"De Belgische private stichting zit in de lift als vehikel voor de overdracht en de verankering van Vlaamse familiebedrijven", zegt Rutger Van Boven, partner bij het advieskantoor BDO. "Het statuut van de stichting is in 2019 aantrekkelijker geworden, doordat de verplichting wegviel dat er drie bestuurders moesten zijn. Nu kan een familiale ondernemer als enige bestuurder de touwtjes in handen nemen in de stichting die zijn bedrijf controleert."
...

"De Belgische private stichting zit in de lift als vehikel voor de overdracht en de verankering van Vlaamse familiebedrijven", zegt Rutger Van Boven, partner bij het advieskantoor BDO. "Het statuut van de stichting is in 2019 aantrekkelijker geworden, doordat de verplichting wegviel dat er drie bestuurders moesten zijn. Nu kan een familiale ondernemer als enige bestuurder de touwtjes in handen nemen in de stichting die zijn bedrijf controleert." Van Boven berekende dat in 2020 (tot 1 december) 185 private stichtingen zijn opgericht in België. Dat waren er zestig meer dan in 2019. "Eén op de vier stichtingen is een vehikel voor de overdracht aan het volgende management. 70 procent heeft slechts één bestuurder", stelt Van Boven, de auteur van De Belgische stichting. Hij voegt eraan toe dat de verplichting om drie bestuurders te hebben vroeger voor veel ondernemers een reden was om uit te wijken naar Nederland. Nu dat niet meer hoeft, richten ze in eigen land een stichting op. Tot 2002 bestonden enkel stichtingen van openbaar nut, met bijvoorbeeld filantropische, levensbeschouwelijke of wetenschappelijke doelstellingen. Sindsdien kunnen private stichtingen ook worden ingezet als instrument voor de overdracht van familiebedrijven en de afsplitsing van een deel van het vermogen van particulieren (zie kader 'Waakzaamheid is geboden'). In het eerste geval draagt de familiale bedrijfsleider de aandelen van de onderneming over aan de stichting, die in ruil certificaten uitgeeft. Die certificaten geven recht op een dividend, maar de stichting behoudt het stemrecht in de algemene vergadering van het bedrijf. "Zo kan de bedrijfsleider het bedrijf blijven runnen, maar het wel al overdragen aan zijn erfgenamen", stelt Dirk Van Gerven, managing partner van de Brusselse vestiging van het advocatenkantoor NautaDutilh en auteur van het Handboek vennootschappen. De schenking van familiale aandelen gebeurt in Vlaanderen normaal tegen een fiscaal nultarief, terwijl van een erfenis minstens 3 procent naar de Vlaamse fiscus gaat. Meestal bepaalt een comité van experts en familieleden wie na de bedrijfsleider het bestuur van de stichting waarneemt. Dat bestuur kan dan de volgende gedelegeerd bestuurder van de onderneming aanwijzen. Van Gerven: "Met een stichting regelt de familiale bedrijfsleider niet alleen zijn opvolging, hij kan ook vermijden dat de zeggenschap over het bedrijf na enkele generaties versnipperd raakt over veel erfgenamen." Versnippering leidt er soms toe dat een groep aandeelhouders minder betrokken is bij het bedrijf en sneller geneigd is de aandelen te verkopen bij een overnamebod. "De stichting is een instrument om een onderneming familiaal te verankeren", zegt Van Gerven. De structuur van de stichting komt overgewaaid uit Nederland, waar de stichtingen ook beursgenoteerde ondernemingen afschermen tegen vijandige overnames. Ook Vlaamse ondernemingen, zoals Lotus Bakeries en Sioen Industries, bewandelen dat Nederlandse pad. Sinds 1998 bestaat daarvoor ook een duidelijk fiscaal kader. Dividenden die de onderneming uitkeert aan de stichting en die doorstromen naar de certificaathouders, worden slechts eenmaal belast. Nederlandse stichting-administratiekantoren publiceren geen jaarrekeningen, in tegenstelling tot de Belgische. Van Boven: "De Nederlandse regels zijn complexer dan de Belgische. Bovendien worden in Nederland de namen van de uiteindelijke financiële belanghebbenden van de stichting bekendgemaakt in het Ultimate Beneficial Owner-register, dat voor iedereen toegankelijk is. Bij ons is de toegang strikter. Dat maakt de Belgische stichting steeds interessanter." Ook Van Gerven, advocaat bij een van origine Nederlands kantoor, adviseert meestal een beroep te doen op de Belgische stichting: "Het is eenvoudiger de administratie van nabij te organiseren. Toch kiezen cliënten soms voor Nederland, omdat ze weinig vertrouwen hebben in de Belgische overheid. Die durft de fiscale regels weleens aan te passen. Nederland straalt meer vertrouwen uit." De oprichting van een Belgische of Nederlandse stichting is complex maatwerk. Er moeten duidelijke regels zijn over het dividendbeleid, de aanwijzing van het bestuur van de stichting en het management van het bedrijf. Die regels moeten een paar generaties kunnen meegaan. Ook moeten de voorwaarden worden bepaald waaraan voldaan moet zijn om toch in te gaan op een overnamebod, bijvoorbeeld het behoud van de Belgische activiteit of de werkgelegenheid na de acquisitie. "De stichting kan gemoedsrust geven aan kinderen die al actief zijn in de onderneming en zelf eigenaar kunnen worden", besluit Van Boven. "Als het bedrijf nog zeker een toekomst heeft in de familie, motiveert dat om zich er volledig voor in te zetten. Als het elk moment verkocht kan worden, is dat minder het geval."