Kort na zijn verkiezing tot Amerikaans presi- dent in 1960 vroegen zijn naaste stafmedewerkers aan John F. Kennedy of hij al iemand op het oog had voor het voorzitterschap van zijn Council of Economic Advisors. Zonder verpinken antwoordde Kennedy: "Bring me a one-armed economist". Toen zijn lichtjes verbouwereerde medewerkers om meer uitleg verzochten, stelde Kennedy dat hij er niets voor voelde om voortdurend argumentaties te aanhoren in de stijl van "aan de ene kant zus, aan de andere kant zo".
...

Kort na zijn verkiezing tot Amerikaans presi- dent in 1960 vroegen zijn naaste stafmedewerkers aan John F. Kennedy of hij al iemand op het oog had voor het voorzitterschap van zijn Council of Economic Advisors. Zonder verpinken antwoordde Kennedy: "Bring me a one-armed economist". Toen zijn lichtjes verbouwereerde medewerkers om meer uitleg verzochten, stelde Kennedy dat hij er niets voor voelde om voortdurend argumentaties te aanhoren in de stijl van "aan de ene kant zus, aan de andere kant zo". Helaas voor Kennedy en de politici in het algemeen kleven er aan zowat elke economische problematiek soms tegenstrijdige aspecten. Eenduidige beleidsadviezen behoren daardoor lang niet altijd tot de mogelijkheden. Een mooie illustratie daarvan is de recente stijging van de dollar tegenover de euro. Sinds mei verloor de euro bijna 10 % van zijn waarde tegenover de Amerikaanse munt. Los van de belangrijke vraag of het hier om een tijdelijke bijsturing dan wel een nieuwe trendommekeer gaat (allicht het eerste), is deze evolutie niet zonder gevolgen. Vanuit conjunctureel standpunt krijgt de verzwakking van de euro nogal wat applaus. Na Duitsland, Italië en Nederland zit nu ook de Franse economie in een krimpfase. Euroland zit qua economische groei diep in de puree. Een lagere euro verhoogt zowel de exportperspectieven naar de dollarzone als de mogelijkheden tot bekamping van export vanuit de dollarzone naar het eurogebied. Bovendien vertaalt een zwakkere euro zich in hogere importprijzen, wat dan weer helpt bij het afhouden van het deflatiebeest. Na Duitsland speelt nu ook Nederland met vuur inzake deflatie. Maar ook de negatieve aspecten van de eurodaling mogen niet uit het oog worden verloren. Als er inflatoire druk tot ontwikkeling zou komen, zal die de Europese Centrale Bank ( ECB) zeker niet motiveren om de kortetermijnrentevoeten verder naar beneden te halen. Door de recessieve omgeving bestaat ook daar nog altijd behoefte aan binnen euroland. Het meest negatieve aspect aan de eurodaling is het feit dat ze per definitie een stijging van de dollar inhoudt. Deze versteviging van de greenbuck zal zeker niet helpen om het gigantische lopende tekort op de betalingsbalans weg te werken. Dit deficit zal dit jaar boven de 5 % van het Amerikaanse bruto binnenlands product uitstijgen, terwijl voor volgend jaar al cijfers in de richting van 7 % worden genoemd. Het spiegelbeeld van dit deficit is een equivalente kapitaalinvoer vanwege de Verenigde Staten. Het rijkste land van de wereld werd het voorbije decennium de grootste schuldenaar op wereldvlak, met dien verstande dat de Amerikanen in de comfortabele positie zitten dat al hun schuld in hun eigen munt, de dollar, is. De hamvraag vandaag luidt hoe lang de rest van de wereld nog bereid is om dollaractiva in de portefeuilles te blijven opnemen. Komt daar abrupt een einde aan, dan zakt de dollar door de kelder of moeten de Amerikaanse rentevoeten door het plafond (of beide). Op dat moment zal ook de euro-economie zware klappen krijgen. Vandaar dat, veel beter dan de huidige stijging, een verdere gestage daling van de dollar een beter traject vormde. Johan Van Overtveldt