"Maak me niet ongeruster dan nodig!" lacht Hendrik Driessen (65), de directeur van het Museum De Pont in Tilburg, als we op het plein voor het museum staan. Arbeiders zijn aan het werk om een vijver en een plantsoen aan te leggen. Vlakbij glooit het plaveisel naar beneden in een ronde kuil, waarin een sokkel staat. Daarop moet een nieuw monumentaal beeld van de vooraanstaande Britse kunstenaar Anish Kapoor komen, dat op 16 september wordt onthuld. De deadline is dichtbij, maar voorlopig is nog vooral verbeeldingskracht nodig om zich voor te stellen dat het terrein er binnenkort helemaal anders uitziet. "Het wordt ongelooflijk spectaculair", belooft Driessen. "Het beeld is een hoogglanzende, gepolijste plaat van roestvrij staal, waarvan de bovenkant 30 graden is gedraaid - een technisch hoogstandje. Het is zes meter hoog, hoger dan het museum. Het zal iedereen verwelkomen in De Pont."
...

"Maak me niet ongeruster dan nodig!" lacht Hendrik Driessen (65), de directeur van het Museum De Pont in Tilburg, als we op het plein voor het museum staan. Arbeiders zijn aan het werk om een vijver en een plantsoen aan te leggen. Vlakbij glooit het plaveisel naar beneden in een ronde kuil, waarin een sokkel staat. Daarop moet een nieuw monumentaal beeld van de vooraanstaande Britse kunstenaar Anish Kapoor komen, dat op 16 september wordt onthuld. De deadline is dichtbij, maar voorlopig is nog vooral verbeeldingskracht nodig om zich voor te stellen dat het terrein er binnenkort helemaal anders uitziet. "Het wordt ongelooflijk spectaculair", belooft Driessen. "Het beeld is een hoogglanzende, gepolijste plaat van roestvrij staal, waarvan de bovenkant 30 graden is gedraaid - een technisch hoogstandje. Het is zes meter hoog, hoger dan het museum. Het zal iedereen verwelkomen in De Pont." Het beeld is een geschenk van de stad Tilburg aan het museum, dat dit jaar zijn vijfentwintigste verjaardag viert. De burgemeester en de wethouders stelden 500.000 euro ter beschikking om een kunstwerk te plaatsen op het plein. Ook enkele bedrijven, een lokaal investeringsfonds en particulieren droegen bij. "Kapoor is een van de belangrijkste beeldhouwers in onze collectie. We hebben zestien werken van hem", vertelt Driessen. "We kennen elkaar al heel lang. Tijdens een bezoek aan zijn atelier in Londen bracht ik het geschenk van het stadsbestuur ter sprake. Een klein werk van Kapoor kost al tegen het miljoen, ik dacht dat een groot beeld nooit zou lukken. Hij antwoordde: "Waarom niet? Laten we het gewoon doen." Dat werk is op de markt wel 10 à 12 miljoen euro waard, maar wij krijgen het tegen de maakkosten. Het is een mooi voorbeeld van de relatie die wij met kunstenaars opbouwen." Ook voor Hendrik Driessen is het een jubileumjaar: hij leidt het Museum De Pont sinds het prille begin, en hij heeft het mee op de sporen gezet. De instelling draait op een legaat van de Tilburgse jurist en zakenman Jan de Pont, die in 1987 overleed. In zijn testament had hij vastgelegd dat een deel van zijn fortuin moest worden ingezet om de hedendaagse beeldende kunst te stimuleren. Hij liet open in welke vorm dat moest gebeuren. Een kunstverzameling had De Pont niet. Driessen, die in 1989 werd benoemd tot directeur van de Stichting Museum De Pont, moest van een blanco blad beginnen. "Het was een nogal panisch makende opdracht", blikt hij terug. "Ik had niets om me aan vast te klampen. Het was alsof ik midden in een kompasroos stond. Voor elke windrichting viel wel iets te zeggen." Als Driessen niet vanuit een collectie kon denken, dan wilde hij vertrekken van een plek. Ook die was er niet. "Ik dacht eerst aan een nieuw gebouw, ergens in een Hollandse polder, dat je met een schakelmodule kon uitbreiden. Maar het bestuur