Zijn bewondering voor Johan Cruijff bracht de Britse journalist Simon Kuper begin jaren negentig voor het eerst naar FC Barcelona. Een interview met de Nederlandse coach lukte niet, maar Cruijffs assistent Tonny Bruins Slot bleek een waardige vervanger. Urenlang doceerde hij over de aanpak en de voetbalfilosofie van Cruijff, een op straatvoetbal geïnspireerd, aanvallend en dominant systeem dat de wereld zou veroveren.
...

Zijn bewondering voor Johan Cruijff bracht de Britse journalist Simon Kuper begin jaren negentig voor het eerst naar FC Barcelona. Een interview met de Nederlandse coach lukte niet, maar Cruijffs assistent Tonny Bruins Slot bleek een waardige vervanger. Urenlang doceerde hij over de aanpak en de voetbalfilosofie van Cruijff, een op straatvoetbal geïnspireerd, aanvallend en dominant systeem dat de wereld zou veroveren. Kuper bleef Barcelona geregeld bezoeken en kreeg in 2019 het idee de recente geschiedenis van de club neer te pennen. Ook daarin speelt Cruijff een prominente rol. Cruijff transformeerde de jeugdopleiding en legde zijn voetbalfilosofie op aan de club. Tegelijk werd de club professioneler, met uitstekende medische en psychologische begeleiders. "Cruijff was als trainer veel belangrijker voor Barcelona dan als voetballer in de jaren zeventig", vertelt Kuper vanuit zijn nieuwe woonplaats Madrid. "Eigenlijk speelde hij maar één seizoen echt goed, in 1973-1974, toen Barcelona eindelijk nog eens kampioen werd. Maar hij maakte wel voldoende indruk om hem in 1988 terug te halen als trainer. Dat bleek een goede keuze. Niet alleen won de club begin jaren negentig vier titels op rij en twee Europacups, Cruijff legde ook het fundament voor de latere successen van de club. Hij heeft de club revolutionair veranderd." Ook andere clubs namen de voetbalfilosofie van Cruijff over. De voorbeelden van Bayern München en Manchester City liggen voor de hand: daar heeft Cruijff-discipel Sep Guardiola zijn stempel gedrukt na zijn vertrek uit Catalonië. "Maar denk ook aan jullie Rode Duivels. Vroeger speelden die een achterlijk soort verdedigend Italiaans voetbal. Door spelers als Eden Hazard en Kevin De Bruyne, die zijn opgeleid op goede jeugdacademies, die deels de voetbalmethodes van Cruijff hebben overgenomen en geperfectioneerd, zijn ze aantrekkelijk, aanvallend en dominant voetbal gaan spelen. Titels heeft het niet opgeleverd, wel de bewondering van voetballiefhebbers." Met vedetten als de Argentijn Lionel Messi, die als tiener uit Argentinië werd gehaald, Andres Iniesta en Xavi domineerde Barcelona begin deze eeuw het Europese clubvoetbal. Het deed dat steeds met een flink aandeel aan spelers uit La Masia, de jeugdopleiding van de club. Kleine, wendbare spelers ook, trouw aan de filosofie van Cruijff, die stelde dat kracht ondergeschikt was aan het zien van de ruimte op een voetbalveld. Met Guardiola als coach en Messi als ster, geflankeerd door andere toppers als Neymar en Luis Suarez, vierde Barcelona grootse triomfen. Maar die tijd lijkt voorbij. Kuper beschrijft hoe het bestuur de sleutels van de club in handen gaf van Messi en alles rond hem liet draaien. Messidependencia werd een begrip. Maar daardoor ging de entourage van de speler, vooral zijn vader Jorge Messi, ook een almaar hoger loon eisen. Messi verdiende de afgelopen vier seizoenen 550 miljoen euro bij Barça en zorgde zo voor een lege clubkas. Het bestuur van Barcelona bestaat nochtans uit ervaren Catalaanse ondernemers, die bovendien ook nog eens mee financieel verantwoordelijk zijn: volgens de statuten zijn ze verplicht verliezen uit eigen zak bij te passen. Hoe kon het dan toch zover komen? Zag niemand dit financiële fiasco aankomen? "Ik vind het wel logisch dat Messi veel macht kreeg", zegt Kuper. "Nu zeggen we wel 'het heeft niet gewerkt', maar dat heeft het natuurlijk vijftien jaar lang wel gedaan. En ook nog eens uitstekend. Maar je had op bepaalde vlakken zeker kunnen ingrijpen. Een sterke voorzitter had vorig jaar al tegen Jorge Messi gezegd: 'Luister, jouw zoon is de belangrijkste man in de club, maar wat jij nu vraagt aan loon, maakt deze club kapot. Wij kunnen niet meer de andere spelers halen die jouw zoon verdient, daardoor wordt het hele elftal minder.'" Dat niemand van al die ondernemers in het bestuur hard genoeg waarschuwde voor de keerzijde van dat beleid, wijt Kuper aan het feit dat voetbal een compleet andere business is, nauwelijks te vergelijken met gelijk welk andere sector. "Al die Catalaanse ondernemers in het bestuur hebben hun carrière in de luwte kunnen uitbouwen. Josep Bartomeu, de vorige voorzitter, is groot geworden met het bouwen van slurven waar mensen doorheen wandelen naar het vliegtuig. Dan let niemand op je, er is geen enkele druk. Als je dan tien werknemers moet ontslaan, maalt geen mens erom, het staat niet in de krant. Maar plots ben je de voorzitter van Barcelona en worden elke dag tientallen krantenpagina's gevuld over je bedrijf, en er zijn radiozenders die uitsluitend over Barça gaan. Elke minuut van de dag wordt over je bedrijf gesproken, en als het slecht gaat, wordt