De uitgestrekte campus van de Ecole Polytechnique in Thiès, op anderhalf uur rijden van Dakar, is stoffig en verlaten. Verspreid over het terrein liggen witte gebouwen met afbladderende muren te bakken in de hete middagzon. Niets laat vermoeden dat hier het kruim van de Senegalese ingenieurs wordt opgeleid.
...

De uitgestrekte campus van de Ecole Polytechnique in Thiès, op anderhalf uur rijden van Dakar, is stoffig en verlaten. Verspreid over het terrein liggen witte gebouwen met afbladderende muren te bakken in de hete middagzon. Niets laat vermoeden dat hier het kruim van de Senegalese ingenieurs wordt opgeleid."De examens komen eraan", legt rector El Hadji Bamba Diaw uit. "Daarom is het nu zo opvallend rustig. Maar vergis je niet: hier lopen 360 ingenieursstudenten rond, uit alle hoeken van Senegal. Een op de vier is een vrouw. Ons studieniveau kan moeiteloos naast dat van de beste Europese universiteiten staan. Europa was decennialang het eldorado voor onze afgestudeerden. Dat is veranderd. Nogal wat studenten trekken wel richting Parijs of Montréal om er te doctoreren, maar daarna keren ze gewoon terug. Ze beseffen dat hun toekomst hier ligt." Samen met de universiteit van Bamako, in Mali, werkt de Ecole Polytechnique al twee jaar mee aan een Belgisch proefprogramma rond circulaire migratie. Ingenieurs die pas zijn afgestudeerd, worden geselecteerd en gescreend, waarna de beste kandidaten een contract van zes maanden tot een jaar aangeboden krijgen bij een groot Belgisch bedrijf. Daarna keren ze naar hun thuisland terug. Onder meer Reynaers Aluminium, Thermote & Vanhalst, Besix, Siemens België en het Gentse bouwbedrijf Denys doen eraan mee. Van die deal moeten beide partijen op termijn beter worden. Voor de Afrikaanse hoogopgeleiden is het vooral een kwestie van internationale ervaring en zelfvertrouwen opdoen. "Onze ingenieurs leren mee te draaien in een Europese businessomgeving en maken er kennis met rendabele bedrijfsmodellen en de nieuwste technologie", zegt rector El Hadji Bamba Diaw. "Maar vooral: ze ondervinden dat ze niet onder hoeven te doen voor hun Europese collega's. Na hun terugkeer zullen ze daardoor sneller geneigd zijn een leidende rol op te nemen. Dat is waar dit land - en Afrika in het algemeen - zo'n behoefte aan heeft: aan mensen die het lokale potentieel zien, hier een bedrijf opstarten, en nieuwe werkgelegenheid en economische groei scheppen. En door die uitwisseling beseffen Europese bedrijven mogelijk stilaan welke enorme mogelijkheden Afrika heeft." Het besef dat circulaire migratie het toekomstige win-winmodel voor Afrika én Europa kan zijn, is in het Duitse bedrijfsleven al enkele jaren doorgedrongen. Een twintigtal grote industriële spelers - van Bosch over Volkswagen tot Daimler AG - werkt er mee aan Afrika kommt! Met dat ambitieuze initiatief hopen die Duitse topbedrijven een nieuwe generatie jonge Afrikaanse ondernemers en kaderleden klaar te stomen, om mee de basis te leggen van een industrieel ontwikkelingsprogramma - niet langer voor, maar vooral met Afrika. "De migratiestroom uit Afrika naar Europa mag de Europese bedrijven niet blind maken voor de nieuwe realiteit die zich stilaan aandient", benadrukt Ibrahima Wade. Hij is de directeur-generaal van het economische meerjarenplan Sénégal Emergent, dat meer multinationals naar Senegal moet lokken. "In 2011 schommelde de economische groei in Senegal rond 1,7 procent. Vorig jaar zaten we aan 6,7 procent, voor dit jaar hopen we uit te komen op 7 procent. Het komt er vooral op aan snel zo veel mogelijk banen te scheppen, zodat ook de overheidsinkomsten toenemen. De overheid kan dan verder investeren in de industriële ontwikkeling. Daardoor kunnen we ook onze laagopgeleide jongeren op termijn betere perspectieven bieden." Die doelstelling is een rode draad door zowat al onze gesprekken in Senegal: de migranten die nog altijd massaal vanuit Afrika richting Europa trekken, zijn voor het merendeel laagopgeleid en arm. Ze zien in hun geboorteland geen toekomst en zoeken dus elders hun geluk. Het enige doeltreffende antwoord daarop is de snelle economische ontwikkeling van het continent. Daarin kunnen zowel buitenlandse investeerders als lokale hoogopgeleiden een belangrijke rol spelen. Rector El Hadji Bamba Diaw legt de vinger op de wonde. "Hoe krijg je het nog uitgelegd dat wij hier wel gigantisch veel primaire voedingsproducten kweken, maar dat die vervolgens wegrotten op de velden of in