Het is 1913 in Bokrijk. In een hoeve kookt een boerin een maaltijd op een Leuvense stoof. In de woning ernaast vertelt een boer op klompen een angstaanjagend verhaal over de Bokkenrijders aan een klasje van een lagere school. In de dorpsschool geeft de meester sommen op, die de leerlingen voor één keer niet in hun schrift opschrijven, maar met griffel en lei. De pastoor stort een donderpreek uit over de bezoekers in zijn kerkje. Even lijkt het cliché te kloppen: Bokrijk is een plek waar de tijd stil is blijven staan.
...

Het is 1913 in Bokrijk. In een hoeve kookt een boerin een maaltijd op een Leuvense stoof. In de woning ernaast vertelt een boer op klompen een angstaanjagend verhaal over de Bokkenrijders aan een klasje van een lagere school. In de dorpsschool geeft de meester sommen op, die de leerlingen voor één keer niet in hun schrift opschrijven, maar met griffel en lei. De pastoor stort een donderpreek uit over de bezoekers in zijn kerkje. Even lijkt het cliché te kloppen: Bokrijk is een plek waar de tijd stil is blijven staan. Elders in het openluchtmuseum belandt de bezoeker volop in de 21ste eeuw. In zijn zestigjarige bestaan stond Bokrijk voortdurend voor de uitdaging relevant te blijven, en dat is vandaag niet anders (zie kader Zestig jaar Bokrijk). In een historisch hooghuis filosofeert modeontwerper Tim Van Steenbergen met beelden op een videomuur over de betekenis van kleding vroeger en nu. In een hoeve loopt een audiovisuele presentatie over brood in het Vlaanderen van vroeger tot nu, en in andere culturen. In de schuur ernaast, de Superette Bokrijk, staat een moderne bakinstallatie. Een medewerker bakt zuurdesembrood met biologische tarwe, rogge en spelt - een recept van sterrenchef Kobe Desramaults. De installatie en het bakproces gaan terug op oude technieken. De bezoekers kunnen verschillende soorten brood kopen. Het museum staat zelfs letterlijk in de steigers: aan een aantal historische gebouwen is een restauratie bezig. Ook dat gebeurt met respect voor het vakmanschap van vroeger, door vaklui van Bokrijk zelf. Informatieborden, die discreet zijn aangebracht, leggen uit hoe de restauratie wordt aangepakt. 24 oktober 2012 was ook voor Bokrijk een belangrijke datum: die dag raakte bekend dat Ford Genk, de grootste werkgever in Limburg, zou sluiten. Het was een wake-upcall om een nieuwe koers te varen. "We stonden voor een ongelooflijke uitdaging. We hadden één opdracht: jobs, jobs, jobs", vertelt Igor Philtjens, gedeputeerde voor Toerisme, Cultuur en Erfgoed van de provincie Limburg en voorzitter van Bokrijk. "Het domein woog zwaar op de balans van de provincie. Er kwamen kritische vragen: moeten we dit nog wel blijven doen? Ik vond van wel, maar met een heroriëntering. Bokrijk was een onontgonnen goudmijn. Eén op de tien Limburgers werkt in de toeristische sector. Bokrijk kan een hefboom zijn om de vrijetijdsindustrie in de regio nog verder uit te bouwen. In plaats van te besparen hebben we geïnvesteerd." Een groot deel van die investeringen ging naar het patrimonium. "Alle monumenten schreeuwden om gerestaureerd te worden", zegt Igor Philtjens. In 2016 trok de Vlaamse overheid 14,5 miljoen euro uit om de 124 historische gebouwen op te knappen tegen 2021. De provincie Limburg deed daar nog eens 8 miljoen euro bovenop. De volgende stap was dat patrimonium een invulling te geven. "Vroeger vertelden we over het dagelijks leven zoals het vroeger was. Nu vertrekken we van het dagelijks leven van vandaag en vertellen we waar het vandaan komt", vat directeur Liesbeth Kees de nieuwe filosofie van het museum samen. Bokrijk speelt in op de belangstelling voor authenticiteit, duurzaamheid en circulaire economie. Onder de noemer 'bokrijk brandmerkt' (BKRK) nam het museum Tim Van Steenbergen en Kobe Desramaults in de arm, en schreef het een ontwerpwedstrijd uit voor gebruiksvoorwerpen in leer, keramiek en hout, vertrekkend van het vakmanschap van vroeger. De bekroonde objecten worden als merchandising verkocht in de museumwinkel en de webshop. Liesbeth Kees toont een bordje dat is vormgegeven als een taartpunt. "Keramiek heeft altijd bestaan. De vormgeving is veranderd, maar het wordt nog altijd ambachtelijk gemaakt." In het Kasteel van Bokrijk heeft het museum het VAKlab ondergebracht. Igor Philtjens noemt het een incubator voor hedendaags vakmanschap. "Met dat expertisecentrum willen we mensen die met vakmanschap bezig zijn motiveren en hen met de juiste mensen in contact brengen. De stap naar het ondernemerschap is voor hen vaak moeilijk. Bij de werkgeversorganisaties kunnen ze niet gemakkelijk binnenwandelen, daarmee helpen we hen. We nodigen hen uit om open ateliers te geven in het museum. Misschien zullen zo meer mensen zin krijgen om een vak te leren en zelfstandig te