elke minuut van de dag gezegd wat een idioot je bent. Die mensen zijn wel gewoon zakelijke beslissingen te nemen, maar niet om zaken te doen in het volle daglicht. Dat is echt moeilijk." Bij FC Barcelona speelt dat nog sterker dan bij andere clubs, omdat de voorzitter er wordt verkozen door de 150.000 leden, de socios, van de vereniging. Een kandidaat moet campagne voeren, verkozen raken of aan de macht blijven, en hij doet dat door op korte termijn voor succes te zorgen. Volgens Kuper heeft Barcelona meer weg van een natie dan van een onderneming. Het is een voetbaldemocratie waar schelden op de voorzitter even populair is als in andere landen schelden op de president. Een andere specificiteit van het voetbal is dat je te maken hebt met onvervangbare talenten, zeker aan de absolute top. "De rol van talent is extreem bepalend, veel meer dan in gelijk welk ander vak. Als ik straks een verdubbeling van mijn vergoeding vraag, neemt de hoofdredacteur van de Financial Times wel een andere columnist. Maar Messi, of zelfs Sergio Busquets, kun je niet zomaar vervangen. Als de entourage van die speler dus extra geld vraagt, is het erg lastig daar als club niet op in te gaan. Bovendien, een voetbalclub hoeft geen winst te maken. Er is niemand bij Barcelona die zegt: we moeten een winstmarge halen van 10 procent en het grootste deel van dat geld uitkeren aan de aandeelhouders. Alle geld wordt geïnvesteerd in spelers." Net om die reden staat Kuper wat huiverig tegenover ondernemers en managementgoeroes die lessen willen trekken uit het voetbal. "Je hebt in veel organisaties een natuurlijke spanning tussen de macht van het talent en de macht van de eigenaars en de bazen. Het talent wil altijd meer vrijheid en geld. Tot op zekere hoogte werkt dat goed. Het talent weet hoe je reclame moet maken, een krant moet maken, hoe je moet voetballen. Maar als je dat talent te veel geld en macht geeft, kan het flink fout gaan, omdat ze in hun eigen belang gaan handelen. Die spanning heb je altijd. En je kunt niet zeggen: de bazen runnen de boel en de werknemers moeten hun mond houden en luisteren, want in dat soort talentbedrijven werkt dat niet, dan vertrekt het talent zelf wel. Een dappere voorzitter had vorig jaar al tegen Messi gezegd: hier heb je 150 miljoen euro, ga lekker naar Manchester, en met wat we besparen op jouw loon hebben wij 300 miljoen om te investeren in nieuw talent.' Dat was rationeel geweest, maar je moet ontzettend dapper zijn om dat in de media uit te dragen. Dat speelt ook in andere sectoren soms een rol, maar het is nergens zo uitgesproken als in het voetbal." De opkomst van betaaltelevisie en de intrede van puissant rijke eigenaars zorgde voor een overvloed aan financiële middelen in het voetbal. Dat liet de voetballers toe om steeds hogere lonen te eisen. Daardoor zien veel voetballiefhebbers de moderne voetballer als een geldwolf, zonder enige clubliefde. Het zijn freelancers die hun diensten verhuren aan de hoogstbiedende.Kuper heeft, als zoon van een antropoloog, best veel begrip voor de vedetten die vaak worden afgeschilderd als inhalig en wereldvreemd. "Ze zijn, net als wij allemaal, de slachtoffers van hun omgeving. Een jonge gozer die een beetje kan voetballen, krijgt plots 10 miljoen per jaar. Je gezin kijkt anders naar je, je oude vrienden kijken anders naar je, en je wordt door onbekenden bejubeld en aanbeden. Je kunt niet meer normaal over straat lopen of op restaurant gaan, iedere gek die je tegenkomt kan zijn arm om je heen slaan en een selfie met je nemen. Als je op restaurant zit te praten met je vriendin, is er altijd wel iemand die dat filmt. Geen wonder dat die jongens zich afschermen. Ik heb met veel topvoetballers gepraat. Ze zouden niets liever willen dan dat ze worden behandeld als normale mensen. Maar dat ontbreekt eraan, en dan zoeken ze dekking." Het vele geld wordt doorgaans niet door henzelf, maar door hun zaakwaarnemers afgedwongen. "Soms profiteren mensen van je, en dan worden voetballers verschrikkelijk achterdochtig. Voetballers verdienen doorgaans niet veel geld omdat ze zo hebberig of slecht of materialistisch zijn, het wordt hun gewoon gegeven. Maar ze hebben nooit geleerd met die rijkdom om te gaan. Ik heb voetballers gezien die 80 euro fooi gaven bij een rekening van 20 euro, of 500 euro gaven aan een bedelaar. Terwijl het vaak slimme jongens zijn, veel slimmer dan de voetballers vroeger. Ze weten best veel van de wereld, maar ze kunnen de wereld niet in, omdat ze ervan worden afgeschermd. En dat vinden ze best frustrerend." Dat al dat geld het voetbal kapotmaakt of dat de business als een kaartenhuisje in elkaar dreigt te stuiken, gelooft Kuper niet. "Het wordt alleen maar meer. China, Indonesië, India en de Verenigde Staten vertegenwoordigen 45 procent van de wereldbevolking. Al die landen beginnen nog maar net naar voetbal te kijken, het zal dus alleen nog maar groter worden. Maar als dat niet gebeurt, is er geen probleem. Stel dat de inkomsten straks halveren. Dan ga je terug naar de budgetten van 2005. Nou en? Toen werd ook prima gevoetbald."