Hij weet het vaak zelf niet, maar zodra een Belgische werknemer meer dan 4075 euro bruto per maand verdient, groeit zijn pensioen niet meer mee met zijn loon. Ook al blijft hij bij een toename van het loon extra sociale bijdragen betalen, daarvan ziet hij bij zijn pensioen geen euro terug. En zo wordt een deel van de sociale bijdragen een zuivere belasting.
...

Hij weet het vaak zelf niet, maar zodra een Belgische werknemer meer dan 4075 euro bruto per maand verdient, groeit zijn pensioen niet meer mee met zijn loon. Ook al blijft hij bij een toename van het loon extra sociale bijdragen betalen, daarvan ziet hij bij zijn pensioen geen euro terug. En zo wordt een deel van de sociale bijdragen een zuivere belasting. De sociale bijdragen in België zijn niet geplafonneerd, terwijl de pensioenuitkeringen dat wel zijn. Wie meer dan 4075 euro bruto per maand of meer dan 53.528,27 euro per jaar verdient, bereikt een loonplafond. Wanneer een werknemer meer dan dat plafond verdient, betaalt hij op dat hogere inkomen hogere sociale bijdragen, maar het brutoloon boven het plafond wordt later niet meegeteld in de berekening van het pensioen. Wie 5000 of 6000 euro bruto verdient, zal bij een gelijke loopbaan geen hoger pensioen ontvangen dan wie een brutoloon heeft van 4075 euro. Dat fenomeen is eigen aan het Belgische pensioenstelsel, dat een combinatie is van het verzekeringsprincipe en het solidariteitsprincipe. Doordat hij pensioenrechten opbouwt, is de werknemer verzekerd tegen het risico 'ouderdom'. Tegelijk zijn de Belgen met een hoger inkomen door het loonplafond solidair met de Belgen die minder lang hebben bijgedragen en een laag inkomen hebben. Die laatsten trekken een hoger pensioen dan waar ze op basis van hun bijdragen recht op hebben. De kleine inkomens halen dus relatief meer uit het pensioenstelsel dan de hoge inkomens. Dat betekent ook dat wie het loonplafond overschrijdt, in een situatie terechtkomt waarbij zijn levensstandaard niet verder verzekerd wordt. Hij ziet zijn koopkracht fel dalen na zijn pensioen. Door de loonplafonnering bedraagt het maximumpensioen voor een werknemer - bij een loopbaan van 45 jaar - 2238 euro bruto of 1671,95 euro netto. Maar 2 procent van de gepensioneerde werknemers krijgt nu zo'n maximumpensioen (zie kader). Minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR) kwam een paar weken geleden met het voorstel de maximumpensioenen te verhogen. Eigenlijk wil hij dat het loonplafond voor de pensioenberekening wordt aangepast, zodat de pensioenuitkering dichter aansluit bij het laatste loon. Hij wil het loonplafond en dus de hoogste uitkeringen niet alleen laten stijgen met de inflatie, maar ook met de reële loonstijgingen. "Ik wil de band versterken tussen het effectieve aantal gewerkte jaren en de pensioenuitkering", zegt Bacquelaine (lees ook blz. 20). "Door het loonplafond volgen de pensioenuitkeringen de loonevolutie niet. Als we daar niets aan doen, zal het maximumpensioen over minder dan twintig jaar gelijk zijn aan het minimumpensioen. De minima worden jaarlijks opgetrokken, de maxima stijgen amper of niet. De kloof is niet meer zo groot. Het minimumpensioen voor werknemers bedraagt 1145 euro, het maximum ligt maar 500 euro hoger." Ivan Van de Cloot, de hoofdeconoom van de denktank Itinera, vindt een hoger loonplafond voor de pensioenberekening een goed idee. "Het verzekeringsprincipe, een van de pijlers van ons pensioenstelsel, heeft de voorbije jaren zwaar ingeboet. Door de plafonnering van de pensioenuitkeringen is de slinger te veel in de richting van de solidariteit doorgeslagen. De band tussen de bijdragen en de uitkeringen wordt doorgeknipt. Op termijn verwordt het pensioenstelsel geen verzekeringssysteem meer, maar een afhankelijkheidssysteem. Het Belgische pensioenstelsel is het Bismarckmodel waarin het verzekeringsprincipe centraal staat. Het systeem is aan het evolueren naar een Beverigde-model, dat eerder geïnspireerd is door bijstand in nood." De evolutie naar een soort van veralgemeend forfaitair basispensioen zou het gevolg zijn van twee bewegingen: enerzijds het zogoed als ongewijzigde loonplafond, en anderzijds het gestaag optrekken van de minimumpensioenen. De voorbije jaren ging de aandacht vooral naar het optrekken van de laagste pensioenen. Dat was een onderdeel van het welvaartsvast maken van de sociale uitkeringen, een maatregel die met het Generatiepact van 2005 het licht zag. Het welvaartsvast maken van de uitkeringen betekent dat bepaalde pensioenen, werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen niet alleen aangepast worden aan de levensduurte, maar dat ze ook de reële loonstijgingen volgen. De regering-Michel gebruikt 500 miljoen euro om de uitkeringen te verhogen. Maar daar vallen de hoogste pensioenen niet onder. "Bij het gebruiken van de welvaartsenveloppe voor 2013-2014 - onder de regering-Di Rupo - werd het loonplafond verhoogd met 2 procent", zegt Bacquelaine. "We