Boy George, Austerity George, Axe-Man en Generous George: er circuleren genoeg bijnamen voor Gideon Oliver Osborne, die op zijn dertiende zijn naam veranderde in George. Osborne werd in 2010 de jongste minister van Financiën sinds 1886. Voor de boezemvriend en politieke rechterhand van de Britse premier David Cameron kan het referendum over de brexit op 23 juni richtinggevend worden in zijn politieke carrière.
...

Boy George, Austerity George, Axe-Man en Generous George: er circuleren genoeg bijnamen voor Gideon Oliver Osborne, die op zijn dertiende zijn naam veranderde in George. Osborne werd in 2010 de jongste minister van Financiën sinds 1886. Voor de boezemvriend en politieke rechterhand van de Britse premier David Cameron kan het referendum over de brexit op 23 juni richtinggevend worden in zijn politieke carrière.Hoewel Cameron beweert aan te willen blijven als premier, zelfs als het brexitkamp het zou halen, wordt aangenomen dat hij in dat scenario uiteindelijk toch zal moeten opstappen. De eerste gegadigde om dan de sleutels van Downing Street 10 over te nemen, is de Londense burgemeester Boris Johnson, die zich bij het Leave-kamp aansloot. Als de Britten bij de Europese Unie blijven, dan blijft George Osborne de gedoodverfde opvolger van Cameron. Al zal de conservatieve kroonprins mogelijk nog even geduld moeten oefenen. Het is niet de eerste keer dat de lotsbestemmingen van Cameron en Osborne verstrengeld zijn. Beiden zijn ze ingebed in de Britse upper class. Osborne is de zoon en erfgenaam van de baronet van Ballentaylor en Ballylemon in het Ierse Waterford, een lagere adellijke titel die sinds 1620 eigendom is van de familie. Aan geld geen gebrek: vader Peter George stampte Osborne & Little uit de grond, een fabriek voor behangpapier en -stoffen. Dat zoonlief daarvan een dividend kreeg, hoewel het bedrijf de laatste zeven jaar wegens verliezen geen belastingen meer betaalde, veroorzaakte twee weken geleden nog een mediastormpje.Osborne studeerde moderne geschiedenis in Oxford, waar hij, vier jaar na Cameron en Johnson, lid was van de exclusieve Bullingdon Dining Club. Dat gezelschap is berucht omdat de etentjes doorgaans uitmonden in drinkgelagen, opgeluisterd met 'the sound of breaking glass'. Hij begon zijn carrière als freelancejournalist voor The Daily Telegraph, maar ging amper een jaar later, in 1994, voor de studiedienst van de Conservatieve Partij te werken.Hij werkte mee aan de verkiezingscampagne van John Major, en ging na diens nederlaag aan de slag als politiek secretaris van de Tory-leiders William Hague en Michael Howard. Zelf zit hij sinds 2001 in het parlement, als vertegenwoordiger van het Noord-Engelse Taton. In 2004 werd hij minister van Financiën in het schaduwkabinet van Howard. Toen al werd gespeculeerd dat hij Howard zou opvolgen, maar in plaats daarvan verkoos hij campagneleider te worden voor Cameron.In 2008 kwam hij in opspraak, omdat hij verboden politieke financiering zou gevraagd hebben aan de Russische aluminiumtycoon Oleg Deripaska, maar Yachtgate hield, net als kritiek dat hij om fiscale reden zijn tweede verblijven zou verwisseld hebben, Cameron niet tegen om hem minister van Financiën te maken.Mede dankzij zijn aanpak van de economische crisis _"De enige manier uit de recessie te komen zijn nog meer besparingen"_ zet het Verenigd Koninkrijk sinds enkele jaren groeicijfers neer waar de rest van Europa jaloers naar kijkt. Economisch wordt hij beschouwd als een ouderwetse Tory, die de nadruk legt op de vrije markt, maar die niet te beroerd is om van mening te veranderen. Zo werd zijn voorstel voor een flat tax discreet afgevoerd. Tegelijk blaast hij geregeld warm en koud over de machtige financiële instellingen van de Londense City.Ook zijn doelstelling om een economisch overschot (inclusief investeringen) te realiseren tegen 2020, krijgt kritiek. Het gezaghebbende The Economist waarschuwde al voor de onevenwichtige verdeling van de besparingen, waarbij justitie en binnenlandse zaken veel zwaarder worden getroffen dan gezondheidszorg of defensie; voor de overbescherming van de electoraal interessante gepensioneerden, en voor de te zware vermindering van de investeringen in infrastructuur. Waartoe dat laatste kan leiden, weten we in België intussen maar al te goed.