RIJSEL

Op kruissnelheid

Het kleine Rijsel met zijn 178.000 inwoners noemt zich “la métropole franco-belge”. Men zou de Frans-Vlaamse stad van zelfoverschatting verdenken, ware het niet dat zoveel megaprojecten hier de jongste jaren ook verwezenlijkt werden. Lille legt de lat steeds hoger en wil nu de Olympische Spelen van 2004 binnenhalen.

TEKST : HENK VAN NIEUWENHOVE / FOTO’S : MARNIX VAN ESBROECK

Het was de legendarische Louis Quatorze, alias Zonnekoning, die de stad Rijsel in 1667 annexeerde. Dikke driehonderd jaar verfransing hebben merkwaardig genoeg het Vlaamse karakter van ‘Lille’ nauwelijks geschonden. “Ek zyn Vlaeming en preus van ‘t te zyn”, lees ik op een sticker tegen een uitstalraam. Zelfs de Vlaamse taal is er niet helemaal uitgestorven. Hoewel ! In de hoofdstad van la Flandre kiezen steeds meer jongeren wel voor het Nederlands als tweede of derde taal. Maar het (Fransch-)Vlaemsch dat in de dorpen rond Kassel nog door 30 procent van de mensen gesproken wordt boert achteruit.

De economische wetmatigheden hebben het zo gewild dat Lille zich weer meer en meer op Vlaanderen en op België is gaan richten. La métropole franco-belge is geen utopie meer. De Kamers van Koophandel van Lille-Roubaix-Tourcoing, Armentières, Doornik, Moeskroen, Kortrijk en Ieper, plus een aantal Belgische intercommunales, hebben reeds in 1991 de handen in elkaar geslagen om dit gezamenlijke project onder de naam Euro 6 op de rails te krijgen. Samen willen zij een grote metropool vormen, over de Frans-Belgische landsgrenzen heen. Tot grote ergernis van een aantal West-Vlaamse burgemeesters, die hun bedrijven over de grens zien wegtrekken.

Lille

telt 178.000 inwoners. Fout, zeggen les Lillois. De huidige metropool die bestaat uit 87 gemeenten, o.m. Roubaix, Villeneuve d’Ascq, Tourcoing telt 1,1 miljoen inwoners. In die optiek is Lille de grootste stad van les Flandres. Ze is alleszins de meest ambitieuze stad van de beide Vlaanderens, van tout le Nord en misschien wel van heel Frankrijk. Dat heeft ze dan in grote mate te danken aan haar socialistische burgemeester Pierre Mauroy, ex-eerste minister onder president Mitterrand, die er sedert 1973 stevig in het zadel zit. Lille, ooit omschreven als een grauwe industriestad, is nu het levende hart van Noord-Frankrijk geworden. Begin jaren ’70 was het nochtans ellendig gesteld met het noorden. De steenkoolmijnen waren één voor één dicht gegaan, de industrie was nagenoeg verdwenen, werkloosheid alom : uitzichtloze toekomst voor les gueules noires, een postindustrieel drama in de geest van Victor Hugo en Emile Zola. De streek is trouwens nog niet helemaal hersteld van die klap. Maar wel Lille, de stad pardon : de metropool van Mauroy, het kruispunt van Europa, de economische trendsetter voor de 21ste eeuw. De stopplaats voor de TGV, het futuristische Euralille, het congrescentrum Grand Palais, de nieuwe luchthaven Lille-Lesquin (voorzien op 1,2 miljoen passagiers/jaar en dus een stevige concurrent voor Zaventem) : stuk voor stuk grote verwezenlijkingen die de ambities van de stad in de verf hebben gezet.

Onder het motto “If you can dream it, you can do it” heeft Lille zich zelfs kandidaat gesteld voor de Olympische Spelen van 2004. Een lilliputter, tussen andere kandidaat-steden als Rio de Janeiro, Buenos Aires, Istanbul, Rome, Athene, Sint-Petersburg en topfavoriet Kaapstad. Maar daarom niet kansloos. De kandidatuur op zich is al een succes verworven na een overwinning op Lyon en plaatst Lille eens te meer in de schijnwerpers. Petite ville, grandes ambitions.