hebben dat niet gedaan in 2015-2016, maar het kan de komende jaren wel. Die verhoging van 2013-2014 heeft in het eerste jaar slechts 36.000 euro gekost. In het begin is het een redelijk budget al neemt het daarna wel toe." De minister wijst er voorts op dat het in 2005 wettelijk voorzien was het loonplafond geregeld met 1,25 procent te verhogen. Maar het was aan de sociale partners om die enveloppe voor de welvaartsvaste uitkeringen te verdelen en zij gaven voorrang aan de laagste uitkeringen. "A la limite volstaat het die wet toe te passen. Het mag van mij meer zijn en de regering mag daar aanbevelingen over doen", zegt Bacquelaine. "In het verleden werden de vakantiegelden voor gepensioneerden verhoogd. De volgende keer kan die verhoging minder sterk zijn en kan het vrijgekomen bedrag gaan naar het optrekken van het loonplafond. Het moet een budgettair neutrale operatie zijn." De vakbonden vinden het voorstel van de de minister van Pensioenen maar niets. Ze vrezen dat de maatregel ten koste zal gaan van de laagste pensioenen. "Neen", repliceert Bacquelaine. "Ik wil geen maatregelen nemen ten nadele van de laagste pensioenen. Die blijven welvaartsvast. De regering heeft 25 miljoen euro extra vrijgemaakt om de laagste pensioenen te verhogen, al zijn er strengere loopbaanvoorwaarden aan gekoppeld. Het is de bedoeling de band tussen werken en pensioen te versterken. De kritiek van de vakbonden vind ik vreemd. Het is overdreven te zeggen dat iemand met een pensioen van 1670 euro een rijkaard is. Een geschoolde arbeider bereikt tegen zijn 50ste al het loonplafond. Het gaat hier niet enkel om kaderleden." Bacquelaine wijst erop dat het optrekken van de hoogste pensioenen moet leiden tot een hogere vervangingsratio (het verschil tussen het pensioen en het laatste loon). In België bedraagt het pensioen 40 procent van het laatste loon. In Frankrijk is die vervangingsratio 60 procent en in Nederland bijna 90 procent. Met de hogere maximumpensioenen zou de vervangingsratio moeten stijgen naar 50 procent, het OESO-gemiddelde. Hogere vervangingsratio's versterken de legitimiteit van het pensioenstelsel, zo leren onderzoeken van OESO en het Internationaal Monetair Fonds. Het vermijdt dat hogere bedienden en kaderleden zich afvragen of het wel zin heeft te blijven bijdragen aan het werknemersstelsel. Ze kiezen liever voor een zelfstandigenstatuut en een managementvennootschap, en doen meer aan pensioensparen. Hun exit dreigt de draagkracht van het stelsel te ondermijnen: een steeds kleinere groep werkenden moet de huidige pensioenen betalen. Een hoger pensioen moet mensen ertoe aanzetten in het systeem te blijven, stelt Bacquelaine. Ook al benadrukt de minister dat het om een budgettair neutrale operatie moet gaan en dat hogere maximumpensioenen de beter verdienende Belgen in het werknemersstelsel moeten houden, toch rijst de vraag of het op termijn mogelijk blijft hogere maximumpensioenen te financieren. Alleen al in deze legislatuur stijgen de pensioenuitgaven met meer dan 6,5 miljard euro naar 52 miljard euro. Ivan Van de Cloot is sceptisch: "De vraag is of de regering die beloftes kan waarmaken. Gezien het begrotingstekort en de hoge staatsschuld ben ik sceptisch." Bacquelaine verwacht niet dat de pensioenkosten zullen ontsporen, aangezien andere maatregelen zijn genomen om de reële pensioenleeftijd op te trekken. Die is nu net geen 59 jaar. Het is de bedoeling op termijn aan het Europese gemiddelde van 63 jaar te komen. Het strengere brugpensioen en vervroegd pensioen zullen mensen ertoe aanzetten langer te werken, en dat betekent meer sociale bijdragen, redeneert de minister van Pensioenen. Ook een verdere verstrenging van de gelijkgestelde periodes moet de pensioenfactuur binnen de perken houden. Het gaat hier om de periodes van werkloosheid en inactiviteit die worden meegeteld bij de berekening van het pensioen. Niet-werken stond dus gelijk met werken. In die gelijkgestelde periodes valt nog wat te halen, want in het werknemersstelsel bedraagt het aandeel gelijkgestelde dagen over de hele carrière 25 procent voor de mannen en 29 procent voor de vrouwen. De regering-Di Rupo heeft die regeling rond de gelijkgestelde periodes al verstrengd. Zo wordt werkloosheid maar voor maximaal drie jaar gelijkgesteld met werken. Daarna worden de periodes van niet-werken meegeteld tegen een begrensd loon. Brugpensioen of SWT onder 60 jaar is eveneens gelijkgesteld tegen een begrensd loon. Tijdskrediet zonder motief wordt ondertussen niet meer meegeteld bij de berekening van het pensioen. "Een verdere verstrenging van de gelijkgestelde periodes is mogelijk", zegt Bacquelaine. "Maar er is nooit sprake van geweest te raken aan het ouderschapsverlof, het zwangerschapsverlof of periodes van ziekte en invaliditeit. In het brugpensioen of SWT is er wel nog marge." ALAIN MOUTON"Het optrekken van het loonplafond moet een budgettair neutrale operatie zijn" Daniël Bacquelaine