hangars? Enkel en alleen doordat we niet over het industriële apparaat beschikken om die landbouwgewassen en grondstoffen om te zetten in producten met een toegevoegde waarde. Steeds meer hoogopgeleide jongeren zien dat potentieel en beseffen dat we zelf het heft in handen moeten nemen." "Daarom werken wij samen met Belgische topbedrijven. Zij rekruteren bij ons goed opgeleide ingenieurs en stomen die in Europa verder klaar voor een carrière in hun thuisland. Nadat ze zich hebben kunnen bekwamen in moderne managementtechnieken en geavanceerde technologie, kunnen zij die kennis hier verzilveren. Zo leggen we op lange termijn eindelijk de basis voor het industriële kader waaraan Afrika zo'n behoefte heeft." De bekende Oxford-econoom Paul Collier is al vele jaren een groot pleitbezorger van economische schaalvergroting om Afrika uit het slop te trekken. In zijn visie werken te veel Afrikanen nog solo, waardoor de productiviteit en de innovatiekracht veel te laag zijn en de armoede schrijnend blijft. Ook hij vindt dat het continent vooral behoefte heeft aan bedrijven die massaal veel banen scheppen en Afrika op termijn zelfvoorzienend maken. In Afrika klinkt de kritiek op de paternalistische ontwikkelingssamenwerking op microniveau uit het Westen almaar luider. De bekende Ivoriaanse econoom René N'Guettia Kouassi trekt al jarenlang van leer tegen de kleinschaligheid van veel ontwikkelingsprojecten en tegen de versnipperde economische aanpak. Ook hij pleit voor massale industrialisering en investeringen in technologische innovatie. "Onze slogan is niet voor niets ' Africa by Africans in Africa'", stelt Marc Dauvillé, de verkoopdirecteur en businesspartner management industrie voor West- en Centraal-Afrika bij Siemens België. Dat bedrijf liet vorig jaar een Senegalese ingenieur een jaar lang overkomen naar zijn vestiging in Huizingen. Die eerste ervaring smaakte naar meer. "Circulaire migratie heeft op lange termijn flink wat potentieel. De Afrikaanse ingenieurs draaien hier gewoon mee, tegen een behoorlijk loon. Wij zorgen voor huisvesting. Ze leren het bedrijf en onze producten kennen, en bouwen een Europees netwerk uit. Uiteraard hopen wij die ingenieurs, zodra ze zijn teruggekeerd naar hun geboorteland, daar zelf te kunnen inzetten. Maar ik ben realistisch: het is niet ondenkbaar dat ze op een dag besluiten de opgedane ervaring te verzilveren en voor eigen rekening aan de slag gaan. Dat risico nemen we dan maar." Siemens België verwierf ruim vijf jaar geleden de verkooprechten voor Franstalig Afrika. Intussen is de industriereus er in 23 landen actief, soms met eigen vestigingen, soms met lokale vertegenwoordigers die er de machines en de technologie van Siemens verdelen en onderhouden. Dauvillé kan het niet voldoende benadrukken: Belgische bedrijven onderschatten systematisch het enorme groeipotentieel van Afrika en laten zich de kaas van het brood eten door andere buitenlandse investeerders. "Wij zijn er aan de slag in vier grote sectoren: energieproductie, mijnbouw, watervoorziening en automatiseringsprojecten", zegt hij. "Dat zijn stuk voor stuk domeinen die in Afrika veel toekomst hebben, en waar de Afrikanen te weinig goed opgeleide mensen voor hebben. De industrialisering van het continent staat nog maar in de kinderschoenen. Heel wat Afrikaanse landen snakken naar innovatieve en duurzame technologie, bijvoorbeeld om de problemen met de watervoorziening of de haperende stroomtoevoer op te lossen." "Afrikanen zitten niet langer te wachten op een schooltje hier en een waterput daar", benadrukt Dauvillé. "Wil het continent zich echt ontwikkelen en een toekomstperspectief bieden aan de almaar aangroeiende jonge bevolking, dan moeten we echt inzetten op een industrieel marshallplan. Ook het Belgische bedrijfsleven heeft daar veel bij te winnen: de jaarlijkse economische groei in die landen loopt nu al op tot 8 procent per jaar. Daar kun je in Europa enkel nog van dromen. Wij hopen in Senegal binnen vijf jaar een nieuwe afzetmarkt te creëren. Daar leggen we nu de grondslag voor." Mohamed Safieddine, die Libanese roots heeft en een ingenieursopleiding volgde in Frankrijk, woont en werkt al vele jaren in Senegal. Hij ontvangt ons in zijn bescheiden kantoortje in hartje Dakar, waar zijn bedrijfje Codex Négoce onderdak vond. Het legt zich toe op de verkoop en het onderhoud van machines voor alle belangrijke industriële sectoren. Sinds twee jaar mag Safieddine zich de enige officiële