zag het wat simpeler. Dan kwam je automatisch uit bij een bestaand pand. Ik vond wel dat het een gebouw met een smoel moest zijn. Jos de Pont, de zoon van onze stichter, zei eens te gaan kijken in de wolspinnerij Thomas de Beer in Tilburg, die toen nog draaide. De fabriek was verstoft en vies, maar zelfs met de machines erin zag je al de ruimte die hier beschikbaar was. We dachten meteen: dit is het." Een architectenbureau verbouwde de spinnerij tot een museum, met respect voor het karakter van het gebouw. "Het moest vooral die fabriek blijven", zegt Driessen. "We moesten niet doen alsof het was gebouwd als een museum." "Het heeft best lang geduurd voordat ik een eerste aankoop durfde te doen", geeft Driessen toe. "Gelukkig had ik daarvoor met geweldige museumdirecteuren gewerkt. Edy de Wilde, de directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, had me geleerd dat je bij aankopen moest gaan voor het werk dat je dwarszat, dat fysieke reacties veroorzaakte, zoals je hebt bij een verliefdheid. Hij zei ook: als je goed kiest, groeit alles van kwaliteit naar elkaar toe. En ik heb altijd een uitstekend bestuur gehad, waarin museale ervaring aanwezig was." Toen het museum in september 1992 de deuren opende, toonde het werk van twintig levende kunstenaars. Dat was meteen ambitieus, maar Driessen moest nu eenmaal een ruimte van 6000 vierkante meter vullen. "Ik ben vertrokken vanuit een aantal ankerpunten", vertelt hij. "Vanuit zo'n ankerpunt probeerde ik een tegengestelde te vinden. Zo ontstaat geleidelijk een web, dat je steeds verder kunt verfijnen." Vandaag bezit het museum werk van tachtig kunstenaars. "Wat nog altijd niet veel is", merkt Driessen op. "We hebben ongeveer achthonderd werken in de collectie. Het merendeel is werk op papier, het aantal grote stukken is vrij bescheiden. Als we iemand verzamelen, doen we dat over een lange termijn. Bijna al onze tijdelijke tentoonstellingen maken we met kunstenaars van wie we al werk hebben en waarvoor we een bredere bedding willen creëren. Een tentoonstelling beschouwen we als een zichtzending: we kunnen dan in alle rust bekijken hoe een nieuw werk zou functioneren in de collectie. Kunstenaars die we nog niet in de verzameling hebben, proberen we op die manier uit. Een tentoonstelling is ook een goed moment om te onderhandelen over een aankoop, want de relatie is weer even goed aangehaald. Maar als je al een paar keer goed hebt geschoten en een kunstenaar duurder wordt, wordt het moeilijk te blijven kopen." Driessen heeft vaak goed geschoten. De collectie van het Museum De Pont lijkt wel een staalkaart van de artistieke canon van de afgelopen vijfentwintig jaar. Het bezit elf werken van Gerhard Richter, de duurste kunstenaar op de kunstmarkt. "Toen ik Richter begon te verzamelen, was hij al een grootheid, maar nog niet de halfgod die hij nu is", repliceert Driessen. "We kochten ook werk van Sigmar Polke, Wolfgang Laib, Rosemarie Trockel, Fiona Tan en Roni Horn toen ze nog niet bekend waren. In Nederland en Vlaanderen zijn niet gek veel musea die werk van hen hebben. In 1995 hebben we een van de eerste grote tentoonstellingen van Luc Tuymans gemaakt. In 1998 toonden we Berlinde De Bruyckere, kort voordat zij naar grotere oorden vertrok." Het museum bezit achttien werken van Tuymans en zestien van De Bruyckere. Die Belgische connectie is een opvallend kenmerk van de verzameling. Het museum heeft ook werk van Dirk Braeckman, David Claerbout, Thierry De Cordier, Michel François, Raoul De Keyser en Philippe Vandenberg. "We zeggen weleens: we zijn het meest Belgische museum van Nederland", glimlacht Driessen. "Internationaal bekeken beschikt België over veel meer bekende en betekenisvolle kunstenaars dan