In 2010 verkoopt er maar één ding moeilijker dan een krant: een dagbladuitgeverij. In 2009 vonden de Seattle Post-Intelligencer, de Rocky Mountain News uit Denver en nog andere historische titels geen koper en stopten gewoon met drukken. De New York Times, die in 1993 1,1 miljard dollar betaalde voor de Boston Globe, keek heel het vorige jaar met hongerig verlangen naar biedingen die niet hoger lagen dan 100 miljoen dollar.
...

In 2010 verkoopt er maar één ding moeilijker dan een krant: een dagbladuitgeverij. In 2009 vonden de Seattle Post-Intelligencer, de Rocky Mountain News uit Denver en nog andere historische titels geen koper en stopten gewoon met drukken. De New York Times, die in 1993 1,1 miljard dollar betaalde voor de Boston Globe, keek heel het vorige jaar met hongerig verlangen naar biedingen die niet hoger lagen dan 100 miljoen dollar. Na jaren van naïef optimisme geven vele krantenuitgevers nu toe dat geen enkele besparing en afdanking de instorting van de inkomsten kan bijhouden. De kranten lieten het vluchtige moment dat de overheid bereid was om de ene of de andere 'vitale' sector te redden aan zich voorbijgaan. Diegenen die hun hoop stelden in noblesse oblige - een nieuwe generatie van rijke families die het uitgeven van een krant wellicht beschouwen als een vorm van burgerzin - is het duidelijk geworden dat de oude noblesse oblige functioneerde in een omgeving van 20 procent winst. Niet van continue verliezen. Naarmate de lezers migreren van papier naar online, lijken ze meer vastberaden dan ooit om niet te betalen voor elektronisch nieuws. Toch groeit de hoop dat er uit trouwe lezers nog een paar centen kunnen worden geperst. Twee jaar nadat de New York Times is gestopt met de betaalmuur achter zijn populairste columnisten, komen de managers met een 'klok' op de proppen. Als de lezer langer blijft dan hij welkom is, moet hij betalen. Of misschien kan een soort lidmaatschap ingevoerd worden. In beide gevallen komt het erop neer dat diegenen die echt van hen houden, moeten dokken en dat de anderen gratis binnen mogen. De meeste Amerikaanse topkranten zijn tegenwoordig tegen betaling beschikbaar op het Kindle-leesapparaat van Amazon. Op een conferentie over de toekomst van de kranten in het Aspen Institute in augustus verkondigde William Dean Singleton, eigenaar van 54 dagbladen, zijn intentie om vanaf het begin van 2010 een vergoeding aan te rekenen voor de content van al zijn titels. Op het ogenblik dat Rupert Murdoch grandioos te veel betaalde voor de Wall Street Journal in 2007, was dat de enige krant die geld vroeg voor toegang tot de website en daarmee ook een zeker succes geboekt had. Murdoch liet toen duidelijk verstaan dat hij die betaalmuur zou afbreken en iedereen gratis zou binnenlaten. Maar in 2009 zei hij dat hij niet alleen de betaalmuur rond de Journal wilde bewaren, maar er ook een rond al zijn andere krantentitels wilde optrekken. Er is nog een ander teken aan de wand. Steven Brill, Amerika's meest onvermoeibare en onvoorspelbare serieondernemer, heeft al laten weten dat zijn volgende project een bedrijf zal zijn dat zich erop toelegt allerlei media te helpen om betaling te vragen voor hun inhoud. Op zijn eigen karakteristieke wijze stelt Brill daarbij de dagbladuitgevers aan de kaak en zei dat het slapjanussen zijn omdat ze tot nu toe hun inhoud weggegeven hebben. Heel wat waarnemers delen Brills analyse dat de grootste vergissing er in de eerste plaats in bestond de lezers er gewoon aan te maken dat ze het nieuws gratis aangeboden kregen. Dit is geen psychologie, maar wel de ijzeren wet van de economie. Waarom is het internet zo'n ramp geworden? In de eerste plaats omdat het de monopoliepositie vernietigde die de meeste Amerikaanse kranten in hun eigen stad genoten. Toegegeven, u kunt nu de Pittsburgh Post-Gazette ook in Londen of New York krijgen. Maar wat belangrijker is, is dat u nu de New York Times en The Guardian in Pittsburgh kunt krijgen. Elke Engelstalige krant die waar ook ter wereld gepubliceerd wordt, concurreert nu met alle andere. Het was de concurrentie die de prijs naar nul geduwd en daar gehouden heeft. De andere grote bron van inkomsten voor de kranten - de advertenties - heeft zwaar geleden onder de recessie. Dat was iets dat buiten hun controle lag. De grote trend voor 2010 heet 'hyperlokalisme'. Het jongste nieuws uit Afghanistan te lezen krijgen in de New York Times is mooi, maar een site die u de uitverkoop van verf in de doe-het-zelfzaak om de hoek aankondigt, is nog mooier. Er schuilt ironie in de ontdekking van almaar kleinere lokale gemeenschappen. Een van de kenmerken van het internet is dat het de totstandkoming mogelijk maakt van gemeenschappen los van hun geografische ligging: de 130 mensen die ergens in de wereld glazen kommen uit de jaren 1830 verzamelen bijvoorbeeld. Maar de redding van de krant (online natuurlijk, vergeet het papier maar) zou wel eens kunnen schuilen in de levering van nieuws aan steeds kleinere geografische gebieden. DE AUTEUR IS COLUMNIST EN HOOFDREDACTEUR VAN EEN NIEUWE WEBSITE DIE IN 2010 GELANCEERD WORDT DOOR DE ATLANTIC. Michael Kinsley De grote trend voor 2010 heet 'hyperlokalisme'.