Pensioencommissie pleit voor pensioenleeftijd van 67 jaar in 2030

16/06/14 om 16:22 - Bijgewerkt om 16:22

Bron: Trends

Om het pensioenstelsel betaalbaar te houden moet de wettelijke pensioenleeftijd in 2025 worden opgetrokken naar 66 jaar en in 2030 naar 67 jaar. Ook moeten de verschillende stelsels naar elkaar toegroeien.

Pensioencommissie pleit voor pensioenleeftijd van 67 jaar in 2030

De Commissie Pensioenhervorming heeft na ruim een jaar werk haar aanbevelingen klaar. De Commissie, opgericht door minister van Pensioenen Alexander De Croo (Open VLD) en met een paar opvallende experten als lid (Bea Cantillon, Frank Vandenbroucke), doet een aantal zeer concrete voorstellen. Zo moeten de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen ten laatste in 2020 op 42 jaar wordt gebracht (nu is dat nog 40 jaar). In 2025 wordt deze loopbaanvoorwaarde verhoogd naar 43 jaar en in 2030 naar 44 jaar. De leeftijd waarop men op vervroegd pensioen kan gaan, wordt van 60 jaar verhoogd naar 61 jaar in 2025 en naar 62 jaar in 2030. De wettelijke pensioenleeftijd wordt in 2025 verhoogd naar 66 jaar en in 2030 naar 67 jaar.

Een ander opvallend voorstel is de invoering van een puntensysteem voor de berekening en toekenning van een pensioen. Gedurende hun loopbaan verzamelen mensen punten voor hun pensioen. Deze punten komen op een individuele rekening en worden omgezet in euro's wanneer men zijn pensioen opneemt. Het uitgangspunt is dat men meer punten verzamelt naar gelang mijn langer werkt en naar gelang de hoogte van het loon. Hoe meer je verdient en hoe langer je werkt, hoe hoger je pensioen met andere woorden. Door iedereen langer te laten werken, moet de gemiddelde hoogte van de pensioenen behouden blijven.

Opvallend is wel dat de commissie zeer mild oordeelt over de zogenaamde gelijkgestelde periodes. Dat zijn de periodes dat men niet werkt (door werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid,...) maar wel pensioenrechten opbouwt. Die gelijkgestelde periodes moeten zomaar worden afgeschaft, stelt de Commissie: "Indien de samenleving van oordeel is dat oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van sociale uitkeringen, en daardoor oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van gelijkstellingen in de pensioenregeling, dan moet dit probleem aan de bron aangepakt worden en niet door het schrappen van gelijkstellingen." Wel wordt -zonder echter veel nadruk op te leggen- gepleit voor het verder afbouwen van het brugpensioen (nu werkloosheid met bedrijfstoeslag).

De Commissie doorbreekt wel het taboe van de ambtenarenpensioenen en stelt dat die in de richting van het werknemerspensioen moeten evolueren. Sedert de pensioenhervorming Di Rupo I gelden voor ambtenaren in theorie dezelfde leeftijds- en loopbaanvoorwaarden om vervroegd met pensioen te gaan als voor werknemers. In de praktijk kunnen de meeste ambtenaren echter sneller aan die loopbaaneisen voldoen omwille van de toepassing van de diplomabonificaties en van een verhogingscoëfficiënt voor wie een preferentieel tantième geniet.

Maar volgens Commissie zullen de loopbaanvoorwaarden in het overheidspensioenstelsel op termijn op dezelfde wijze moeten worden ingevuld zoals voor de werknemers. En verder is "een kritische doorlichting nodig van bijzondere (lagere) pensioenleeftijdsgrenzen voor specifieke categorieën van ambtenaren." De Commissie wijst hier wellicht op beroepsmilitairen die zeer vroeg met pensioen kunnen gaan.

A.M.

Onze partners