Nog maar net zomer en het lange gras
...

Nog maar net zomer en het lange gras staat nu al dor langs de waterkant, het water reeds hoog aan onze lippen. Wat zullen ze later schrijven over deze kromme dagen? Wat zal achterblijven en wat zal stomweg vergaan? Om te beginnen: al die keren dat jij je handen ridderlijk voor mijn ogen vouwde wanneer het leven me weer eens te veel werd. Hoe je me een tuin vol wilde bloemen beloofde, en hoe we een duivels plezier beleefden aan de vernieling van onszelf en van elkaar. Hoe ik maar tegen de vergankelijkheid in bleef schrijven, tegen beter weten in. Al die tijd hebben we onszelf oppermachtig gewaand, zijn we te gulzig geweest. Maar van de taal en van ons was er nooit genoeg.