Alain Mouton
Alain Mouton
Redacteur bij Trends
Opinie

18/05/12 om 11:41 - Bijgewerkt om 11:41

Uitzonderingen nekken het werkloosheidsbeleid

De sterkere daling van de werkloosheidsuitkeringen was noodzakelijk en is welkom. Maar om de Belgische arbeidsmarkt efficiënter te maken, is meer nodig.

Na lang gepalaver heeft de regering eindelijk een akkoord bereikt over de invoering van een sterkere degressiviteit in de werkloosheidsuitkeringen. Tot voor kort daalde een uitkering met slechts 9 procent. Afhankelijk van de gezinssituatie wordt dat straks een stuk meer, gaande tot een daling van meer dan 40 procent. Daarmee sluit België aan bij het gros van de West-Europese landen.

Al moeten we daar meteen al kanttekeningen bij plaatsen. België is het enige land met werkloosheidsuitkeringen die onbeperkt zijn in de tijd. Bovendien gaat de nieuwe regeling pas in vanaf november, ondanks druk van Open Vld in de regering om 1 juli als startdatum te nemen. De ingrepen worden ook verzacht: ze gelden niet voor wie al twintig jaar gewerkt heeft, 55-plussers en personen die minstens 33 procent arbeidsongeschikt zijn. De concrete resultaten zullen pas echt te merken zijn over twee tot vier jaar, wanneer de degressiviteit op kruissnelheid komt.

Het klopt natuurlijk dat dit een van de belangrijkste hervormingen in de werkloosheidsverzekering is in decennia. Om tot een goed werkende arbeidsmarkt te komen en de werkgelegenheidsgraad op te trekken, is echter meer nodig dan sterk dalende uitkeringen. Door die lagere uitkeringen zullen inderdaad meer werklozen beslissen zich op de arbeidsmarkt aan te bieden. Maar al evenzeer bestaat nog altijd de mogelijkheid om zich te nestelen in de werkloosheid met op termijn relatief lage uitkeringen en daarnaast via zwartwerk toch een niet onaardig inkomen te verwerven. De RVA levert al jaren goed werk in de strijd tegen sociale fraude en is actiever in het controleren van de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, maar ook daar moet een tandje bij worden gestoken.

De regionale bemiddelingsdiensten zoals de VDAB schieten zeer snel in actie. Maar de opvolging en de evaluatie van het zoekgedrag van de werkloze, met mogelijke sancties door de RVA, gebeuren pas na 15 of 21 maanden. Bovendien zijn de controles beperkt tot de leeftijd van 50 jaar. De Vlaamse sociale partners mogen dan wel beslist hebben vanaf 1 juni 2012 de activering en dus de intensieve begeleiding van werklozen op te trekken tot 58 jaar, het sanctiebeleid blijft bij de RVA en die laat de 50-plussers met rust.

De nieuwe staatshervorming moet daar verandering in brengen: dan zullen de gewesten de beschikbaarheid van de werklozen zelf kunnen controleren en hen indien nodig bestraffen. Al mogen we ook hier niet te vroeg victorie kraaien. Een hele groep werkzoekenden moet zich immers niet beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt. Wie deel uitmaakt van die groep, wordt federaal bepaald. Niet alleen bruggepensioneerden of oudere werklozen vallen onder die vrijgestelden. Ook wie kampt met sociale en familiale moeilijkheden of een opleiding tot zelfstandige volgt, hoeft zich niet meer beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt. Al die uitzonderingen maken een billijk en efficiënt werkloosheidsbeleid zeer moeilijk.

Onze partners