In juli

van dit jaar werd de nieuwe treinverbinding van Oostende naar Rijsel met toeters en bellen geopend. Het ‘boemeltje’ stopt zowat in alle tussenstations en doet er ruim anderhalf uur over. Zodat ik tenminste een boek ter hand kan nemen : Parole de Lillois van Pierre Mauroy, bijvoorbeeld. Daarin schrijft de burgemeester : “De TGV brengt Lille op een uur van Parijs, Londen en Amsterdam, en op 30 minuten van Brussel.” Voor dat laatste is het nog even wachten. Pierre Mauroy geeft verstek op de feestelijke opening van de treinlijn. Hij is naar Atlanta vertrokken om de Spelen bij te wonen en voor zijn stad te lobbyen bij de olympische instanties. Ik stap uit in het station Lille-Flandres ( what’s in a name ?), waar de reizigers zoals in Antwerpen meteen in het hart van de stad worden losgelaten. Het eerste café dat ik tegenkom, heet Lion des Flandres. De vaste klanten drinken er geen petit vin, maar een vers getapte pint bier. Lille ligt zo dichtbij, dat vele landgenoten de stad nooit bezocht hebben. Al is daar de laatste jaren wel verandering in gekomen. Bijvoorbeeld ter gelegenheid van de jaarlijkse marchée aux puces (Europa’s grootste met 1 miljoen bezoekers ; dit jaar op 31/8 en 1/9).

Voor wie de stad niet kent, is een eerste wandeling een openbaring. De Grote Markt, zeg maar Place Général de Gaulle (wiens geboortehuis in Lille als museum is ingericht), is het levende hart van de stad. Vanop een van de vele terrasjes, kan men niet alleen genieten van de pracht van de oude gebouwen in Vlaamse stijl, zoals de pas gerestaureerde Vieille Bourse, een stijlvoorbeeld van Vlaamse renaissance. Op dit plein is ook Frankrijks grootste boekhandel gevestigd, Le Furet du Nord (de snuffelaar van het noorden), alsook de belangrijkste noordelijke krant, La Voix du Nord (28 edities en 400.000 oplage). Wanneer men in straten en steegjes van le Vieux Lille verdwaalt, komt men gauw tot de vaststelling dat deze stad een paradijs is voor shoppers. Vrouwen halen hun hartje op in de trendy mode- en delicatessenzaken, terwijl de mannen de brocanteurs en antiquairs afschuimen, of ergens aan de toog verzeilen in een van de talrijke cafés. Er zijn nogal wat kroegen in deze stad die twee universiteiten en 100.000 studenten herbergt. Hoe ouder de kronkelende steegjes, hoe kleurrijker ook de bevolking. Het aantal Tunesische, Marokkaanse, Antilliaanse, Haïtiaanse, Indische, Vietnamese eethuisjes is niet te tellen. Maar dé rode draad in de stad vormen de Vlaamse namen : chocolatier Meert, apotheker Knockaert, architect Provoost, decorateur Van Sevendonck, kolenhandel Debacker, juwelier Van der Bauwede, bakker Maes, kaashandel Vanderveken, vishandel Vantorhoudt, fotograaf De Schutter, verhuizingen J.C. Verlinde, gerechtsdeurwaarder Viaene, galerie Spilliaert, immobiliën J.M. Hemelsdael… Op de spijskaarten van de lokale restaurants worden Vlaamse gerechten aangeprezen : potje-vleisch, waterzoï, carbonade flamande en uiteraard moules frites. In de winter eet men zelfs konijn met pruimen. En daarbij drinkt men Belgische bieren of uitstekende bieren uit Noord-Frankrijk, de zogenaamde bières de Garde : Jeanlin, Ch’ti, Saint-Léonard, Trois Monts of het gevaarlijke bière du Démon. Zoals het etikel waarschuwt : 12 de plaisir diabolique. Afsluiten kan met een witteke van Claeyssens. Er wordt gelééfd in Lille, ik zou bijna zeggen : op zijn Vlaams.