worden. Herinner je je: jobs, jobs, jobs?" Bokrijk wil enkele huizen openstellen voor ondernemers. De Superette, waarvan het brood ook buiten het museum wordt verkocht, was de eerste aanzet. Bier is de volgende stap. Dat begint het museum volgend jaar te maken in zijn eigen brouwinstallatie in het Paenhuys. In de twee grote atelierschuren kan ook de bezoeker leer bewerken, potten draaien of brood kneden. "Je leert al spelend, op een heel laagdrempelige manier. Maar als je diepgaande informatie zoekt, vind je die ook, bijvoorbeeld op onze erfgoed-app. Wij zijn een volwaardig museum, maar we kunnen wel een heel breed publiek aanspreken", benadrukt Liesbeth Kees. Het museum heeft bij Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz (Open Vld) een aanvraag ingediend om in Vlaanderen een schakelfunctie te vervullen met zijn expertise over vakmanschap. Daar verwacht het op 1 oktober nieuws over. "Bokrijk was vroeger een afgesloten reservaat", blikt Igor Philtjens terug. "In de geglobaliseerde wereld van vandaag moet je naar buiten treden, verbindingen leggen." Igor Philtjens wil de poorten van het museum ook letterlijk opengooien. Rondom het museum liggen een park, het natuurgebied de Wijers, het Nationaal Park en Bosland, het grootste aaneengesloten bos van Vlaanderen. "Die gaan we met elkaar verbinden", zegt hij. "Bokrijk neemt daarin de centrale plaats in - het Central Park van Limburg. We gaan Bokrijk extralarge maken." Een eerste stap was de aanleg van Fietsen in het Water, een spectaculair fietspad door een vijver, dat de Wijers verbindt met Bokrijk. Later volgen Fietsen door de Bomen, Fietsen onder de Grond en Fietsen door het Nationaal Park, met een brug over de heide. "Limburg is bekend als fietsprovincie, we hebben 2000 kilometer fietspaden. Daar leggen we nog een laag bovenop", stelt Igor Philtjens. Dat lijkt te werken. "In een straal van 30 kilometer rondom Bokrijk tellen we 20 procent meer fietsers tegenover 2015. Die drinken iets, eten iets, blijven overnachten. Binnenkort moet iedereen weten: als je kortbij met vakantie gaat, dan ga je naar Limburg. In Vlaanderen zijn we nu al de belangrijkste toeristische regio, na de Kust." Die toeristen hoeven niet alleen uit Vlaanderen te komen. Van de 320.000 mensen die vorig jaar het openluchtmuseum hebben bezocht, kwam 20 procent uit het buitenland. "Nederlands-Limburg en Noord-Rijnland-Westfalen zijn dichtbij. We zijn omgeven door luchthavens, zoals Brussel, Luik, Antwerpen, Eindhoven, Maastricht en Düsseldorf", zegt Liesbeth Kees. "Ook het internationale toerisme proberen we dus verder te ontplooien." Onlangs zette het Amerikaanse weekblad Time Magazine Fietsen door het Water, als enige bezienswaardigheid in België, in zijn top honderd van de plekken die toeristen wereldwijd bezocht moeten hebben. Het sterkt het museum in de overtuiging dat het ook toeristen uit verre bestemmingen - zoals China, Japan en Rusland - kan aantrekken. De tentoonstelling over Pieter Bruegel de Oude, die in april 2019 opent, moet daar mee toe bijdragen. Wie in het echt wil rondwandelen in de wereld van Bruegel, moet naar Bokrijk komen, is de bottomline. "Bokrijk moet een open park zijn, dat 365 dagen per jaar open is, en waar je ook naartoe kunt komen als het regent", somt Igor Philtjens op. Zover is het nog niet: het openluchtmuseum is open van april tot eind oktober. Het is sinds kort wel toegankelijk in de herfst- en de kerstvakantie, en soms op zomer- en winteravonden. Naast de 114 vaste personeelsleden heeft het openluchtmuseum 58 seizoensmedewerkers. "Als we langer opengaan, moet we nadenken over een nieuwe structuur die het beste is voor het park, de bezoekers én het personeel." Het museum denkt ook na over nieuwe formules om bezoekers aan te trekken. Een ervan is overnachten in het museum. "Maar als we dat aanbieden, moet het puur en helemaal juist zijn. Het mag geen hotel, geen camping of geen bungalowpark zijn. Je neemt je afval mee terug. Tv? Nee, je landschap is je tv. We moeten iets bedenken wat nog niet bestaat", zegt Igor Philtjens. "We zullen nooit geld verdienen door bezoekers te laten slapen in het museum. Je moet dat kunnen aanbieden tegen democratische prijzen. Maar als we dit echt op een hoog niveau kunnen organiseren, dan gaat het de wereld rond. Zul je ooit kunnen slapen in Bokrijk? Ja. Morgen." Igor Philtjens heeft nog een droom: een sterrenrestaurant dat alleen kookt met ingrediënten die in Bokrijk worden gekweekt. "We hebben groenten, we hebben fruit, we hebben dieren, we hebben wild. Je laat je inspireren door de gerechten uit grootmoeders keuken, en die dien je op in een servies dat hier is gemaakt", legt hij uit. "Bokrijk kan het dorp van de toekomst zijn, een nieuwe wereld waarin alles puur is. Hier is zo veel potentieel."