vertegenwoordiger van Siemens in Senegal noemen. "Omdat de Senegalese markt nog heel versnipperd is en zich nog volop ontwikkelt, is het voor Siemens nog niet echt rendabel om in het land een eigen vestiging te openen", legt hij uit. Safiedinne sluit niet uit dat die vestiging er op termijn wel komt. In afwachting heeft hij vorig jaar een jonge Senegalese ingenieur aangeworven, die twaalf maanden voor Siemens heeft gewerkt. "Binnenkort zijn dat er hopelijk drie of vier", zegt hij. "Senegalese bedrijven die moderne technologie van Siemens willen kopen, hoeven dat niet langer in Europa te doen. Ook voor Siemens is het interessanter in zee te gaan met een lokale partner, omdat die de markt stukken beter kent." "Siemens is niet enkel uit op pure verkoop, het wil hier op lange termijn echt aanwezig zijn als grote speler en dienstenverlener op een groeiende markt. Dan kan het bedrijf uiteraard geen beroep blijven doen op peperdure Europese ingenieurs telkens als er een groot nieuw project wordt voorbereid. Bovendien bedien je Afrikaanse klanten met een andere mindset dan in Europa gangbaar is. Alleen al daarvoor is het interessant te investeren in lokale werkkrachten." Aangezien de vraag naar duurzame energie sterk toeneemt in Senegal, schonk Siemens onlangs een minilaboratorium aan de Ecole Polytechnique in Thiès. Nu de overheid heeft beslist zwaar in te zetten op hernieuwbare energie, is het geen slechte zet Senegalese ingenieurs in spe vertrouwd te maken met de allernieuwste Siemens-technologie. Safiedinne: "Energie is hier nog peperduur. De overheid kijkt vooral naar privé-investeerders, bijvoorbeeld om gigantische zonnecentrales op te zetten. Tegen 2020 moet een vijfde van de totale energieproductie komen van hernieuwbare energie, waardoor er voor buitenlandse technologiebedrijven dus wel wat kansen zijn." "Alleen is de context waarin die samenwerking gebeurt in enkele jaren tijd ingrijpend veranderd. Tien jaar geleden deelden nog vooral buitenlanders economisch de lakens uit. Maar de lokale middenklasse wordt steeds groter en er keren almaar meer nieuwe rijken uit het buitenland terug om hier iets uit de grond te stampen. Doorgaans gebeurt dat met de technische ondersteuning van Turkse, Chinese of Franse partners. Want geloof me vrij: geld is hier niet langer een probleem, het gaat nu vooral om de juiste politieke keuzes, die dan ook tot meer investeringen en werkgelegenheid zullen leiden." Ook het Gentse bouwbedrijf Denys, dat al flink wat jaren actief is in Afrika, schreef zich vorig jaar in voor het proefproject rond circulaire migratie. Zo is Toudé Touré, een gedreven vrouwelijke Malinese ingenieur, in Gent beland. "Geen haar op mijn hoofd denkt eraan na mijn jaar bij Denys nog te blijven plakken in België", zegt ze resoluut. "Ik leer hier heel veel bij over waterbouwkundige projecten. Daarin kan ik achteraf een verschil maken in Mali. Als het enigszins kan, blijf ik daar voor Denys werken. Ik zit hier goed en heb al een breed netwerk opgebouwd. Waarom zou ik elders mijn geluk zoeken?" Het belang van Afrika als groeimarkt blijkt ook uit de omzet die het bouwbedrijf daar al vandaan haalt. "We stellen in Afrika bijna 900 mensen te werk, van wie nog hooguit een vijftigtal expats. Vorig jaar was sub-Saharaans Afrika alleen al goed voor een vijfde van onze omzet", weet ingenieur Bart De Smedt. "We mikken daar nu vooral op waterzuiveringsprojecten, van heel grote stations tot kleine huisaansluitingen. De behoefte aan gespecialiseerde expertise daarin is heel groot. Afrika is een mooie groeimarkt, maar de internationale concurrentie neemt wel zienderogen toe." De tijd dat westerse bedrijven massaal dure expats naar Afrika stuurden, is volgens De Smedt definitief voorbij. "Wij proberen nu onze kennis door te geven aan goed opgeleid lokaal talent. Een Malinese of Ivoriaanse ingenieur die in Gent een jaar meedraait, krijgt niet enkel onze Europese kwaliteitsnormen ingehamerd, ook extra kritische zin kunnen ze doorgaans wel gebruiken. Een Afrikaanse ingenieur die hier een jaar meedraait, neemt gemakkelijk drie of vier jaar voorsprong op een ingenieur die enkel lokaal is opgeleid. Ik geloof dus in de meerwaarde van dat circulaire model, zowel voor ons als voor de landen van herkomst. In die zin is het bijzonder jammer dat er vanuit België zo weinig belangstelling is voor het continent. Het potentieel is enorm, maar ik zie vooral Chinese, Spaanse en Franse investeerders toestromen."