Rekenen

doet men ook in Lille, niet in het minst de stedelijke instanties. Zoals bekend : koken kost geld. Neem nu het megaproject Euralille. Op de plaats waar een militair terrein (70 hectare) braak lag, is op drie jaar tijd een gigantisch complex uit de grond gerezen, met o.m. kantoorruimten, 150 handelszaken, hypermarkten en supermarkten, congresfaciliteiten (tot 5500 plaatsen !), expositiezalen, hotels, appartementen, dienstverleningen, zelfs tuinen… De Nederlandse architect Rem Koolhaas kreeg de leiding over het bouwproject en stapte de 21ste eeuw binnen met een brave new world-constructie. (Wanneer gaat men in ons land eens een beroep doen op grote architecten om wereldcreaties te verwezenlijken ?) De totale investering voor Euralille bedroeg 32 miljard Belgische frank(!), waarvan iets meer dan de helft door instanties werd gefinancierd, maar toch 46 procent door privé-aandeelhouders en banken werd opgehoest : Crédit Lyonnais, Banque Indosuez, Banque Populaire du Nord…, ja zelfs de Generale (0,7 %). Dat alles tovert Pierre Mauroy uit zijn hoed, met de hulp van een staf heel bekwame mensen. Een van die sleutelfiguren is Francis Ampe, bij de bouw van Euralille hoofd van het bureau stadsontwikkeling, maar intussen délégué général van Mauroy’s nieuwe megaproject Lille 2004. De slogan voor de olympische kandidaatsstelling luidt : “La flamme est en nous !”

Een zelfverzekerde Francis Ampe : “Wij hebben reeds 80 miljoen Franse frank geïnvesteerd, dus is het ons menens. Wij volgen een winnende strategie, zelfs in het geval we het niet halen.” In maart 1997 wordt het kransje van 11 kandidaat-steden uitgedund tot vier of vijf. Ook in België volgt men dit Rijselse avontuur op de voet. “Natuurlijk kadert deze kandidaatstelling ook in onze stratégie franco-belge“, zegt Ampe. “België zit trouwens in een zetel. Als we de Olympische Spelen mogen organizeren, draaien wij voor de kosten op, terwijl België er mee van profiteert. Denken we alleen al maar aan de hotelkamers in Doornik en Kortrijk, aan de kust, en zelfs in Brussel.” In het kader van de ‘métropole franco-belge’ zou zelfs een aantal wedstrijden in ons land kunnen doorgaan. “Volgens de huidige Olympische reglementen moet men in één land blijven. Daarom hebben we die optie niet aangekaart in onze officiële kandidatuur. Maar wetten kunnen gewijzigd worden. In ons comité zetelt trouwens een Vlaming, Jan Christiaens“, besluit Francis Ampe. Dat de bloedmooie gazelle uit Guadeloupe, Marie-José Perec (dubbel olympisch goud in Atlanta) als mascotte optreedt voor Lille 2004, is mooi meegenomen.

Toch één bedenking

bij alle glitter & glamour. Het Palais des Beaux-Arts, dat een van de grootste Franse kunstcollecties herbergt, is reeds meer dan vijf jaar gesloten voor het publiek wegens restauratiewerken. De heropening, eerst voorzien voor 1993, wordt telkens met een jaartje opgeschoven, nu al tot april 1997. Het museum wordt blijkbaar stiefmoederlijk behandeld, in vergelijking met de spectaculaire projecten die alle media-aandacht opeisen. Rijsel kijkt liever naar de toekomst dan naar het verleden.

Info : Maison de la France, Guldenvlieslaan 21, 1050-Brussel. Tel : (02) 513.07.62. Fax : (02) 502.04.10.

Boven : het futuristische Euralille van Rem Koolhaas. Onder : de Oude Beurs en het Paleis voor Schone Kunsten (voorlopig gesloten).

Francis Ampe en de Olympische gedachte : La flamme est en nous !

Het art deco vishuis L’Huitrière, met prachtige faïencetegels versierd.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content