Nederland. Misschien heeft dat te maken met de manier waarop jullie mensen opleiden. Jullie kunstonderwijs is klassieker - je zou het zelfs ouderwetser kunnen noemen - en dat vind ik juist heel goed. Ik ben altijd erg geïnteresseerd geweest in Belgische kunstenaars. Dat komt ook doordat we in Tilburg zijn gevestigd. In Amsterdam ben je gecentreerd op de stad en is Antwerpen heel ver weg. Maar van hieruit bekeken is Antwerpen om de hoek en Düsseldorf ligt even ver als Amsterdam." Zou Driessen ook zo veel Belgen verzamelen als zijn museum niet vlak bij de grens zou liggen, maar bijvoorbeeld in Groningen? "Natuurlijk beseffen we dat we bijna in twee landen staan. Maar de grens blijft de grens. Er komen vooral Belgische bezoekers als we Belgische tentoonstellingen maken. Daarna zakt het weer in." Driessen heeft er geen spijt van dat het museum niet in een grotere stad ligt. "We zijn gelukkig hier. De gemeente is buitengewoon behulpzaam", vertelt hij. "Buitenlanders die naar Tilburg komen, komen echt voor ons. We hebben elk jaar tussen 90.000 en 100.000 bezoekers, met soms een uitschieter tot 125.000. Dat kunnen we aan. Bezoekers moeten zich hier fijn voelen, we willen dat hun ogen hier op steeltjes gaan staan. In de zalen staat bijna nergens een hekje voor, er zit niets achter glas. Als we veel meer bezoekers zouden hebben, hebben we een probleem, want dan moeten we heel wat personeel bij aannemen." Het museum heeft een klein team van tien voltijdsequivalenten. Dat is heel weinig in vergelijking met andere musea. Dit jaar gaat Driessen uit van een budget van 2,2 miljoen euro, exclusief het aankoopbudget. "We moeten zuinig leven. De middelen die we hebben, willen we niet aan de poppetjes besteden, maar zo veel mogelijk aan het doel. Vorig jaar hebben we een nieuwe vleugel van 1100 vierkante meter geopend, nu zijn we bezig het dak te vernieuwen. Dat moet allemaal uit dat vermogen komen. Dat de bomen niet tot in de hemel groeien, komt ook weleens goed uit. Het dwingt je scherpe keuzes te maken." Subsidies ontvangt het museum niet, en dat is een bewuste keuze. "Zolang ik hier zit, doen we dat zeker niet", zegt Driessen. "Als je deel wilt uitmaken van dat systeem, moet je anderen laten meebeslissen. Je moet allerlei zaken uitleggen, je moet beleidsplannen voorleggen. Ik heb nog nooit zo'n plan gemaakt. Je kunt een hoop neerschrijven, maar veel hangt af van wat op je weg komt, zeker als het gaat om hedendaagse kunst. Je gaat toch ook nooit op pad met het idee: ik ga vanavond verliefd worden? Met subsidies haal je een vorm van bemoeienis binnen. Het is goed af en toe een beetje te sparren met andere partijen, maar wij hebben ervan afgezien." Hendrik Driessen zou zo langzaam met pensioen kunnen, maar hij blijft tot 2019. In het bestuur vinden grote wijzigingen plaats, en die overgang moet achter de rug zijn. Hij maakt zich geen zorgen over zijn opvolging. "Ik heb de organisatie opgebouwd, ik heb eraan bijgedragen dat het museum een succes is. Ik laat het goed voorbereid achter. Ik heb het geld niet opgemaakt. Het vermogen is zelfs toegenomen, dankzij de generositeit van de familie de Pont. Maar als je weg bent, ben je weg. Je kunt niet over je graf heen regeren. Ik maak me daar geen enkele illusie over." Over nog eens vijfentwintig jaar is de meerderheid van de kunstenaars in de collectie overleden. Het museum zal dan totaal veranderd zijn, beseft Driessen. "Als een kunstwerk niet meer kan worden verdedigd door de maker of de persoon die het heeft aangekocht, wordt het een heel kwetsbaar ding. Het is dan een representant van zijn tijd, terwijl de context waarin het ontstond, verloren is gegaan. Als we er dan nog naar kunnen kijken, ben ik heel tevreden vanuit mijn hiernamaals."