eerste reden aan de basis van de omslag. De energie-intensiteit van het bbp - de hoeveelheid energie die nodig is om 1 dollar aan nationaal inkomen te produceren - is sneller gedaald dan het bbp is gegroeid. Dat is te zien in de Verenigde Staten. Het land wordt vaak beschouwd als een vervuiler bij uitstek. In werkelijkheid piekte zijn territoriale uitstoot in 2005. Sindsdien is de energie-intensiteit van het bbp met bijna een kwart gedaald. Dus hoewel het bbp van de Verenigde Staten met 29 procent is gestegen, zijn de emissies met 15 procent gedaald. Evenzo is 80 procent van de daling van de Duitse emissies sinds 1990 het gevolg van een lagere energie-intensiteit. Slechts een vijfde kwam er dankzij het gebruik van groenere energie. De dalende energie-intensiteit is het resultaat van veranderingen in de structuur van de economieën van de rijke landen. Er is een verschuiving van een industriële naar een diensteneconomie, die grote gevolgen heeft voor de uitstoot. Die shift heeft zich overal in de rijke wereld voorgedaan. Het aandeel van de industrie in het Amerikaanse bbp is gedaald van iets meer dan 17 procent in 2007 tot 14 procent in 2019. In Duitsland, dat bekendstaat om zijn productie, daalde het aandeel van de industrie in dezelfde periode met 2 procentpunten. Zelfs in Mexico, een van de armere landen die ontkoppelden, daalde het aandeel van de industrie van 27 naar 25 procent. Dat brengt ook problemen met zich. Een hoger energieverbruik is misschien niet langer noodzakelijk om de levensstandaard op te krikken, het is ook niet langer een betrouwbare manier om de economische groei te stimuleren. Energie goedkoper en ruimer beschikbaar maken zal de productiviteit van een oven verhogen, voor een museum zal het niet veel doen. Het komt er nu op aan die ontkoppeling van emissies en groei te versnellen. Een reden voor optimisme is dat dat tot dusver is gelukt zonder kolossale uitgaven of veel politieke consensus. Veel van de westerse landen die goed presteren, hebben emissiehandelsregelingen of andere vormen van koolstofprijsstelling, maar zelfs achterblijvers zijn erin geslaagd hun koolstofvoetafdruk te verminderen. Een groter gebruik van hernieuwbare energie voor de opwekking van elektriciteit en de elektrificatie van de verwarming van huizen en het vervoer - hetzij door elektrische auto's, hetzij door het stimuleren van openbaar vervoer - kunnen een groot verschil maken. Maar de grootste reden voor optimisme is misschien wel het bewijs dat arme landen op een andere manier industrialiseren dan hun voorgangers. Uit gegevens van het Global Carbon Project blijkt dat Egypte, het gastland van de COP27, in 2017 zijn piekuitstoot heeft bereikt. India en Vietnam, die een grotere bron van export worden naarmate de handel verschuift van China, zijn aanzienlijk groener dan hun economische rivaal. In 2007, toen China zo rijk was als India nu, stootte het ongeveer twee keer zoveel koolstofdioxide uit. India en Vietnam draaien nog altijd op steenkool. Het verschil is dat ze er veel efficiënter gebruik van maken.